• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

Samenvatting en synthese van de Encycliek Ecclesia De Eucharistia


Laatste wijziging: 29 augustus 2016

De veertiende Encycliek van Paus Johannes Paulus II is bedoeld om een diepgaande reflectie te geven van het mysterie van de Eucharistie en de relaties met de Kerk. Het document is relatief beperkt, maar belangrijk vanwege zijn theologische, disciplinaire en pastorale aspecten. Tijdens de viering van Witte Donderdag, gedurende de viering van de instelling van de Eucharistie tijdens het Laatste Avondmaal van Christus, is het getekend in de liturgische zetting van het Sacruum Triduum, de drie heilige dagen voorafgaand aan Pasen.

Het Eucharistische Offer, "de bron en het hoogtepunt van het christelijk leven", bevat de volledige rijkdom van de Kerk: Jezus Christus, die zichzelf geeft aan de Vader voor de verlossing van de wereld. Door het vieren van dit "mysterie van het geloof" wordt het Paastriduum tegenwoordig wat mannen en vrouwen van alle eeuwen geloofd en gevierd hebben.

Het eerste hoofdstuk, "Het mysterie van het geloof", legt het offerkarakter van de Eucharistie uit, dat door de gewijde priester op sacramentele wijze present wordt gesteld in de Heilige Mis. Christus "geeft zijn Lichaam" en "laat het Bloed stromen" voor het heil van de wereld. De viering van de Eucharistie is niet een herhaling van Christus 'pascha', ook is het niet een verveelvoudiging in tijd en ruimte; het is een offer van het kruis, welke opnieuw tegenwoordig gesteld wordt tot aan het einde der tijden. Het is, om met de woorden van de Heilige Ignatius van Antiochie te spreken, "het medicijn van de onsterfelijkheid, een tegenstelling tot de dood". Als een offer voor het toekomstige Rijk, herinnert de Eucharistie de gelovigen aan hun verantwoordelijkheden op aarde, waarbij de zwakkeren, de meest machtelozen en de armsten de hulp van ons verwachten door solidariteit en dat hen redenen voor hoop geven.

"De Eucharistie bouwt de Kerk op" is de titel van het tweede hoofdstuk. Wanneer de gelovigen naderen tot de Heilige Maaltijd ontvangen we niet alleen Christus, maar zij zijn daarbij tevens ontvangen door Hem zelf. Het geconsacreerde Brood en Wijn zijn de krachten die de kerkelijke gemeenschap vormt. De Kerk is in eenheid met haar Heer die onder de gedaanten van de Eucharistische gaven, in haar is en haar opbouwt. Zij aanbidt Hem niet alleen tijdens de Heilige Mis zelf, maar ook op andere momenten, hem daarbij bewaren als haar belangrijkste "schat".

Het derde hoofdstuk is een reflectie op de "Apostoliciteit van de Eucharistie en van de Kerk". Zoals de volledige waarheid van de Kerk niet bestaat zonder de apostolische successie, zo is er geen ware Eucharistie zonder de Bisschop. De priesters die de Eucharistie vieren doen dit "in persona Christi", in de persoon van Christus zelf; hij is niet de eigenaar van de Eucharistie, maar hij is de dienaar ten behoeve van de gemeenschap van hen die gered zijn. Daaruit volgt dat de christelijke gemeenschap de Eucharistie niet "in eigendom" heeft, maar het ontvangt als een gave.

Deze overdenkingen zijn verder ontwikkeld in het vierde hoofdstuk, "De Eucharistie en de Kerkelijke gemeenschap". De Kerk, als bedienaar van Christus' Lichaam en Bloed voor de verlossing van de wereld, smeekt door ieder dat Christus haar tot stand brengt. Getrouw aan de leer van de Apostelen, in eenheid door de discipline van de sacramenten, moet zij op een zichtbare wijze de onzichtbare eenheid tonen. De Eucharistie kan niet "gebruikt" worden als een manier van eenheid; zij voorondersteld daarentegen gemeenschap en eenheid als reeds bestaand en versterkt het. In deze context dient met nadruk gesteld te worden dat het streven naar oecumenisme juist een kenmerk moet zijn van alle volgelingen van de Heer; de Eucharistie creeert eenheid en bouwt eenheid op, wanneer het gevierd wordt met alle diepgang die het heeft. Het kan dus geen voorwerp worden van individuele of persoonlijke gemeenschappen.

"De waardigheid van de viering van de Eucharistie" is het onderwerp van het vijfde hoofdstuk. De viering van de van de "Heilige Mis" wordt gekenmerkd door de uiterlijke tekenen die erop gericht zijn om de vreugde van de samenkomst van de gemeenschap rond de onvergelijkelijke gift van de Eucharistie uitdrukking te geven. Architectuur, beelden, schilderijen, muziek, literatuur en, meer algemeen, elke vorm van kunst toont aan hoe de Kerk door de eeuwen heen geen beperking heeft gekend in haar getuigenis van liefde die haar verenigd met haar goddelijke Bruidegom. Het herstellen van de zingeving voor het mooie is ook nodig bij de vieringen in deze tijd.

Het zesde hoofdstuk, "In de school van Maria, 'Vrouw van de Eucharistie' ", is eigentijdse en orginele overenking van de verrassende overeenkomst tussen de Moeder van God, die door de geboorte van het Lichaam van Christus vanuit haar moederschoot de eerste "tabernakel" is geworden en de Kerk die Christus' Bloed en Lichaam in haar hart bewaard en aanbiedt aan de wereld. De Eucharistie is gegeven aan de gelovigen, zodat hun leven tot een blijvend "Magnificat" mag worden ter ere van de meest Heilige Drieeenheid.

Het slot is een uitdaging: zij die voort willen gaan op de weg van heiligheid behoeven geen nieuw "programma". Het programma bestaat namelijk al: het is Christus zelf die zich uitspreekt als Degene die gekend wordt, die men liefheeft, wil volgen en verkondigen. Het in de praktijk brengen daarvan gaat over op de Eucharistie. Dit is reeds gezien in de getuigenissen van de heiligen, die op ieder moment van hun leven snakten om hun dorst te lessen aan de onuitputtelijke bron van dit mysterie en vandaaruit de geestelijke kracht kregen die nodig is om hun roeping van gedoopten ten volle te leven.

Bron: www.vatican.va

Mgr. J. Hendriks

Uit: Mgr. dr. J.W.M. Hendriks: Kerkelijke Documenten - Inleiding en repertorium (1965-2009) - Mgr. dr. J.W.M. Hendriks (Tiltenberg Studies, 4) - (Tiltenberg Studies, 4), p. 202-222

Ieder jaar op Witte Donderdag heeft paus Johannes Paulus II (1978-2005) een brief gericht aan de priesters. In het jaar 2003 gebeurde dat dus voor de vijfentwintigste keer en die mijlpaal heeft de paus willen vieren door de Encycliek H. Paus Johannes Paulus II - Encycliek
Ecclesia de Eucharistia
De Kerk leeft van de Eucharistie
(17 april 2003)
. Het was de eerste keer dat een encycliek over dit thema verscheen sinds paus Paulus VI op 3 september 1965 Z. Paus Paulus VI - Encycliek
Mysterium Fidei
Over de leer en de verering van de Heilige Eucharistie
(3 september 1965)
publiceerde. De leer over de Eucharistie vinden we daarvoor vooral in de documenten van het concilie van Trente en in die van oudere concilies, zoals het concilie van Florence dat vorm en materie van de sacramenten heeft vastgesteld. Vgl. Concilie van Florence, Decreet, 8e Sessie - Decreet voor de Armeniƫrs, Exsultate Deo (22 nov 1439), 1-18 Andere belangrijke teksten zijn de encyclieken over liturgie en Eucharistie: Paus Leo XIII - Encycliek
Mirae caritatis
Over de H. Eucharistie
(22 mei 1902)
van Leo XIII (1902), Paus Pius XII - Encycliek
Mediator Dei et hominum
Over de Heilige Liturgie
(20 november 1947)
van Pius XII (1947) en het reeds genoemde rondschrijven H. Paus Johannes Paulus II - Encycliek
Ecclesia de Eucharistia
De Kerk leeft van de Eucharistie
(17 april 2003)
van Paulus VI (1965).40

De encycliek H. Paus Johannes Paulus II - Encycliek
Ecclesia de Eucharistia
De Kerk leeft van de Eucharistie
(17 april 2003)
heeft paus Johannes Paulus II gegeven om, zoals hij schrijft, de Eucharistische verwondering opnieuw te wekken H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, De Kerk leeft van de Eucharistie, Ecclesia de Eucharistia (17 apr 2003), 6. In de Apostolische Brief H. Paus Johannes Paulus II - Apostolische Brief
Novo millennio ineunte
Een nieuw millennium
(6 januari 2001)
had de paus uitgenodigd naar het diepe te varen (“duc in altum”) en daarmee bedoelde hij een enthousiasme op te wekken voor de nieuwe evangelisatie vanuit een verdiept contact met Christus: het gelaat van Christus beschouwen samen met Maria, was een belangrijke leidraad voor die Brief. De liefde en eerbied voor de Eucharistie, aanbidding, zag deze paus als dé manier om dit beschouwen van Christus waar te maken, want de bron van het leven van de Kerk is Christus in de Eucharistie H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, De Kerk leeft van de Eucharistie, Ecclesia de Eucharistia (17 apr 2003), 6. Vandaar dat voor beginwoorden en daarmee voor de titel H. Paus Johannes Paulus II - Encycliek
Ecclesia de Eucharistia
De Kerk leeft van de Eucharistie
(17 april 2003)
gekozen is: de Kerk leeft van de Eucharistie.
In H. Paus Johannes Paulus II - Encycliek
Ecclesia de Eucharistia
De Kerk leeft van de Eucharistie
(17 april 2003)
van deze rondzendbrief meldt de paus dat hij de bevoegde instanties van de Romeinse Curie heeft gevraagd een meer gedetailleerd document uit te brengen met daarin ook canoniekrechtelijke voorschriften om te bevorderen dat de priesters de Mis “trouw vieren volgens de liturgische normen”. “Gemeenschappen die zich aan deze normen houden tonen op rustige doch welsprekende wijze hun liefde voor de Kerk”, stelt de paus. Dit document van de Congregatie voor de Sacramenten en de Goddelijke eredienst is de Instructie Congregatie voor de Eredienst en de Sacramenten
Redemptionis Sacramentum
Het Sacrament van de verlossing - Wat nageleefd en vermeden dient te worden met betrekking tot de allerheiligste Eucharistie
(25 maart 2004)
die verschenen is op 25 maart 2004, ongeveer een jaar voor het overlijden van paus Johannes Paulus II. De media hadden tevoren gemeld dat deze Instructie zou bepalen dat meisjes geen misdienaar meer mochten zijn, maar dat was niet juist. Dat zou in een Instructie ook niet mogelijk zijn geweest omdat een dergelijk document slechts uitvoerend van karakter is en geacht wordt zich te bewegen binnen de kaders van de wetgeving. In Congregatie voor de Eredienst en de Sacramenten
Redemptionis Sacramentum
Het Sacrament van de verlossing - Wat nageleefd en vermeden dient te worden met betrekking tot de allerheiligste Eucharistie
(25 maart 2004)
wordt slechts herhaald wat tot nu toe hierover was bepaald, namelijk dat meisjes kunnen worden gevraagd als de Bisschop daarmee akkoord is, dat anderzijds het geen recht van gelovigen is om de Mis te mogen dienen, dat een priester daar een eigen afweging in mag maken, waarbij wordt aangegeven dat een pastorale afweging kan zijn dat het mis dienen door jongens kan helpen om een roeping te ontdekken tot het gewijde ambt, een weg zoals die in feite voor veel priesters is gelopen H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, De Kerk leeft van de Eucharistie, Ecclesia de Eucharistia (17 apr 2003), 47. Doel van de Instructie is vooral een aantal bestaande wettelijke bepalingen met betrekking tot de Eucharistie uit te werken en onder de aandacht te brengen en dus meer onderhouding van deze richtlijnen te urgeren, niet om er nieuwe aan toe te voegen (al lijken sommige bepalingen toch een zekere bijstelling in te houden van de normen die tot nu toe golden).
De encycliek H. Paus Johannes Paulus II - Encycliek
Ecclesia de Eucharistia
De Kerk leeft van de Eucharistie
(17 april 2003)
heeft dus ten doel opnieuw de liefde voor de Eucharistie te wekken.

De Encycliek bestaat uit zes hoofdstukken:

Inleiding
I. Het mysterie van het geloof
II. De Eucharistie bouwt de kerk op
III. De apostoliciteit van de Eucharistie en de Kerk
IV. De Eucharistie en kerkelijke gemeenschap
V. De waardigheid van de Eucharistieviering
VI. De school van Maria: De Eucharistie en Maria
Slot.

Enkele saillante punten van het rondschrijven van de paus hebben een nadere toelichting nodig om aldus het eigen karakter van de Encycliek te verhelderen.

1.1. Centrale plaats van de Eucharistie
Over de Eucharistie heeft het tweede Vaticaans concilie niet veel gesproken. Het thema komt regelmatig ter sprake, maar er is geen eigen document aan gewijd. Toch is een van de meest bekende uitdrukkingen van Vaticanum II de vaker herhaalde uitspraak dat de Eucharistie “culmen et fons”, hoogtepunt en bron is van heel het kerkelijk leven. De liturgie is hoogtepunt en bron, de sacramenten zijn dat in het algemeen, en binnen de liturgie en de sacramenten wordt gezegd en herhaald over de Eucharistie, dat zij bron en hoogtepunt is van heel het christelijk leven. De gedachte werd in 2e Vaticaans Concilie - Constitutie
Sacrosanctum Concilium
Over de heilige liturgie
(4 december 1963)
aldus geformuleerd: “Zo stroomt ons dus uit de liturgie, en vooral uit de Eucharistie, als uit een bron, de genade toe...” “Sacrificium Eucharisticum, totius vitae christianae fontem et culmen...” 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over het leven en dienst van de priester, Presbyterorum Ordinis (7 dec 1965), 5. "Eucharistia ut fons et culmen totius evangelizations" Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over het leven en dienst van de priester, Presbyterorum Ordinis (7 dec 1965), 6. 5. De Paus beklemtoont in zijn Encycliek dit centrale karakter van de viering van de Eucharistie binnen het kerkelijk leven door een aantal kenmerken van de Eucharistie naar voren te halen.
Dit stelt ons natuurlijk voor vragen: als de Eucharistie het centrum is van heel het kerkelijk leven, “het hoogtepunt waarnaar de Kerk in al haar handelen streeft en tevens de bron waaruit al haar kracht voortkomt”, als alle apostolische werkzaamheden erop gericht zijn dat allen samenkomen, in de gemeenschap van de Kerk God loven, deelnemen aan het offer en de maaltijd des Heren nuttigen, zoals 2e Vaticaans Concilie - Constitutie
Sacrosanctum Concilium
Over de heilige liturgie
(4 december 1963)
stelt, dan dient de evangelisatie en de organisatie van het kerkelijk leven er helemaal op gericht te zijn dit te realiseren.
De intentie van de paus is het bij de gelovigen de verwondering en liefde voor de Eucharistie opnieuw te wekken en hen te bezielen met enthousiasme voor de nieuwe evangelisatie vanuit een verdieping van het contact met de Eucharistische Heer. Het is de traditie van heel de geschiedenis van de Kerk dat we de Eucharistie celebreren als viering van de zondag om het Paasmysterie van de Heer tegenwoordig te stellen. De Kerk doet dit om de opdracht van de Heer te vervullen die bij het laatste Avondmaal de leerlingen heeft gevraagd dit te blijven doen om Hem te gedenken.
Natuurlijk zijn er redenen waarom de heilige communie buiten de Eucharistie kan worden uitgereikt, bijvoorbeeld aan zieken. Voor het Tweede Vaticaans Concilie was het heel gebruike-lijk dat de heilige communie buiten de Mis werd uitgereikt om mensen die moesten gaan werken in de gelegenheid te stellen te communiceren of om niet te lang nuchter te hoeven blijven, toen de nuchterheid - het Eucharistisch vasten - nog vanaf middernacht of later tot drie uur voor het ontvangen van de heilige communie was voorgeschreven. Het concilie wilde echter bevorderen dat de gelovigen in het kader van de actieve deelname “na de communie van de priester het Lichaam des Heren uit hetzelfde offer ontvangen” 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de heilige liturgie, Sacrosanctum Concilium (4 dec 1963), 55; daarom heeft men na het Concilie het Eucharistisch vasten terug gebracht tot één enkel uur voor de heilige commu-nie.
Communie-uitreiken buiten de Mis met een dienst van het Woord is dus niet uitgesloten, maar de Constitutie over de heilige Liturgie van het concilie H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, De Kerk leeft van de Eucharistie, Ecclesia de Eucharistia (17 apr 2003), 55 heeft het deelnemen aan de heilige communie binnen de heilige Eucharistie ten zeerste aanbevolen en met de hosties die in dat Misoffer zijn geconsacreerd. Het voorschrift van het Directorium voor de zondagsvieringen in afwezigheid van een priester is bijvoorbeeld dat er naast een zondagse Eucharistieviering in een parochie niet een andere viering als alternatieve zondagsviering mag worden aangeboden in hetzelfde weekend. Datzelfde directorium beveelt echter tevens aan de zondagsviering bij afwezigheid van een priester te besluiten met het uitreiken van de heilige communie. Zie: J. HERMANS, Zondagsviering bij afwezigheid van een priester (Oegstgeest, 1992); Nederlandse vertaling van het document aldaar op pp. 7-29; hier: pp. 15-16, nn. 18, 20 en 21
a. Viering van het Paasmysterie of onbloedige vernieuwing van het Kruisoffer ?
Soms worden de Eucharistie als viering van het Paasmysterie en het Misoffer als onbloedige vernieuwing van het offer van het kruis, tegenover elkaar gesteld. Dan gaat het echter om een valse tegenstelling en een onterecht tegen elkaar uitspelen van twee complementaire zienswij-zen.
De Liturgieconstitutie van het Tweede Vaticaans Concilie 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de heilige liturgie, Sacrosanctum Concilium (4 dec 1963), 106 zegt over de viering van de zondag: “Op die dag moeten de christenen immers samenkomen om het woord van God te aanhoren en aan de Eucharistie deel te nemen en zo het lijden, de verrijzenis en de heerlijkheid van de Heer Jezus te gedenken en dank te brengen aan God, die hen door de opstanding van Jezus Christus uit de doden, heeft verwekt tot een nieuw leven van hoop (1 Pt. 1, 3)”. Daarom moet de zondag als eerste en oudste feestdag centraal worden gesteld. Hier verwijst de Constitutie dus naar het gehele paasmysterie.
Deze benadering is niet strijdig met de andere: dezelfde Constitutie geeft aan hoezeer beide benaderingen met elkaar verbonden zijn door te stellen: “..onze Verlosser heeft het eucharistisch offer van zijn lichaam en bloed ingesteld, om daardoor het kruisoffer door de eeuwen heen te bestendigen tot aan zijn wederkomst en zo aan zijn geliefde bruid de Kerk, een gedachtenis-viering van zijn dood en verrijzenis toe te vertrouwen .... paasmaaltijd” 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de heilige liturgie, Sacrosanctum Concilium (4 dec 1963), 47.
Het is het offer van de verrezen Heer, we kunnen dit offer alleen maar met vreugde vieren als bron van ons heil omdat de Heer verrezen is. “ Als Christus niet verrezen is, is Uw geloof waardeloos en zijt gij nog in uw zonden” (1 Kor. 15, 17). Als Hij in Zijn offer tegenwoordig komt op het altaar, dan is dat tegelijk aanwezigheid van de verrezen Heer, die ons de heilige Geest geschonken heeft, want het is door de heilige Geest, zoals de Kerk belijdt in de epiclese van het Eucharistisch gebed, dat brood en wijn worden tot lichaam en bloed van Christus.
Paus Johannes Paulus II is hier in zijn encycliek op ingegaan. Hij spreekt over de Mis als offer en bevestigt de leer van het Concilie van Trente. Het gaat steeds om het éne offer van Calvarië; het offerkarakter van de Eucharistie betekent dat de Mis een gedenkende tegenwoordigstelling van Christus´verlossend Offer is H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, De Kerk leeft van de Eucharistie, Ecclesia de Eucharistia (17 apr 2003), 12. De Mis is niet slechts een gedachtenis, maar de tegenwoordigstelling van het lijden en sterven van de Heer H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, De Kerk leeft van de Eucharistie, Ecclesia de Eucharistia (17 apr 2003), 11. Daardoor is de Eucharistie een offer in de strikte zin van het woord H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, De Kerk leeft van de Eucharistie, Ecclesia de Eucharistia (17 apr 2003), 13. We vieren dit Offer echter als onderdeel van het Paasmysterie. Dat komt bijvoorbeeld tot uiting in de acclamatie van de gelovigen onmiddel-lijk na de consecratie: “Heer Jezus wij verkondigen Uw dood en wij belijden tot gij wederkeert, dat gij verrezen zijt”. Het is dit aspect dat in de encycliek H. Paus Johannes Paulus II - Encycliek
Ecclesia de Eucharistia
De Kerk leeft van de Eucharistie
(17 april 2003)
bijzonder wordt beklemtoond: “Het Eucharistisch Offer stelt niet alleen het mysterie van het lijden en dood van de Verlosser tegenwoordig maar ook het mysterie van de Verrijzenis, waarmee Zijn Offer is bekroond” H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, De Kerk leeft van de Eucharistie, Ecclesia de Eucharistia (17 apr 2003), 14. De paus verwijst hierbij naar Eucharistische begrippen uit het Johannes-evangelie waarin dat paaskarakter wordt uitgedrukt: Brood des Levens, het Levende Brood zijn uitdrukkingen die verwijzen naar de levende en verrezen Heer die in de Eucharistie aanwezig is H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, De Kerk leeft van de Eucharistie, Ecclesia de Eucharistia (17 apr 2003), 14.
Dit aspect van de Eucharistie krijgt een bijzonder accent in de encycliek: “Haar fundament en haar bron Auteur: van de Eucharistie is het hele Paastriduüm, maar dit wordt als het ware samengenomen, voorafgebeeld en “geconcentreerd” in de gave van de Eucharistie... de voortdurende tegenwoordigstelling van het paasmysterie.... geheimvolle eenheid in tijd tussen dat Triduüm en het verstrijken der eeuwen” 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de heilige liturgie, Sacrosanctum Concilium (4 dec 1963), 5. Deze gedachte verwoordt de encycliek op verschillende manieren. Het document verwijst bijvoorbeeld ook naar die andere uitdrukking van het Johannes-evangelie over “het uur” van Jezus: “Mijn uur is nog niet gekomen”, of ”nu is Mijn uur gekomen”. Dat uur is het uur van het hele paasmysterie: het lijden, sterven en verrijzen van de Heer. Het is “het uur” van Jezus dat wordt tegenwoordig gesteld in de heilige Eucharistie.
Het is dus niet te verwonderen dat de encycliek over de Eucharistie spreekt als over “het sacrament van het Paasmysterie” H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, De Kerk leeft van de Eucharistie, Ecclesia de Eucharistia (17 apr 2003), 3. Door dit te benadrukken komt ook het “propter nos”, omwille van ons, des te duidelijker naar voren: Hij heeft dit voor ons mensen gedaan. Het offer van Christus dat wij vieren, staat in de samenhang van heel het Paasmysterie, het geheim van onze verlossing. Juist in het licht van de verrijzenis en van het doopsel waardoor wij met Christus verrijzen, wordt duidelijk dat de Eucharistie dé gave bij uitstek is, zoals de encycliek stelt H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, De Kerk leeft van de Eucharistie, Ecclesia de Eucharistia (17 apr 2003), 11: hier toont de Heer Zijn liefde tot het uiterste toe. Het kan maar een gave zijn omdat Christus verrezen is. Juist de verrijzenis toont ons dat het levensoffer van de Heer vrije zelfgave is: Hij is Heer van leven en dood. Juist door Zijn verrijzenis kan Hij ons Zijn levensoffer nalaten. De nadruk op de Eucharistie als sacrament van het paasmysterie maakt de eenheid van heel dat paasmysterie duidelijk. Wat het doopsel ons eenmalig en onherhaalbaar heeft gegeven: de deelname aan het verrijzenis-leven, dat wordt telkens opnieuw gevoed en versterkt door onze deelname aan de Eucharistie. Christus heeft het offer niet gebracht dan nadat Hij ons in de gelegenheid heeft gesteld er in te delen door de Eucharistie H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, De Kerk leeft van de Eucharistie, Ecclesia de Eucharistia (17 apr 2003), 11.
De encycliek stelt dus het paaskarakter van de Eucharistie in het licht, waarin het hele Paasmysterie tegenwoordig wordt gesteld, zodat de Eucharistie de doopgenade versterkt en verdiept.
Deze gedachte was eerder aangeduid in de Apostolische Brief H. Paus Johannes Paulus II - Apostolische Brief
Dies Domini
Over de heiliging van de zondag
(31 mei 1998)
, over de viering van de zondag, die hierna nog zal worden besproken. De zondag is de dag van de Eucharistie doordat de christenen vanaf de eerste eeuwen op die dag samenkwamen voor de viering van dit grote geheim; het is als dag van de eucharistische samenkomst aangewezen door de verschijningen van de verrezen Heer aan de apostelen, die steeds op zondagen plaats vonden: op die dag brak Hij het brood voor de leerlingen van Emmaüs, die Hem daardoor herkenden als de Heer, op die dag daalde de heilige Geest neer en diezelfde dag werd de dag van de eerste doopsels. De Eucharistie is door de Heer zelf bij het laatste avondmaal ingesteld en aangewezen als dé viering van het paasmysterie en de viering ervan op de zondag, dag van de verrijzenis, van de verschijningen en de uitstorting van de heilige Geest, is derhalve onmisbaar.
b. Werkelijke tegenwoordigheid
De encycliek H. Paus Johannes Paulus II - Encycliek
Ecclesia de Eucharistia
De Kerk leeft van de Eucharistie
(17 april 2003)
legt voorts een accent op de werkelijkheid van de aanwezigheid van de Heer onder de gedaanten van Brood en Wijn (realis praesentia): niet omdat andere wijzen van aanwezigheid van de Heer niet werkelijk zouden zijn, maar omdat het hier gaat om aanwezigheid in de meest volledige en uitmuntende betekenis (“per excellentiam”): een substantieel tegenwoordigheid H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, De Kerk leeft van de Eucharistie, Ecclesia de Eucharistia (17 apr 2003), 15. “praesentia substantialis” nr. 15 wat uitgedrukt wordt in de term transsubstantiatie. Wat deze uitdrukking betekent, heeft paus Paulus VI in zijn encycliek Z. Paus Paulus VI - Encycliek
Mysterium Fidei
Over de leer en de verering van de Heilige Eucharistie
(3 september 1965)
onder woorden gebracht: dat brood en wijn er na de Consecratie niet meer zijn, zodat vanaf dat moment het Lichaam en Bloed van Jezus werkelijk aanwezig zijn onder de sacramentele gedaanten van Brood en Wijn H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, De Kerk leeft van de Eucharistie, Ecclesia de Eucharistia (17 apr 2003), 15. nr. 15 einde.
c. Band tussen Eucharistie en Kerk
Zoals de titel van het rondschrijven aangeeft: de encycliek geeft bijzondere aandacht aan de Kerkopbouwende betekenis en waarde van de Eucharistie. Het document herhaalt de reeds geciteerde conciliewoorden dat de Eucharistie bron en hoogtepunt is van alle evangelisatie: door de Eucharistie wordt de Kerk sacrament voor de mensheid. De Eucharistie versterkt en verdiept Christus´ aanwezigheid in de gelovige om verkondigers van Zijn Woord te zijn. De Eucharistie is tevens het doel van alle evangelisatie: door het ontvangen van dit sacrament worden de gelovigen volledig geïnitieerd, door hun vereniging met het Offer van de verrezen Heer brengen zij hun betrokkenheid bij het paasmysterie tot uitdrukking H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, De Kerk leeft van de Eucharistie, Ecclesia de Eucharistia (17 apr 2003), 22. De Eucharistie bevestigt de Kerk in haar eenheid: zij versterkt de inlijving in Christus die door het Doopsel heeft plaatsgevonden H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, De Kerk leeft van de Eucharistie, Ecclesia de Eucharistia (17 apr 2003), 23.
De band tussen Eucharistie en Kerk, die beiden één, heilig, katholiek en apostolisch zijn, komt tot uiting doordat de Eucharistie aan de apostelen is toevertrouwd. Zij is de hoogste verwerkelijking van het Kerk-zijn en zij wordt gevierd overeenkomstig het geloof van de apostelen. Dit gegeven onderstreept het belang van een viering van de Eucharistie volgens het geloof van de Kerk en in eenheid met haar. De Eucharistie wordt gevierd door een priester, dat wil zeggen door iemand die in de lijn van de apostolische successie staat H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, De Kerk leeft van de Eucharistie, Ecclesia de Eucharistia (17 apr 2003), 28 en in persona Christi, in de persoon van Christus kan handelen. De Encycliek geeft nogmaals aan dat dit niet slechts betekent “in naam van” of “in de plaats van Christus”, maar dat het hier gaat om een specifieke sacramentele identificatie, om sacramenteel een “alter Christus”, een “andere Christus” zijn.
d. Beleving van de Eucharistie
H. Paus Johannes Paulus II - Encycliek
Ecclesia de Eucharistia
De Kerk leeft van de Eucharistie
(17 april 2003)
onderstreept het belang van de zondagsmis H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, De Kerk leeft van de Eucharistie, Ecclesia de Eucharistia (17 apr 2003), 41. Het is een ernstige verplichting van de gelovigen om tenminste iedere zondag de Mis bij te wonen; daaraan correspondeert een verplichting van de priesters ervoor te zorgen dat dit voor iedereen mogelijk is en het haalbaar is om aan deze verplichting te voldoen H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, De Kerk leeft van de Eucharistie, Ecclesia de Eucharistia (17 apr 2003), 42.
Een goede beleving van de Eucharistie wordt bevorderd door de sacraliteit van de viering: de verhevenheid en waardigheid van het mysterie wordt tot uitdrukking gebracht door de innerlijke gesteltenis en door uiterlijke vormen: een eerbiedige viering van de liturgie, een tot devotie stemmende sacrale kunst (kerkenbouw, gewijde muziek, gewijde kunst), enzovoorts.
Van onschatbare waarde voor het leven van de Kerk noemt de Encycliek de aanbidding van het Sacrament H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, De Kerk leeft van de Eucharistie, Ecclesia de Eucharistia (17 apr 2003), 25. De aanbidding is tevens een uitdrukking van het geloof dat de werkelijke aanwezigheid van de Heer in het sacrament blijft zolang de Gedaanten van Brood en Wijn aanwezig blijven. Priesters worden door de rondzendbrief dan ook opgeroepen de aanbidding te bevorderen.
1.2. Ontwikkelingen van de huidige tijd
Paus Paulus VI sloot in zijn encycliek Z. Paus Paulus VI - Encycliek
Mysterium Fidei
Over de leer en de verering van de Heilige Eucharistie
(3 september 1965)
van 1965 aan bij enkele ontwikkelingen van die tijd, om bepaalde tendensen tegen te gaan en de leer van de Kerk ter zake te bevestigen. De woorden van paus Paulus golden in het bijzonder twee ontwikkelingen, namelijk dat men het belang van de privé-mis minimaliseerde en dat de werkelijke tegenwoordigheid zoals de Kerk die verstaat, in vraag werd gesteld.
Wat het eerste punt betreft: er werd in sommige kringen zoveel belang gehecht aan de aanwezigheid van een gemeenschap bij de viering van de Eucharistie, dat de priesters het minder belangrijk vonden om de Mis te celebreren als het niet ten overstaan van de geloofsgemeenschap was. In antwoord daarop beklemtoonde paus Paulus de ecclesiale betekenis van ieder Misoffer. Iedere Mis heeft een openbaar en sociaal karakter, had deze paus geschreven, “Want iedere Mis, ook wanneer die privé wordt gecelebreerd door een priester, is in het geheel geen privé-zaak, maar een handeling van Christus en de Kerk, die in het Offer dat zij aanbiedt, heeft geleerd zichzelf aan te bieden als universeel offer en zij past de unieke en oneindige verlossen-de kracht van het offer van het kruis toe tot heil voor de hele wereld”. Daarom bevestigde deze paus het gebruik van de Kerk dat een priester ook “privé” (zonder gelovigen) kan celebreren en dat daaruit veel genade voortvloeit voor het heil van de priester zelf en van de gelovigen van heel de Kerk, een genade die men niet verkrijgt door de Communie alleen. Z. Paus Paulus VI, Encycliek, Over de leer en de verering van de Heilige Eucharistie, Mysterium Fidei (3 sept 1965), 25
Dit punt wordt door paus Johannes Paulus II in zijn Encycliek heel kort even hernomen, waarbij hij - naast het argument van paus Paulus, dat hij even vermeldt - vooral het verband noemt met de spiritualiteit van het priesterschap: de Eucharistie is de voornaamste en centrale reden van bestaan (de raison d´être, zegt de paus) van de priester (nr. 31): zij is het middelpunt en de oorsprong van heel priesterleven (nr. 31). Niet voor niets wordt juist de opdracht van de Heer bij het Laatste Avondmaal om dit te blijven doen om Hem te gedenken, beschouwd als de instelling van het priesterschap: “Daarom kunnen we begrijpen hoe belangrijk het is voor het geestelijk leven van priesters, en meer nog voor het welzijn van de Kerk en van de wereld, dat priesters de aanbeveling van het Concilie volgen dagelijks de Eucharistie te vieren, die ook dan als de gelovigen er niet bij tegenwoordig kunnen zijn, toch een daad van Christus en Zijn Kerk is “ (31).
Het tweede aspect dat paus Paulus VI noemde als zorgelijke ontwikkeling waren bepaalde visies op de werkelijke tegenwoordigheid. Hij was met name verontrust door twee benaderin-gen van Nederlandse bodem die in de Encycliek uitdrukkelijk worden genoemd. Het betrof de voorstellen van prof. Piet Schoonenberg s.j. en prof. Edward Schillebeeckx o.p. om de term “transsubstantiatie”, die gelieerd zou zijn aan Grieks-Hellenistisch denken te vervangen door de begrippen “transfinalisatie”, verandering van doel, of “transsignificatie”, verandering van betekenis. Het is hier niet de plaats om in te gaan op de filosofische achtergronden van deze voorstellen, die te maken hebben met wat kort kan worden samengevat als dissociatie van perceptie en beleving van de werkelijkheid enerzijds en de waarheid en het zijn zelf anderzijds. Deze benaderingen hadden ook hun invloed op de aanbidding van de Eucharistische Heer buiten de Mis, omdat die min of meer met zich mee brachten dat de werkelijke aanwezigheid er niet meer zou zijn na de viering van de Mis. Zij leidden tot een louter symbolische opvatting van de realis praesentia.45 Het is met name op deze opvattingen dat paus Paulus uitgebreid inging in zijn encycliek. Paus Johannes Paulus vermeldt deze discussie niet uitdrukkelijk meer, maar verwijst wel naar de antwoorden die paus Paulus had gegeven. In nr. 15 van de encycliek herhaalt Johannes Paulus II de kern van de uitspraken van paus Paulus en van het concilie van Trente hierover en bevestigt de term “transsubstantiatie”: “De Consecratie van het brood en de wijn veroorzaakt de verandering van de gehele substantie van het brood in de substantie van het Lichaam van Christus en de gehele substantie van de wijn in de substantie van Zijn Bloed. En de heilige Katholieke Kerk heeft deze verandering passend en terecht transsubstantiatie genoemd” (nr. 15).

Uitgebreider gaat paus Johannes Paulus II in op een andere discussie die sinds het verschijnen van de Encycliek van paus Paulus heeft plaats gevonden en die betrekking heeft op de manier waarop het apostolisch ambt wordt doorgegeven. In feite gaat het hier om een punt dat vooral door prof. Schillebeeckx is ingebracht en waarop de Congregatie voor de geloofsleer al eerder heeft gereageerd in de brief Sacerdotium ministeriale van 1983.46 Schillebeeckx had onder meer in zijn boek Kerkelijk ambt, voorgangers in de gemeente van Jezus Christus geschreven: “Dat de kerkgemeente zelf een priesterlijk godsvolk is, had vooral in de pre-Niceense kerk een fundamentele betekenis, al betrof de priesterlijke naamgeving niet de individuele christen, maar de christelijke gemeente als collectiviteit. Op grond hiervan koos echter in uitzonderlijke omstandigheden de gemeente zelf ad hoc haar voorganger”.47 De aanvaarding van een voor-ganger door de gemeente is volgens hem het beslissende element. Op dezelfde pagina schrijft Schillebeeckx echter dat er slechts één getuigenis is dat in noodgevallen een leek mag voorgaan en dat komt van Tertullianus die tot ketterij was vervallen en Montanist geworden was. Ook vermeldt hij hoe Augustinus deze opvatting ten zeerste afwees. Historische argumenten van Schillebeeckx die moesten onderbouwen dat de priester zijn ambt ontleent aan de geloofsge-meenschap, zijn al van verschillende kanten aangevochten. Voorts worden uit sommige feiten conclusies getrokken die door de premissen niet gerechtvaardigd zijn en ook niet te verenigen met andere feiten. Het werk van Schillebeeckx was dan ook bedoeld als een steun voor “alternatieve of parallelle visies en praktijken in verband met het ambt in de Kerk”, zoals hij in een Ten geleide schrijft.48 In de brief van de Congregatie voor de Geloofsleer wordt de opvatting afgewezen dat een gemeenschap die zich in de naam van Christus verenigt en door het doopsel deel heeft gekregen aan het priesterschap van Christus, de macht heeft bedienaren van de Eucharistie aan te stellen.49 Schillebeeckx kaart nog andere punten aan, zoals het verschil tussen Bisschop en priester dat er volgens hem in de eerste eeuwen wel was, maar zonder sacramentele basis: veelal vond er geen nieuwe handoplegging plaats als een priester tot bisschop werd gekozen, meent hij af te kunnen leiden uit het feit dat in bepaalde liturgische ordeningen alleen gebeden, maar geen handoplegging of andere liturgische houdingen of gebaren worden genoemd. Ook dit punt is nogal betwistbaar, maar in ieder geval is ook weer te bedenken dat de sacramenten door Christus zijn ingesteld en aan de Kerk toevertrouwd en dat de Kerk dus binnen de instelling door Christus de sacramenten kan ordenen en kan vast stellen wat voor een geldige toediening van een sacrament vereist is, zoals in feite ook is gebeurd: niet alles wat voor de geldigheid is vereist, is door Christus zelf ingesteld. Zo heeft de Kerk ook de macht om binnen wat Christus heeft ingesteld het Apostolisch ambt, dat door de Bisschoppen, priesters en diakens wordt voortgezet, gestalte te geven. In ieder geval staat vast dat het tweede Vaticaans concilie in de dogmatische Constitutie Lumen gentium heeft bepaald dat de Bisschopswijding sacramenteel is en dat de volheid van het wijdingssacrament door deze wijding wordt ontvangen.
De encycliek Ecclesia de Eucharistia gaat dus in op theorieën die een ontkenning van het gewijde priesterschap en apostolische successie inhouden: niet de gemeenschap kan zich een bedienaar geven, daarvoor is apostolische successie nodig (29). Essentieel is de apostolische successie van bedienaren die door geldig gewijde bisschoppen zijn gewijd en zo de historische lijn bewaren naar het ambt dat de apostelen hebben toevertrouwd gekregen van de Heer zelf. De priester is het die krachtens het sacrament van de priesterwijding de Consecratie tot stand brengt (nr. 5).

De Encycliek noemt verschillende positieve ontwikkelingen van de huidige tijd: de liturgische vernieuwing heeft bijgedragen tot een bewustere, actieve en vruchtbaardere deelname aan het heilig Offer; aanbidding en sacramentsprocessies hebben ruim plaats gekregen (nr. 10); daarnaast worden de schaduwzijden vermeld: aanbidding is op sommige plaatsen verdwenen, er zijn allerlei misbruiken in de liturgie aan te wijzen en onjuiste, geseculariseerde opvattingen over de Eucharistie: soms wordt die als een vriendenmaal gezien of louter als een verkondiging van heil in de zin van een aanzegging van dit heil en niet als heilsgave in zichzelf; het docu-ment signaleert de reeds besproken ontkenning van het gewijde priesterschap en de apostoli-sche successie en bepaalde oecumenische initiatieven die niet in overeenstemming zijn met het katholieke geloof.

Wat betreft de oecumene (nr. 30) zegt Johannes Paulus II dankbaar te zijn voor de vooruitgang op dit terrein en de toenadering die is gegroeid, maar dat we tegelijk moeten constateren dat de volle eenheid helaas ontbreekt bij met name de kerkelijke gemeenschappen, waar wezenlijke elementen van het Kerk-zijn ontbreken, zoals de apostolische successie, met name geldig gewijde Bisschoppen, en de Eucharistie. In respect voor deze feitelijke situatie vraagt de paus daarom aan de katholieke gelovigen niet deel te nemen aan brood en beker in een protestantse Avondmaalsviering en niet te communiceren in gemeenschappen waar geen geldig wijdingssa-crament is (nr. 30 en 46). De Encycliek acht het niet aanvaardbaar de zondagsmis te vervangen door een oecumenische viering of door een deelname aan de niet-katholieke viering. Hierbij speelt de centrale betekenis van de Eucharistie als viering van het paasmysterie en als hoogste uitdrukking van het Kerk-zijn natuurlijk een belangrijke rol. De viering van de Eucharistie is geen uitgangspunt voor het totstandkomen van gemeenschap: de gemeenschap bestaat en zij wordt door de Eucharistie tot volmaaktheid gebracht. De Eucharistie is uitdrukking van de gemeenschapsband, zowel verticaal - met de Heer - als horizontaal - met de universele Kerk- en de gezamenlijke viering kan dan ook alleen in volledige comunio plaats vinden (nr. 35). De Eucharistie is de hoogste sacramentele uiting van Kerk-zijn en daarom moeten de uitwendige banden van gemeenschap - de drie “vincula” die in Lumen gentium 14 worden vermeld: de ene geloofsbelijdenis, de sacramenten en het kerkelijk bestuur - intact zijn (nr. 38). In de Eucharistie bidden we om die eenheid waarvan de Eucharistie de uitdrukking is (nr. 43). Samen Eucharistie vieren kan dus alleen wanneer de drie vincula (banden) aanwezig zijn (nr. 44). De Encycliek beklemtoont derhalve dat de Eucharistie alleen gevierd kan worden binnen een context van volledige communio (nr. 38 en 44). De ernst van dit vereiste is onder de aandacht gebracht en onderstreept door de behandeling van een delict dat deze voorwaarden schendt en de Eucharistie viert buiten deze volledige communio, voor te behouden aan de Congregatie voor de Geloofsleer.50 Bij de toelating van niet-katholieke christenen, die in uitzonderingsge-vallen mogelijk is overeenkomstig het canoniek recht (vgl. c. 844), moeten de voorwaarden die daar worden aangegeven, in acht worden genomen, onder welke het geloof in dat sacrament fundamenteel is. De Encycliek maakt dauidelijk dat niet alleen het geloof in de verandering van Brood en Wijn in het Lichaam en Bloed van Christus noodzakelijk is, maar ook onder meer het geloof in de noodzaak van een geldig gewijde bedienaar die in de apostolische successie staat (nr. 46). De leden van de Oosterse Kerken die er uit eigen beweging om vragen en goed zijn voorbereid, kunnen worden toegelaten tot de heilige Communie, andere christenen worden slechts toegelaten in stervensgevaar of bij ernstige en dringende noodzaak, wanneer zij goed zijn voorbereid en het katholieke geloof in dit sacrament belijden (nr. 45; c. 844 §§ 3 en 4). In geen enkel geval mag men de heilige communie uitreiken aan iemand die niet gedoopt is of de volle waarheid aangaande het Eucharistisch mysterie verwerpt (nr. 38). Kern-voorwaarde is dus dat niet-katholiekechristenen het katholieke geloof moeten delen in het sacrament om te kunnen deelnemen en dat zij de waarheid moeten kunnen aanvaarden dat de bediening van dit sacrament zonder gewijd priesterschap niet geldig kan zijn. In deze voorwaarde kan niet gedispenseerd worden (nr. 46).
Iedere Eucharistieviering is viering van de Kerk en niet alleen van de plaatselijke gemeenschap. Binnen de particuliere Kerk is de Bisschop het zichtbare beginsel van eenheid en de viering van de Eucharistie mag dus niet plaatsvinden zonder waarachtige eenheid met de Bisschop. Één van de minder gunstige ontwikkelingen van de laatste decennia die de Encycliek signaleert, is de individualisering van de liturgie, waardoor het Ecclesiale karakter vervaagt. Zo wijst het document op misbruiken in de liturgie die regelmatig voorkomen en worden aangeduid als: “een uit de hand gelopen gevoel van creativiteit en aanpassing” (nr. 52). De paus wijst er in dat verband op dat de liturgie nooit privé-bezit is en roept op tot een trouwe nmaleving van de liturgische normen. Vragen rond de toelating tot de communie zijn in de laatste periode ook gerezen wat de verticale communio betreft: wie zich van ernstige zonde bewust is, dient eerst te biechten alvorens aan het sacrament deel te nemen (nr. 36). Natuurlijk ligt het oordeel hierover bij God en het eigen geweten (nr. 37). Er zijn echter ook bepaalde voortdurende publieke situaties, zoals een levensstaat die niet met de christelijke roeping overeenkomt. Hierover zegt Johannes Paulus II in navolging van eerdere documenten: “In gevallen van publiek gedrag dat ernstig, duidelijk en voortdurend in strijd is met de morele norm” raakt het de gemeenschap en mogen degenen die dit gedrag vertonen, niet tot de sacramenten worden toegelaten (nr. 37).
Een volgend met de Eucharistie samenhangende ontwikkeling van de huidige tijd is het gebrek aan priesters, dat in veel landen is ontstaan (nr. 32). Natuurlijk is dit een ontwikkeling die samenhangt met secularisatie en afnemende betrokkenheid van gelovigen. De paus roept er allereerst toe op roepingen te bevorderen (nr. 31). Over de plaatsen en gemeenschappen waar dit priestergebrek voelbaar is, merkt hij op: “Als een gemeenschap geen priester heeft, worden er terecht pogingen gedaan de situatie op de een of andere wijze te redden, zodat er toch zondagsvieringen kunnen zijn (...). Maar zulke oplossingen moeten als volstrekt tijdelijk worden beschouwd, terwijl de gemeenschap een priester verwacht” (nr. 32). De Encycliek verwijst hierbij impliciet naar het gebruik in bepaalde landen om een niet-Eucharistische zondagsviering te kwalificeren als viering “in afwachting van een priester”. De Encycliek beveelt in dit kader aan de honger naar de Eucharistie te blijven wekken en roepingen te bevorderen. Dit verlangen naar de Eucharistie moet men ook cultiveren door het gebruik van de zogenaamde “geestelijke communie” (nr. 34). Maar dit alles neemt niet weg dat het nodig is zo mogelijk een priester te vragen de heilige Eucharistie te vieren, ook als die priester niet aan de plaatselijke gemeenschap verbonden is. De viering van de Eucharistie staat altijd in het groter kader van de particuliere en universele Kerk en overstijgt de lokale kerk. Voor de viering van de Eucharistie mag gebruik worden gemaakt van iedere priester “aan wie door het kerkelijk recht het vieren van de Mis niet is ontzegd” (nr. 33). Aan een priester wordt de bevoegdheid om te celebreren ontzegd door een kerkelijke straf en bij verlies van de clericale staat, alsmede na wegzending uit een religieus instituut of sociëteit van apostolisch leven (vgl. cc. 290 en 292; 701 en 1331-1335).51

Een speciaal woord wijdt de Encycliek aan een ander kenmerk van de post-conciliaire liturgie: de inculturatie. Het belang daarvan wordt in het document opnieuw onderstreept, tegelijk echter wordt gewaarschuwd dat de inculturatie moet plaatsvinden in eenheid met de universele Kerk en als uitdrukking van het ene geloof in de heilige Eucharistie (nr. 51).

1.3. Maria en de Eucharistie
De paus wijdt het laatste gedeelte van de Encycliek aan Maria als “Vrouwe van de Eucharistie”.
Maria kan ons tot het Allerheiligst Sacrament leiden omdat zij er zelf een diepe relatie mee heeft gehad, stelt het document (nr. 53). De basis voor deze relatie is gelegd door de ontvanke-lijke geloofshouding van Maria (nr. 54). Maria ontving Gods Zoon door de heilige Geest in haar schoot; de heilige Eucharistie waarin Jezus Christus onder de gedaanten van Brood en Wijn tegenwoordig komt, ligt daarmee in het verlengde van de Menswording. De Encycliek vergelijkt in dit verband het “Fiat” van Maria, die zich met dit woord bereid verklaart haar Zoon te ontvangen met het “Amen” dat de gelovige uitspreekt voordat die het Lichaam van Christus ontvangt.
De evangelietekst van Lucas maakt door verschillende verwijzingen duidelijk dat Maria bij haar bezoek aan Elizabeth is als de ark van het verbond waarop de tegenwoordigheid van de Heer rust.52 Het is dan ook niet vreemd dat Maria die haar Zoon met zich mee draagt, gezien wordt als tabernakel waarin de Heer werkelijke tegenwoordig is. Daarnaast wijst de Encycliek op de verbondenheid van de Moeder van de Heer met het Offer van haar Zoon, dat in de Eucharistie wordt vernieuwd en tegenwoordig gesteld. Deze nauwe band komt in het evangelie naar voren zowel bij de opdracht van het Kind Jezus in de tempel (Lc. 2, 22-40) als op Golgotha waar Maria zich onder het kruis bevindt en zij de beminde leerling - alle leerlingen - als haar geestelijke zoon krijgt toevertrouwd (Jo. 19, 26). De paus spreekt in dit verband over de geestelijke communie van Maria en vraagt zich tevens af wat het voor Maria moet hebben betekend de heilige Communie te ontvangen in de gemeenschap van de jonge Kerk: opnieuw ontving de moeder van de Heer Zijn Lichaam in haar schoot.... Voor de gelovige betekent het vieren en ontvangen van de heilige Eucharistie dan ook dat hij Maria opnieuw als zijn moeder ontvangt.
Tenslotte wijst de Encycliek op de lofprijzing en dankzegging door Maria in het Magnificat waarbij zij Gods heilsdaden in herinnering roept. Het is juist dit wat de geloofsgemeenschap doet als zij de Eucharistie - dat is: dankzegging - viert.


Zie ook:

RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2018, Stg. InterKerk, Schiedam