• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

Vierde evangelisatiegolf: de leken en de evangelisatie die nu bezig is

Vierde preek van P. Raniero Cantalamessa O.F.M. Cap. in deze Advent in aanwezigheid van Paus Benedictus XVI en de Romeinse Curie, gehouden op vrijdag 23 december 2011. Vanwege het belang van de gedachtengangen plaatsen we deze graag, ook al heeft de tekst niet de status van het in directe zin uit te gaan van het kerkelijk leergezag.

Andere preken in deze serie:

HERBEGINNEN BIJ HET BEGIN

1. Een nieuwe bestemmeling van de verkondiging

Prope est iam Dominus: venite, adoremus» - De Heer is nabij : komt, laten wij Hem aanbidden. Laten wij deze meditatie beginnen zoals de Liturgie van het breviergebed in deze dagen voor Kerstmis, opdat ook zij zou deel uitmaken van onze voorbereiding op dit hoogfeest.

Vandaag beëindigen wij onze overwegingen over de evangelisatie. Tot nu heb ik geprobeerd de drie grote evangelisatiegolven in de Kerkgeschiedenis te reconstrueren. Men zou zeker andere grote missionaire activiteiten in herinnering kunnen brengen, zoals degene waarmee de heilige Franciscus Xaverius begon in het Oosten in de 16e eeuw – Indië, China en Japan – en zoals de evangelisatie van het Afrikaanse continent in de 19e eeuw door Daniele Comboni, kardinaal Guglielmo Massaia en vele anderen. Er is echter een reden voor die keuze en ik hoop dat mijn overwegingen ze aangetoond hebben.

Wat verandert en wat het verschil maakt tussen de verschillende evangelisatiegolven waarvan sprake, is niet het voorwerp van de verkondiging – “het geloof, dat voor eens en altijd aan de heiligen werd doorgegeven”, volgens de woorden van de Brief van Judas (Judas 3) – maar de bestemmelingen, respectievelijk de Griekse en de Romeinse wereld, de wereld van de barbaren en de nieuwe wereld of het Amerikaanse continent.

Men vraagt zich dan af: wie is die nieuwe bestemmeling die ons doet spreken over een nieuwe evangelisatiegolf vandaag, de vierde? Het antwoord is: de westerse, geseculariseerde en onder zekere aspecten, postchristelijke wereld. Deze precisering, die reeds voorkwam in de documenten van de zalige Johannes Paulus II, is expliciet geworden in het leergezag van Benedictus XVI. Het “motu proprio” waarmee hij de “Pauselijke Raad ter Bevordering van de Nieuwe Evangelisatie” instelde, spreekt over “vele landen met een oude christelijke traditie, die afkerig geworden zijn van de evangelische boodschap”. Paus Benedictus XVI, Motu Proprio, 'Overal en altijd' - Oprichting van de Pauselijke Raad voor de Nieuwe Evangelisatie, Ubicumque et semper (21 sept 2010)

Voor de Advent van verleden jaar, heb ik geprobeerd drie facetten te belichten van wat deze nieuwe bestemmeling van de verkondiging karakteriseert: sciëntisme, secularisatie, rationalisme. Drie tendensen die tot hetzelfde resultaat leiden: het relativisme.

Telkens een nieuwe te evangeliseren wereld het licht zag, zagen wij parallel daarmee een nieuwe categorie van verkondigers: de bisschoppen in de eerste drie eeuwen (vooral in de derde eeuw), de monniken in de tweede golf en de religieuzen in de derde. Vandaag zien we een nieuwe categorie van evangelisatoren: de leken. Het gaat natuurlijk niet om een categorie die een andere categorie komt te vervangen, maar om een nieuwe kracht uit het volk van God die de andere vervoegt. De bisschoppen blijven onder de leiding van de Paus altijd de gemachtigde referenties en laatste verantwoordelijken voor de missionaire opdracht van de Kerk.

2. Als het kielzog van een mooi schip

Ik zei dat in de loop der eeuwen, de bestemmelingen van de verkondiging veranderd zijn, maar niet de verkondiging zelf. Ik moet deze laatste uitspraak echter preciseren. Het is waar dat de essentie van de boodschap niet kan veranderen, maar de manier om ze aan te bieden, de prioriteiten, het vertrekpunt kunnen en moeten veranderen.

Vatten wij de weg samen die de evangelieboodschap heeft afgelegd om tot bij ons te komen. Er is vooreerst Jezus’ verkondiging, met als centraal onderwerp: Het Rijk Gods is tot bij u gekomen. Op deze unieke fase, die wij “de tijd van Jezus” noemen, volgt na Pasen “de tijd van de Kerk”. Daar is Jezus niet meer de verkondiger, maar de verkondigde; het woord “Evangelie” betekent niet meer “blijde boodschap van Jezus Christus”, maar “blijde boodschap over Jezus”; zij heeft met andere woorden Jezus tot onderwerp en in het bijzonder, Zijn dood en verrijzenis - dat is wat de heilige Paulus verstaat onder het woord “Evangelie”.

Doch men moet ervoor opletten de twee periodes en twee verkondigingen niet te zeer van elkaar te scheiden, die van Jezus en die van de Kerk, of zoals men gewoonlijk zegt, de “historische Jezus” en de “Christus van het geloof”. Jezus is niet het voorwerp van de verkondiging van de Kerk, de verkondigde zaak. Dat we Hem daar niet toe reduceren! Dat zou betekenen dat we Zijn verrijzenis ontkennen. In de verkondiging van de Kerk, is het de verrezen Christus die nog spreekt met Zijn Geest; Hij is ook het subject dat verkondigt. Zoals een concilietekst het uitdrukt:

“Christus is aanwezig in Zijn woord, omdat Hij degene is die spreekt wanneer in de Kerk uit de Heilige Schrift gelezen wordt”. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de heilige liturgie, Sacrosanctum Concilium (4 dec 1963), 7

Vertrekkend van de eerste verkondiging van de Kerk, namelijk van het kerygma, kunnen wij het daarop volgende verloop van de prediking van de Kerk in een beeld samenvatten. Stellen wij ons het kielzog voor van een schip. Dat begint met een punt, de boeg van het schip, maar een punt dat verbreedt tot het aan de horizont verdwijnt en tenslotte de twee tegenover elkaar liggende oevers van de zee bereikt. Dat is wat in de verkondiging van de Kerk gebeurd is: ze begint met een punt: het kerygma, “Jezus, overgeleverd voor onze zonden en verrezen voor onze rechtvaardiging” Vgl. Rom. 4, 25 Vgl. 1 Kor. 15, 1-3 ; nog beknopter: “Jezus is de Heer!” (Hand. 2, 36)(Rom. 10, 9).

Een eerste verbreding van dit punt is het ontstaan van de vier Evangelies, geschreven om deze oorspronkelijke kern uit te leggen, en het overige van het Nieuwe Testament; daarna komt de traditie van de Kerk met haar leergezag, haar liturgie, theologie, instellingen, wetten, haar spiritualiteit. Het eindresultaat is een immens patrimonium dat precies doet denken aan het kielzog van een schip, bij zijn wijdste verbreding.

Als men de geseculariseerde wereld wil evangeliseren, dringt zich hier een keuze op. Vanwaar beginnen? Van eender welk punt in het kielzog of vanuit het punt? De immense rijkdom aan leer en instellingen kan een handicap worden als wij ons daarmee proberen voor te stellen aan iemand die ieder contact met de Kerk verloren heeft en niet meer weet wie Jezus is. Het is alsof men een kind één van die enorme en zware gewaden zou willen opleggen dat bisschoppen en priesters in bepaalde functies droegen.

Men moet die mens helpen om contact te krijgen met Jezus; datgene met hem doen wat Petrus op de dag van Pinksteren gedaan heeft met drieduizend aanwezigen: hem over Jezus spreken die wij gekruisigd hebben en die God uit de dood heeft doen opstaan, hem tot het punt brengen waarop ook hij, in zijn hart geraakt, uiteindelijk zal vragen: “Wat moeten we doen, mannen broeders?” (Hand. 2, 37) en waarop wij zoals Petrus zullen antwoorden: “Bekeert u en ieder van u late zich dopen in de naam van Jezus Christus tot vergeving van uw zonden” (Hand. 2, 38) als ge nog niet gedoopt bent, of biecht als ge het wel bent.

Zij die op de verkondiging ingaan, zullen zich ook vandaag, zoals toen die dag, aansluiten bij de gemeenschap van de gelovigen, zij zullen luisteren naar het onderricht van de apostelen en deelnemen aan de breking van het brood; volgens ieders genade en antwoord zullen zij zich beetje bij beetje heel het immense patrimonium kunnen eigen maken dat uit het kerygma is voortgekomen. Men aanvaardt Jezus niet op het woord van de Kerk, maar de Kerk op het woord van Jezus.

In die inspanning hebben wij een bondgenoot: de mislukking van alle pogingen van de geseculariseerde wereld om het christelijk kerygma te vervangen door andere “schreeuwen” en “manifesten”. Ik citeer dikwijls het voorbeeld van het beroemde schilderij “De schreeuw” van de Noorse kunstenaar Edvard Munch. Een man op een brug, tegen een roodachtige achtergrond, de handen rond de opengesperde mond, slaakt een kreet die, zoals men onmiddellijk begrijpt, een angstkreet is, een lege schreeuw, zonder woorden, alleen geluid. Deze beschrijving van de situatie van de moderne mens lijkt me de meest doeltreffende. De situatie van een mens die de schreeuw vergeten is vol van inhoud, die van het kerygma, en die zich verplicht voelt zijn bestaansangst in de leegte uit te roepen.

3. Christus, onze tijdgenoot

Nu zou ik willen uitleggen waarom het mogelijk is in het christendom op elk moment opnieuw te vertrekken van de boeg van het schip, zonder dat dit mentale fictie is of gewoon een archeologische operatie. De reden is eenvoudig: dat schip maakt nog steeds een kielzog in de zee en het kielzog begint nog steeds bij dat punt!

Alhoewel hij heel mooie dingen gezegd heeft over het geloof en over Jezus, is er toch een punt waarover ik het met de filosoof Kierkegaard niet eens ben. Eén van zijn geliefde onderwerpen is de eigentijdsheid van Christus. Doch hij ziet die eigentijdsheid alsof wij tijdgenoten van Christus zouden moeten worden. “Wie in Christus wil geloven – schrijft hij – is verplicht Zijn tijdgenoot te worden in de verlaging”. Søren Kierkegaard, Training in Christianity, trans. Walter Lowrie, pref. Richard John Neuhaus (New York: Random House, 2004), p. 29. De gedachte is, dat om echt te geloven, met hetzelfde geloof dat van de apostelen gevraagd werd, men abstractie moet maken van de 2.000 jaren geschiedenis en uitspraken over Christus en zich in de plaats stellen van degenen tot wie Jezus Zijn woord richtte: “Komt allen tot Mij die uitgeput zijt en onder lasten gebukt, en Ik zal u rust en verlichting schenken” (Mt. 11, 28). Zal men de moed hebben in zo een belofte te geloven, wanneer Degene die ze gedaan heeft, geen steen heeft om Zijn hoofd op te leggen?

De echte eigentijdsheid van Christus is iets anders: Hij is Degene die onze tijdgenoot wordt want Hij als Verrezene leeft in de Geest en in de Kerk. Als wij tijdgenoten zouden moeten worden van Christus, dan zou deze eigentijdsheid slechts intentioneel zijn; als het Christus is die onze tijdgenoot wordt, dan is die eigentijdsheid reëel. Volgens een stoutmoedige gedachte uit de orthodoxe spiritualiteit, “is de anamnese een vreugdevolle herinnering die het verleden nog meer aanwezig maakt dan toen het beleefd werd”. Dat is geen overdrijving. In de liturgische viering van de Mis, wordt het gebeuren van de dood en de verrijzenis van Christus voor mij meer reëel dan voor hen die er concreet en materieel bij betrokken geweest zijn, want toen was het een aanwezigheid “volgens het vlees”, nu een aanwezigheid “in de Geest”.

Hetzelfde geldt voor degenen die met geloof belijden: “Christus is voor mijn zonden gestorven, Hij is voor mijn rechtvaardiging verrezen, Hij is de Heer”. Een schrijver uit de 4e eeuw schreef: “Voor elke mens is het begin van het leven het ogenblik waarop Christus voor hem geslachtofferd werd. Maar Christus is voor hem geslachtofferd op het ogenblik waarop hij de genade erkent en de uitwerkingen beseft die dit offer meebrengt”. Homilies met Pasen nr. 387 (SCh 36, p. 59ff).

Ik geef mij er rekenschap van dat het niet gemakkelijk is, misschien zelfs onmogelijk, deze dingen aan de mensen te zeggen, en nog minder aan de geseculariseerde wereld vandaag; maar het is wat wij, evangelisatoren, duidelijk voor de geest moeten hebben, om er moed uit te halen en te geloven in het woord van de evangelist Johannes die zegt: “Hij die u bezielt is machtiger dan hij die de wereld beheerst” (1 Joh. 4, 4).

4. De leken, protagonisten van de evangelisatie

Ik zei bij de aanvang dat de leken, in de huidige fase van de evangelisatie, de nieuwe protagonisten zijn. Over die rol heeft het Concilie gesproken in “2e Vaticaans Concilie - Decreet
Apostolicam Actuositatem
Over het lekenapostolaat
(18 november 1965)
”, Paulus VI in “H. Paus Paulus VI - Postsynodale Apostolische Exhortatie
Evangelii Nuntiandi
Over de Evangelisatie in de Moderne Wereld
(8 december 1975)
” en Johannes Paulus II in “H. Paus Johannes Paulus II - Postsynodale Apostolische Exhortatie
Christifideles laici
Over de roeping en de zending van de leken in de Kerk
(30 december 1988)
”.

Het uitgangspunt van deze universele oproep tot zending vinden we reeds in het Evangelie. Na de laatste zending van de apostelen “wees de Heer zeventig anderen aan en zond hen twee aan twee voor zich uit naar alle steden en plaatsen waarheen Hijzelf van plan was te gaan” (Lc. 10, 1). Deze zeventig leerlingen waren waarschijnlijk al degenen die Hij tot op dat ogenblik verzameld had of ten minste al degenen die bereid waren zich ernstig voor Hem in te zetten. Jezus zendt dus ‘alle’ Zijn leerlingen.

Ik heb een leek gekend uit de Verenigde Staten, een familievader, die naast zijn beroep een intense activiteit uitoefende in de evangelisatie. Een man vol humor die beslist niet zonder een schaterlach evangeliseerde, zoals alleen Amerikanen dat goed kunnen. Wanneer hij naar een nieuwe locatie gaat, begint hij zeer ernstig: “Tweeduizend vijfhonderd bisschoppen, die bijeen zijn in het Vaticaan, hebben mij gevraagd u het Evangelie te komen verkondigen”. De mensen zijn natuurlijk heel en al nieuwsgierigheid. Hij legt dan uit dat de tweeduizend vijfhonderd bisschoppen, degenen zijn die hebben deelgenomen aan het Tweede Vaticaans Concilie en het 2e Vaticaans Concilie - Decreet
Apostolicam Actuositatem
Over het lekenapostolaat
(18 november 1965)
waarin elke christen leek geroepen is om deel te nemen aan de evangeliserende zending van de Kerk. Hij had volkomen gelijk met te zeggen “hebben mij gevraagd”. Deze woorden zijn geen woorden in de lucht, voor iedereen en niemand: zij richten zich tot elke katholieke leek persoonlijk.

Vandaag kennen wij de nucleaire energie die door atoomsplitsing vrijkomt. Een uraniumatoom wordt bekogeld en in twee gebroken door de shock van een deeltje, neutron genoemd, dat in dit proces energie vrijgeeft. Dan begint een kettingreactie. De twee nieuwe elementen doen op hun beurt andere atomen splitsen, met andere woorden zij breken op hun beurt twee andere atomen, die twee atomen vier andere en zo verder tot miljarden atomen, zodat de vrijgekomen energie tenslotte immens is. En niet noodzakelijk vernietigende energie, want nucleaire energie kan ook voor vredelievende doeleinden gebruikt worden, voor het welzijn van de mens.

In die zin kunnen wij zeggen dat de leken een soort van nucleaire energie van de Kerk zijn op spiritueel vlak. Een leek die door het Evangelie geraakt is, en met anderen leeft, kan er twee anderen “aansteken”, en zo vier anderen, en aangezien leken niet alleen geteld worden per tienduizenden zoals de geestelijkheid, maar per honderd miljoenen, kunnen zij werkelijk een doorslaggevende rol spelen in de verspreiding van het weldadige licht van het Evangelie in de wereld.

Het is niet sinds Vaticanum II dat men is beginnen spreken over het apostolaat van de leken: men sprak er reeds lang over. Maar het nieuwe van het Concilie op dat domein, is de hoedanigheid waarmee de leken de hiërarchie in het apostolaat bijstaan. Zij zijn geen gewone medewerkers, die geroepen zijn hun professionele bijdrage, tijd en hulpmiddelen te leveren; zij zijn dragers van charisma’s, zoals 2e Vaticaans Concilie - Constitutie
Lumen Gentium
Over de Kerk
(21 november 1964)
zegt, “die hen geschikt en beschikbaar maken om de verschillende taken en functies uit te oefenen die nuttig zijn voor de vernieuwing en ontwikkeling van de Kerk”. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 12

Jezus wou dat Zijn apostelen schapenherders en mensenvissers zouden zijn. Voor ons, geestelijken, lijkt het gemakkelijker herders te zijn dan vissers; dat wil zeggen, degenen die naar de Kerk komen, voeden met het woord en de sacramenten, eerder dan op zoek te gaan naar degenen die veraf zijn, in de meest verscheiden middens van de wereld. De parabel van het verloren schaap, doet zich vandaag omgekeerd voor: negenennegentig zijn verdwaald en één is in de schaapsstal gebleven. Het gevaar is al zijn tijd te besteden aan het voeden van het ene dat gebleven is en geen tijd te hebben – zij het door tekort aan priesters – om op zoek te gaan naar de verdwaalden. Daarin lijkt de bijdrage van de leken ons providentieel.

De Kerkelijke bewegingen staan op dat domein het verst. Hun specifieke bijdrage tot de evangelisatie is volwassenen een gelegenheid te bieden hun Doopsel te herontdekken en actieve, geëngageerde leden te worden van de Kerk. Veel bekeringen onder ongelovigen en de terugkeer tot de godsdienstpraktijk van christenen worden vandaag vastgesteld in het kader van deze bewegingen. Onlangs is de Heilige Vader Benedictus XVI met het oog op de evangelisatie teruggekomen op het belang van het gezin en sprak over de “eersterangs rol” van de christelijke gezinnen op dat domein. “Zoals het verduisteren van God en de crisis van het gezin met elkaar verbonden zijn, zo is de nieuwe evangelisatie onafscheidelijk van het christelijk gezin.” Paus Benedictus XVI, Toespraak, Tot de algemene vergadering van de Pauselijke Raad voor het Gezin (1 dec 2011), 2

In zijn commentaar op de tekst waar Lucas zegt dat Jezus “zeventig anderen aanwees en hen twee aan twee voor zich uitzond naar alle steden en plaatsen waarheen Hijzelf van plan was te gaan” (Lc. 10, 1), schreef de heilige Gregorius de Grote dat Hij hen twee aan twee uitzond “omdat bij minder dan twee, er geen liefde kan zijn”, H. Paus Gregorius de Grote, Moreel commentaar op (het boek) Job, Moralia in Job en aan de liefde kunnen de mensen herkennen dat wij leerlingen van Christus zijn. Dat geldt voor iedereen, maar vooral, bijzonder, voor een ouderpaar. Als zij niets meer kunnen doen om hun kinderen in het geloof te helpen, doen zij al veel wanneer degenen die hen zien, onder elkaar kunnen zeggen: “Kijk eens hoe mama en papa mekaar graag zien!”. “De liefde komt van God”, zegt de Schrift (1 Joh. 4, 7) en dat verklaart waarom God, overal waar een beetje echte liefde is, altijd wordt verkondigd.

De eerste evangelisatie begint tussen de huiselijke muren. Aan een jongeman die Hem kwam vragen wat hij moest doen om gered te worden, antwoordde Jezus op een dag: “Ga verkopen wat ge bezit en geef het aan de armen … En kom dan terug om Mij te volgen” (Mc. 10, 21); maar tot een ander die alles wou verlaten en Hem volgen, stond Hij dit niet toe en Hij zei hem: “Ga naar huis, naar de uwen en vertel hun alles wat de Heer aan u gedaan heeft en hoe Hij u barmhartigheid heeft bewezen” (Mc. 5, 19).

Er is een bekende negro-spiritual die zegt: “There is a balm in Gilead” – Er is balsem in Gilead. Sommige woorden ervan kunnen de leken bemoedigen, maar niet alleen hen, bij hun opdracht om te evangeliseren van persoon tot persoon, van deur tot deur:

“If you cannot preach like Peter, if you cannot preach like Paul, go home and tell your neighbour, He died to save us all” –
Als ge niet kunt preken als Petrus, als ge niet kunt preken als Paulus, ga naar huis en zeg uw buur dat Hij stierf om ons allen te redden.

Binnen twee dagen is het Kerstmis. Het is voor onze broeders, leken, een bemoediging zich te herinneren dat rond Jezus’ kribbe, naast Maria en Jozef, alleen hun vertegenwoordigers waren: herders en wijzen.

Kerstmis brengt ons terug bij het punt van het kielzog, want alles is van daar uitgegaan, van dit Kind in de voederbak. In de Liturgie zullen wij horen verkondigen “Hodie Christus natus est, hodie Salvator apparuit” – Vandaag is Christus geboren, vandaag is de Verlosser verschenen. Als we dat horen, denken we dan terug aan wat we over de anamnese gezegd hebben, die het gebeuren uit het verleden nog meer aanwezig maakt dan toen het voor het eerst plaatshad. Ja, Christus wordt vandaag geboren, want Hij wordt echt voor mij geboren op het ogenblik waarop ik het mysterie erken, waarop ik in dit mysterie geloof. “Wat voor nut heeft het dat Christus eens in Betlehem uit Maria geboren werd, als Hij niet opnieuw geboren wordt in mijn hart, door het geloof?”: het zijn woorden van Origenes, Origenes van Alexandrië, Preken over Lucas, In Lucam Homilia. 22, 3 herhaald door de heilige Augustinus en de heilige Bernardus.

Maken wij ons de oproep eigen van de Heilige Vader voor zijn kerstwensen dit jaar en zeggen wij hem in één adem, met heel ons hart, na:

“Veni ad salvandum nos” – Kom, Jezus en red ons!

Vert. Sorores Christi
Bron: Zenit.org

Publicatiedatum: 23 december 2011
Laatst bewerkt: 29 augustus 2016


 

Uw bijdrage

RK Documenten wordt volledig beheerd door vrijwilligers. Om deze site te bekostigen zijn we afhankelijk van uw hulp.

Algemeen nut beogende instellingen

Help ons en doneer!

Uw donatie zal worden verwerkt door Stg. Mollie Payments.
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam