• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

Martelaren

Christelijk martelaarschap heeft zijn oorsprong niet in de eigen wil, maar in de overgave aan Gods wil. Het is een roeping van God waaraan een gelovige uitgenodigd wordt te beantwoorden. De christelijke martelaar cijfert zichzelf weg en ontvangt uit Gods hand zijn lot. Het blijft een lot, ook al mag ieder die zijn leven aan God ter beschikking stelt, hopen op het hemelse loon.

{Dossier nog in ontwikkeling}


Laatste wijziging: 23 april 2017

Teksten

Begripsomschrijving van een martelaar

Het woord martelaar is afgeleid van het Griekse woord 'martus', dat 'getuige' betekent. De bereidheid om trouw te zijn tot in de dood, getuigt ervan dat het geloof de waarheid is waarvoor een mens zelfs zijn leven veil kan hebben. In deze zin is Jezus Christus in zijn trouw tot op het kruis aan de zending waarmee de Vader Hem naar de wereld zond, de eerste getuige en het oertype van het christelijke martelaarschap.

De prefatie van de martelaren in het Romeinse Altaarmissaal wijst op enkele aspecten van het martelaarschap: navolging van Christus, belijdenis van Christus' naam tot in de dood en het bloed van de martelaar dat Gods grote daden verkondigt. De marteldood lijkt de zwakheid van het lichaam te tonen. In deze zwakheid echter komt Gods kracht tot ontplooiing. Het voorbeeld van de martelaren sterkt de zwakheid van de gelovigen, om ook zelf in staat te zijn, getuigenis af te leggen van het geloof! Altaarmissaal voor de Nederlandse Kerkprovincie (1979) 664 In het getuigenis van de martelaar werkt Gods genade. Hij stelt de gelovige in staat zijn roeping te vervullen. Het voorbeeld van de martelaar spoort zijn medegelovigen aan ook zelf trouw te zijn aan God, geloof en kerk. De martelaren zijn tenslotte voorsprekers voor de kerk op aarde die op weg is naar haar voltooiing in het hemels Vaderhuis. In zijn eerste encycliek Paus Benedictus XVI - Encycliek
Deus Caritas Est
God is Liefde
(25 december 2005)
, merkt paus Benedictus XVI op: "Tot het leven van de heiligen hoort niet alleen hun aardse biografie, maar ook hun leven en werken van God uit na hun dood. In de heiligen wordt het zichtbaar: wie naar God gaat, gaat niet weg van de mensen, maar is hun juist nu pas werkelijk nabij" Paus Benedictus XVI, Encycliek, God is Liefde, Deus Caritas Est (25 dec 2005), 42

Het woord martelaar duikt in de media vaak op in het kader van extremistische aanslagen. Zelfmoordenaars plannen hun dood en proberen zoveel mogelijk mensen mee te slepen in hun ondergang. Het is een manier om anderen bang te maken, aandacht te trekken, macht te verwerven of politieke druk uit te oefenen. Het woord martelaar roept daarom bij velen gevoelens op van angst, verzet en weerzin. Het christelijke martelaarschap kent geen raakpunten met extremistische zelfmoordenaars. Streven dezen ernaar dood en verderf te zaaien, de christelijke martelaar zoekt niet zijn dood of die van medemensen. De christelijke martelaar is een gelovige die trouw wil zijn aan geloof en moraal. Hij is bereid als een uiterste consequentie, als het niet anders kan, ook zijn leven hiervoor te geven. Hier gaan geloof en kerk boven het eigen leven in een onzelfzuchtige dienst aan God of aan de naaste.

Christelijk martelaarschap heeft zijn oorsprong niet in de eigen wil, maar in de overgave aan Gods wil. Het is een roeping van God waaraan een gelovige uitgenodigd wordt te beantwoorden. De christelijke martelaar cijfert zichzelf weg en ontvangt uit Gods hand zijn lot. Het blijft een lot, ook al mag ieder die zijn leven aan God ter beschikking stelt, hopen op het hemelse loon.

Het christelijke martelaarsbegrip is veelvormig. Het kan gaan om mannen, vrouwen en kinderen. Toch zijn er enkele kenmerken die vaak terugkomen. Een martelaar sterft altijd omwille van het geloof of de beleving ervan in de christelijke moraal. Vaak moet een martelaar een keuze maken tussen God en een aardse macht of een binnenwerelds doel, tussen de Schepper en een schepsel. Hij wordt vaak vervolgd, geïsoleerd van anderen, belachelijk gemaakt, vernederd, geslagen, gemarteld of tot dwangarbeid gedwongen, totdat de krachten van het lichaam bezwijken. Een martelaar zoekt niet het lijden. Wel aanvaardt hij het lijden als uiterste consequentie van de trouw aan God, het geloof en de Kerk.

De Catechismus-Compendium
Catechismus van de Katholieke Kerk
(15 augustus 1997)
omschrijft het martelaarschap als "het verhevenste getuigenis dat men van de waarheid van het geloof kan geven; het betekent een getuigenis dat reikt tot in de dood. De martelaar getuigt voor Christus, gestorven en verrezen, met wie hij door de liefde verbonden is. Hij getuigt van de waarheid van het christelijk geloof en de christelijke leer. Hij trotseert de dood in een houding van sterkte" Catechismus-Compendium, Catechismus van de Katholieke Kerk (15 aug 1997), 2473. De Catechismus-Compendium
Catechismus van de Katholieke Kerk
(15 augustus 1997)
citeert dan de beroemde woorden van de heilige martelaar Ignatius van Antiochië (± 110) die de moed had aan de Romeinen te schrijven: "Laat me voedsel worden voor de wilde dieren. Door hen zal het mij gegeven zijn bij God te komen"! H. Ignatius van Antiochië, Brief aan de Romeinen, Epistula ad Romanos. 4,1 Ignatius schrijft bovendien: "De bekoorlijkheden van de aarde en de koninkrijken van de wereld zullen me niets baten. Voor mij is het beter te sterven met Christus (om me met Hem te verenigen) dan om te heersen tot de uiteinden der wereld. Hem zoek ik, die voor ons gestorven is; naar Hem verlang ik, die voor ons is opgewekt uit de doden. Mijn wedergeboorte is nabij". H. Ignatius van Antiochië, Brief aan de Romeinen, Epistula ad Romanos. 6,1-2

De heilige Paulus schrijft aan Timoteüs: "Schaam u dus niet van onze Heer te getuigen" (2 Tim 1, 8). De Catechismus-Compendium
Catechismus van de Katholieke Kerk
(15 augustus 1997)
legt uit: "Het martelaarschap is het hoogste getuigenis dat men kan afleggen van de waarheid van het geloof" Catechismus-Compendium, Catechismus van de Katholieke Kerk (15 aug 1997), 2506.

Het Tweede Vaticaanse Concilie (1962-1965) wijst er eveneens op dat het martelaarschap de hoogste vorm is van navolging van Christus. "De Kerk beschouwt de marteldood als een zeer verheven gave en de hoogste daad van liefde: daardoor immers wordt de leerling gelijk aan de Meester, die voor het heil van de wereld de dood vrij aanvaardde, en volgt hij Hem na in het vergieten van zijn bloed. Dit wordt aan weinigen gegeven, maar allen moeten bereid zijn om Christus tegenover de mensen te belijden en Hem onder de vervolging, die de Kerk nooit bespaard zal worden, op zijn kruisweg te begeleiden" 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 42.

De martelaren zijn niet alleen de aardse helden in de Kerk. Zij zijn voorbeelden en voorsprekers voor de pelgrimerende en lijdende kerk op haar weg door de woestijn van het leven naar de vervulling in het beloofde land, het eeuwig leven. "Altijd heeft de Kerk aangenomen, dat de apostelen en de martelaren van Christus, die door het vergieten van hun bloed het hoogste getuigenis van geloof en liefde hebben gegeven, in Christus nauwer met ons verbonden zijn. Zij heeft hen, naast de zalige maagd Maria en de heilige engelen, met bijzondere aanhankelijkheid vereerd en de hulp van hun voorspraak met aandrang afgesmeekt. ( ... ) De heiligen brengen ons God meer nabij. De mens is naar Gods beeld geschapen. In de heiligen wordt dit evenbeeld-zijn van God duidelijker omdat het minder door zonde verduisterd wordt en daardoor helderder zichtbaar wordt" 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 50.

In zijn Encycliek H. Paus Johannes Paulus II - Encycliek
Veritatis Splendor
Over kerkelijke moraalleer
(6 augustus 1993)
(1993) wijst Paus Johannes Paulus Il op de samenhang van geloof en moraal enerzijds en martelaarschap anderzijds, wanneer hij schrijft:

"De liefde tot God en de naastenliefde zijn niet te scheiden van het onderhouden van de geboden van het Verbond, dat in het Bloed van Jezus Christus en in de gave van de Geest vernieuwd werd. Het strekt de Christenen tot eer, God meer te gehoorzamen dan de mensen Vgl. Hand. 4, 19 Vgl. Hand. 5, 29 en daarvoor ook het martelaarschap op zich te nemen, zoals de heilige mannen en vrouwen van het Oude en Nieuwe Testament het gedaan hebben; ze werden heilig verklaard omdat ze liever hun leven gaven dan deze of gene handeling te verrichten die tegen het geloof of de deugd inging?".

"De waarheid maakt vrij ten opzichte van de macht en verleent de kracht tot het martelaarschap" H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, Over kerkelijke moraalleer, Veritatis Splendor (6 aug 1993), 87.

Uiteindelijk is het martelaarschap ook "een lichtend teken van de heiligheid van de Kerk. ( ... ) De martelaren en, in bredere zin, alle heiligen van de Kerk verspreiden licht door het welsprekende en fascinerende voorbeeld van een geheel door de luister van de zedelijke waarheid omgevormd leven van elk tijdperk uit de geschiedenis, door het zedelijke gevoel nieuw leven in te blazen. Door hun uitmuntende getuigenis van het goede zullen ze een levend verwijt worden aan al degenen die de wet overschrijden Vgl. Wijsh. 2, 12 en laten ze ook in deze, onze tijd de woorden van de profeet nieuw opklinken: 'Wee jullie, die het slechte goed en het goede slecht noemt, die de duisternis tot licht en het licht tot duisternis maakt, die het bittere zoet en het zoete bitter maakt' (Jes. 5, 20).

Als het martelaarschap het hoogtepunt van het christelijke getuigenis is voor de zedelijke waarheid, waartoe slechts vergelijkenderwijze weinigen geroepen worden, dan is er toch nog een coherent getuigenis, dat alle christenen dagelijks bereid zouden moeten zijn te geven, ook ten koste van lijden en zware offers. Inderdaad is de Christen gezien de veelvuldige moeilijkheden, die de trouw aan de absoluutheid van de zedelijke orde ook onder normale omstandigheden kan verlangen, met het smeken om goddelijke genade in het gebed tot af en toe heroïsche inspanningen opgeroepen, waarbij hem de deugd van heldhaftigheid zal steunen, met welke hulp hij - zoals de heilige Gregorius de Grote leert - zelfs 'de moeilijkheden van de wereld met het oog op de eeuwige beloning lief kan hebben' H. Paus Gregorius de Grote, Moreel commentaar op (het boek) Job, Moralia in Job. VII, 21,24: PL 75. 778" H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, Over kerkelijke moraalleer, Veritatis Splendor (6 aug 1993), 93. Het martelaarschap heeft een plaats in de harmonie tussen vrijheid en waarheid. Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, Over kerkelijke moraalleer, Veritatis Splendor (6 aug 1993), 102 Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Apostolische Brief, Bul ter afkondiging van het Grote Jubileumjaar 2000, Incarnationis mysterium (30 nov 1998). Het martelaarschap komt in pauselijke documenten rond de eeuwwisseling meermaals ter sprake zoals in deze bul ter afkondiging van het grote jubileum van het jaar 2000

Ook in de postsynodale apostolische exhortatie "H. Paus Johannes Paulus II - Postsynodale Apostolische Exhortatie
Ecclesia in Europa
Jezus Christus, levend in Zijn Kerk, bron van hoop voor Europa (28 juni 2003)
" schrijft Paus Johannes Paulus II over het martelaarschap. Hij noemt het hier "de hoogste incarnatie van het Evangelie van de hoop" en legt uit: "De martelaren verkondigen immers dit Evangelie en getuigen met hun bloed dat ze niet kunnen leven zonder Christus, en dat ze bereid zijn voor Hem te sterven. Want ze zijn ervan overtuigd dat Jezus de Heer is en de Heiland van de mensen en dat de mens dus alleen in Hem de volheid vinden kan van het leven. Op die wijze tonen zij zich, naar de vermaning van de apostel Petrus, bereid om rekenschap af te leggen van de hoop die in hen leeft Vgl. 1 Pt. 3, 15 ." H. Paus Johannes Paulus II, Postsynodale Apostolische Exhortatie, Jezus Christus, levend in Zijn Kerk, bron van hoop voor Europa, Ecclesia in Europa (28 juni 2003), 13.

Dit boek van de Nederlandse bloedgetuigen van de twintigste eeuw toont het geleefde geloof van de kerk van het verleden en is tegelijk een boodschap aan de kerk in heden en toekomst. De Italiaanse canonist Prosper Lambertini (1675-1758), de latere Paus Benedictus XIV (1740-1758), stelde in zijn werk over de zalig- en heiligverklaringen drie criteria op Lambertini, P., Opus de servorum Dei beatificatione et beatorum canonizatione, I-III, Prato 1839-1841. Wil een kandidaat voor een zalig- of heiligverklaring als martelaar in aanmerking komen, dan moet aan de drie volgende criteria tegelijk zijn voldaan:

    1. Er moet sprake zijn van een gewelddadige dood (martyrium materialiter),
    2. Er moet sprake zijn van haat tegen geloof of Kerk bij de vervolgers (martyrium formaliter ex parte tyranni),
    3. 3. Bij degene die belaagd wordt, moet er sprake zijn van overgave aan Gods wil ondanks het levensgevaar waarin hij verkeert (martyrium ex parte victimae).

Hoewel de Kerk aan deze drie criteria vasthoudt, heeft zij deze in de loop van de twintigste eeuw ook aangepast aan de veelvormige wijze waarop gelovigen zijn vervolgd, gemarteld en vermoord. Zo werden velen zalig- of heilig verklaard, die vanuit een katholieke mensvisie in verzet kwamen tegen nazidom of andere vormen van heidendom. Ook gelovigen die als gevolg van ontberingen stierven in concentratiekampen werden zalig- of heilig verklaard. Paus Paulus VI gaf op 19 maart 1969 het motu proprio Z. Paus Paulus VI - Motu Proprio
Sanctitas clarior
Over de zalig- en heiligverklaringsprocessen (19 maart 1969)
. Paus Johannes Paulus II veranderde de procedure voor de canonisatie door middel van zijn constitutie H. Paus Johannes Paulus II - Apostolische Constitutie
Divinus Perfectionis Magister
Normen voor zalig- en heiligverklaringsprocessen
(25 januari 1983)
van 25 januari 1983.

Paus Benedictus XVI wijst in een brief van 24 april 2006 aan kardinaal José Saraiva Martins van de Congregatie voor de Zalig- en Heiligverklaringen op de veranderde omstandigheden in de culturele context waarin het martelaarschap in onze tijd kan plaats hebben. De Paus schrijft onder meer, dat de vervolger van de Kerk steeds meer probeert zijn ware antikerkelijke motivaties te verbergen. Voor het vermoorden van gelovigen wendt hij andere redenen voor, die bijvoorbeeld van politieke of maatschappelijke aard kunnen zijn. Het komt in toenemende mate voor, dat het martelaarschap "geprofaniseerd" (uit de context van het geloof gehaald) wordt in het kader van politieke of maatschappelijke verhoudingen. Het geloofsgetuigenis wordt bestreden onder het mom van politieke- of maatschappelijke onaangepastheid. De Paus zegt letterlijk: "Het is zeker noodzakelijk om onomstreden bewijzen te vinden voor de bereidheid tot het martelaarschap of tot het vergieten van zijn bloed. Dat geldt ook voor het feit dat het slachtoffer bereidwillig moet blijken zijn lot te aanvaarden. Maar het is even noodzakelijk, dat het 'odium Fidei' (haat tegen het geloof van de zijde van de belager) steeds op een moreel zekere wijze, direct of indirect, aanwijsbaar moet zijn. Zonder dit element is er naar de constante theologische en juridische leer van de Kerk geen sprake van een echt martelaarschap'?"

{...}

Sprekend over de martelaren die omkwamen als gevolg van de terreur van Hitler en Stalin sprak Paus Johannes Paulus II in een preek in het Poolse Bydgoszcz (Bromberg) op 7 juni 1999 woorden, {...}: "Voor ons zijn zij een voorbeeld, dat wij moeten volgen. Uit hun bloed moeten wij kracht putten voor het offer van ons leven, dat wij God dagelijks moeten brengen. Zij zijn ons voorbeeld, opdat wij - zoals zij - moedig getuigenis kunnen afleggen van onze trouw aan het kruis van Christus'?". H. Paus Johannes Paulus II, Homilie, Tijdens de H. Mis in Bydgoszcz, Polen (7 juni 1999)

dr. P. Hamans, eindredacteur

Uit: Getuigen voor Christus, Rooms-katholieke bloedgetuigen uit Nederland in de twintigste eeuw (Uitgave: Beleidssector Liturgie van de Nederlandse Bisschoppenconferentie, 2008)



Zie ook:

Referenties naar dit dossier

 
Geen documenten gevonden!
 
Geen berichten gevonden!
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2017, Stg. InterKerk, Schiedam