• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
Om deel te nemen aan dat ‘zien’ is het nogmaals nodig de waarheid over de menselijke persoon te verdiepen welke het Tweede Vaticaans Concilie in herinnering gebracht heeft. De mens – zowel de man als de vrouw – is het enige wezen in de wereld dat om zichzelf door God is gewild; hij is een persoon, een subject dat over zichzelf beschikt. Tegelijk kan de mens "zichzelf alleen volledig vinden in de oprechte gave van zichzelf." 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 24 Er is reeds gezegd dat deze beschrijving, in zekere zin zelfs definitie, van de persoon, overeenstemt met de fundamentele Bijbelse waarheid over de schepping van de mens – man en vrouw – naar het beeld en de gelijkenis van God.
Zij is geen zuiver theoretische interpretatie of abstracte definitie, want zij geeft op essentiële wijze de zin van het mens-zijn aan door de waarde van de gave van zichzelf, van de persoon te doen uitkomen. In deze visie van de persoon is ook het wezen vervat van het ‘ethos’ dat verbonden is met de leer van de schepping en dat volledig ontwikkeld zal worden door de boeken van de openbaring, in het bijzonder door de Evangelies.
Deze waarheid over de persoon opent bovendien de weg naar een volledig begrip van het moederschap van de vrouw. Het moederschap is vrucht van de huwelijksgemeenschap van een man en een vrouw; van dat Bijbelse ‘zich bekennen’ dat overeenkomt met het "de twee worden één vlees" Vgl. Gen. 2, 24 en op deze wijze realiseert het – van de kant van de vrouw – een speciale "gave van zichzelf" als uitdrukking van huwelijksliefde, waarin de echtgenoten zich zo nauw met elkaar verenigen dat zij "één vlees" worden. Het Bijbelse ‘zich tot elkaar bekennen’ wordt alleen dan in overeenstemming met de waarheid van de persoon werkelijkheid, wanneer de wederzijdse overgave van zichzelf niet misvormd wordt doordat de man begeert ‘baas’ over zijn vrouw te worden "Hij zal over u heersten" noch doordat de vrouw zich opsluit in haar eigen instinctieve aanleg "Naar uw man zal uw begeerte uitgaan" (Gen. 3, 16).
De wederkerige gave van de personen in het huwelijk opent zich voor de gave van een nieuw leven, van een nieuwe mens, die ook persoon is naar de gelijkenis van zijn ouders. Het moederschap sluit van het begin af een speciale openheid in voor de nieuwe persoon en dit is juist het ‘deel’ van de vrouw. In deze openheid, in het ontvangen en ter wereld brengen van het kind, ‘vindt’ de vrouw "zichzelf in de oprechte gave van zichzelf". De gave van de innerlijke bereiding om het kind te ontvangen en ter wereld te brengen is verbonden met de huwelijksgemeenschap die – zoals gezegd – een bijzonder moment zou moeten vormen van de wederzijdse gave van zichzelf van de vrouw en de man. De ontvangenis en de geboorte van de nieuwe mens gaan volgens de Bijbel vergezeld van de volgende woorden van de vrouw-moeder: "Door Jahwe’s gunst heb ik een mannelijk kind voortgebracht" (Gen. 4, 1). De uitroep van Eva, "moeder van alle levenden", herhaalt zich iedere keer dat een nieuwe mens ter wereld komt en drukt de vreugde van het bewustzijn van de vrouw uit deel te nemen aan het grote mysterie van het eeuwige voortbrengen. De echtgenoten delen in Gods scheppingsmacht! Het moederschap van de vrouw in de periode tussen de ontvangenis en de geboorte van het kind is een bio-fysiologisch en psychologisch proces dat nu meer dan in het verleden gekend wordt en het is voorwerp van vele gespecialiseerde studies. De wetenschappelijke analyse bevestigt volledig dat de fysieke constitutie van de vrouw en haar organisme in zich de natuurlijke geschiktheid bevatten voor het moederschap, de ontvangenis, de zwangerschap en het baren van het kind, vanwege de huwelijksgemeenschap met de man. Tegelijk is dit alles ook in overeenstemming met de psycho-fysieke structuur van de vrouw. Wat de verschillende taken van wetenschap hierover zeggen, is belangrijk en nuttig, mits zij zich niet beperken tot een uitsluitend biofysiologische verklaring van de vrouw en van het moederschap. Zo’n ’gereduceerd’ beeld zou samengaan met de materialistische opvatting van de mens en de wereld. In dit geval zou wat echt wezenlijk is helaas verloren gaan: het moederschap als menselijke feit en fenomeen wordt volledig verklaard op grond van de waarheid over de persoon. Het moederschap is verbonden met de persoonlijke structuur van het vrouw-zijn en met de persoonlijke dimensie van de gave: "Door Jahwe’s gunst heb ik een mannelijk kind voortgebracht" (Gen. 4, 1). De Schepper schenkt aan de ouders dit kind. Dit feit is van de kant van de vrouw op speciale wijze verbonden met "een oprechte gave van zichzelf". De woorden van Maria bij de boodschap: "Mij geschiede naar uw woord" betekenen de bereidheid van de vrouw tot de gave van zichzelf en tot het ontvangen van het nieuwe leven.
In het moederschap van de vrouw, samen met het vaderschap van de man, weerspiegelt zich het eeuwige mysterie van het voortbrengen dat in God zelf is, in de drie-enige God Vgl. Ef. 3, 14-15 Het menselijk voortbrengen is gemeenschappelijk aan de man en de vrouw. En als de vrouw uit liefde voor haar man ooit zegt: "Ik heb je een kind gegeven", dan betekenen haar woorden tegelijk: "Het is ons kind". Al zijn beiden samen ouders van hun kind, toch vormt het moederschap van de vrouw een speciaal ‘deel’ van dit gezamenlijke ouderschap en zelfs het belangrijkste deel. Al hoort het ouderschap beiden toe, toch verwerkelijkt het zich veel meer in de vrouw, vooral in de prenatale periode. De vrouw ‘betaalt’ direct voor het gemeenschappelijk voortbrengen, dat letterlijk de krachten van haar lichaam en geest opeist. De man moet zich daarom ten volle bewust zijn dat hij in het gezamenlijk ouderschap een speciale verplichting jegens de vrouw aangaat. Geen enkel program van "gelijkheid van rechten" van de vrouw en de mannen is geldig, als men hiermee niet op een geheel wezenlijke wijze rekening houdt.
Het moederschap heeft een speciale band met het mysterie van het leven dat rijpt in de schoot van de vrouw: de moeder bewondert dit mysterie, ‘begrijpt’ met een bijzondere intuïtie wat in haar gebeurt. In het licht van het ‘begin’ aanvaardt en bemint de moeder het kind dat zij in haar schoot draagt, als een persoon. Deze unieke wijze van contact met de nieuwe mens die gevormd wordt, schept op haar beurt een houding jegens de mens – niet alleen jegens het eigen kind maar jegens de mens in het algemeen – welke zodanig is dat zij heel de persoonlijkheid van de vrouw diep karakteriseert. Men neemt gewoonlijk aan dat de vrouw meer dan de man in staat is tot aandacht voor de concrete persoon en dat het moederschap deze aanleg nog meer ontwikkelt. De man bevindt zich – zij het ook met heel zijn deelname aan het ouderschap – steeds "aan de buitenkant" van het proces van de zwangerschap en de geboorte van het kind en hij moet in vele opzichten zijn eigen ’vaderschap’ leren van de moeder. Men kan zeggen dat dit deel uit maakt van het normale menselijke dynamisme van het ouderschap, ook waar het gaat om de fasen die op de geboorte van het kind volgen, speciaal in de eerste periode. De opvoeding van het kind zou in haar geheel gezien de tweevoudige bijdrage van de ouders moeten bevatten: de moederlijke en vaderlijke bijdrage. Toch is de moederlijke bijdrage beslissend voor de grondslagen van een nieuwe menselijke persoonlijkheid.
Het Bijbelse paradimga model, van de "vrouw", dat opgenomen is door het proto-Evangelie, keert in onze overwegingen terug. Als moeder en als eerste opvoedster van de mens (de opvoeding is de geestelijke dimensie van het ouderschap) heeft de vrouw een specifieke voorrang op de man.
Al hangt haar moederschap vooral in biofysieke zin van de man af, toch drukt zij een wezenlijk "stempel" op heel het proces van het doen groeien als persoon van de nieuwe zonen en dochters van het mensgeslacht. In biofysieke zin vertoont het moederschap van de vrouw een schijnbare passiviteit: het proces van de vorming van een nieuw leven "gebeurt" in haar, in haar organisme, dat echter diep betrokken wordt in het gebeuren. Tegelijk drukt het moederschap in persoonlijk-ethische zin een zeer belangrijke creativiteit van de vrouw uit, waarvan het mens-zijn van de nieuwe mens hoofdzakelijk afhangt. Ook in deze zin drukt het moederschap van de vrouw een speciale oproep en een speciale uitdaging uit die gericht zijn aan de man en aan zijn vaderschap.
Het Bijbelse paradigma van de "vrouw" bereikt zijn hoogtepunt in het moederschap van de Moeder van God. De woorden van het proto-Evangelie: "Vijandschap sticht ik tussen u en de vrouw", vinden hierin een nieuwe bevestiging.
God begint in haar, in haar moederlijk "fiat" ("Mij geschiede"), een Nieuw Verbond met de mensheid. Dat is het eeuwige en definitieve Verbond in Christus, in zijn lichaam en bloed, in zijn kruis en verrijzenis. Juist omdat dit Verbond gesloten moet worden "in het vlees en in het bloed", begint het bij de Moeder. De "Zoon van de Allerhoogste" kan alleen dank zij haar en haar maagdelijk en moederlijk "fiat" tot de Vader zeggen: "Gij hebt voor Mij een lichaam bereid... Ik ben gekomen, o God, om uw wil te doen" (Hebr. 10, 5.7). Het moederschap van de vrouw is opgenomen in het kader van het Verbond dat God in Jezus Christus met de mens gesloten heeft. En iedere keer dat het moederschap van de vrouw zich herhaalt in de mensengeschiedenis op aarde, blijft het voortaan steeds in betrekking staan met het Verbond dat God met het menselijk geslacht heeft gesloten door middel van het moederschap van God.
Wordt deze werkelijkheid soms niet aangetoond door het antwoord dat Jezus geeft op wat de vrouw uit de menigte riep die Hem gelukkig prees om het moederschap van zijn Moeder: "Gelukkig de schoot die U gedragen heeft en de borsten die U gevoed hebben" Jezus antwoordt: "Veeleer gelukkig die naar het Woord van God luisteren en het onderhouden" (Lc. 11, 27.28). Jezus bevestigt de betekenis van het moederschap met betrekking tot het lichaam, maar duidt er tegelijk een nog diepere zin van aan die verbonden is met de orde van de geest: het is teken van het Verbond met God die "geest is" (Joh. 4, 24). Zo is vooral het moederschap van de Moeder Gods. Ook het moederschap van iedere vrouw is, gezien in het licht van het Evangelie, niet slechts "uit het vlees en het bloed": het diepe ‘luisteren naar het woord van de levende God’ en de bereidheid om dit "woord van eeuwig leven" is, Vgl. Joh. 6, 68 te "onderhouden", drukken zich daarin uit. Want juist zij die geboren worden uit de aardse moeders, de zonen en dochters van het mensengeslacht, ontvangen van Gods Zoon het vermogen om "kinderen van God" te worden (Joh. 1, 12). De dimensie van het nieuwe Verbond in het bloed van Christus dringt door in het menselijk voortbrengen en maakt het tot de werkelijkheid en tot de taak van "een nieuwe schepping." Vgl. 2 Kor. 5, 17 Vanuit het gezichtspunt van het leven en van de geschiedenis van iedere mens is het moederschap van de vrouw de eerste drempel waarvan het overschrijding ook "de openbaring van Gods kinderen" bepaalt. Vgl. Rom. 8, 19
"Wanneer de vrouw gaat baren is zij bedroefd omdat haar uur gekomen is; maar wanneer zij het kindje ter wereld heeft gebracht, denkt zij niet meer aan de pijn, van blijdschap dat er een mens ter wereld is gekomen" (Joh. 16, 21). Het eerste deel van deze woorden van Christus heeft betrekking op de "barensweeën" die tot de gevolgen van de erfzonde behoren; maar tegelijk geven zij de band aan die het moederschap van de vrouw heeft met het paasmysterie. Want in dit mysterie is ook de smart van de Moeder onder het kruis begrepen, de smart van de Moeder die door het geloof deelneemt aan het onstellende mysterie van de "ontlediging" van haar eigen Zoon. "Misschien is dit de meest diepe ‘ontlediging’ van het geloof in de mensengeschiedenis." H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, Moeder van de Verlosser, Redemptoris Mater (25 mrt 1987), 18
Bij het zien van deze Moeder wier "ziel door een zwaard werd doorboord" Vgl. Lc. 2, 35 gaat de gedachte uit naar alle vrouwen in de wereld die lijden, zowel in fysieke als in morele zin. In dit lijden speelt de gevoeligheid die de vrouw eigen is, een rol, ook al weet zij vaak beter weerstand te bieden aan het lijden dan de man. Het is moeilijk al dit lijden op te sommen, bij naam te noemen: men kan denken aan de moederlijke zorg voor de kinderen, speciaal wanneer deze ziek zijn of een verkeerde weg inslaan, aan de dood van de dierbaarste personen, aan de eenzaamheid van de moeders die door hun volwassen kinderen vergeten worden, of die van de weduwen, aan het lijden van de vrouwen die alleen vechten om te overleven, en van de vrouwen die onrecht ondergaan hebben of uitgebuit worden. Er is tenslotte het lijden van de gewetens vanwege de zonde die de menselijke of moederlijke waardigheid van de vrouw getroffen heeft, de wonden van het geweten die niet gemakkelijk helen. Ook met dit lijden moet men onder het kruis van Christus gaan staan.
Maar de woorden van het Evangelie over de vrouw die bedroefd is als voor haar het uur komt om haar kindje ter wereld te brengen, drukken onmiddellijk daarna blijdschap uit. Deze vreugde ontstaat namelijk, omdat er een mens geboren is. Ook dit verwijst naar het paasmysterie, naar de vreugde die aan de apostelen gegeven wordt op de dag van de verrijzenis van Christus: "Zo zijt ook gij nu wel bedroefd" deze woorden werden uitgesproken op de dag voor het lijden, "maar wanneer Ik u zal weerzien, zal uw hart zich verheugen en uw vreugde zal niemand u kunnen ontnemen" (Joh. 16, 22).

Document

Naam: MULIERIS DIGNITATEM
Over de waardigheid en de roeping van de vrouw
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Apostolische Brief
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 15 augustus 1988
Copyrights: © 1988, Stg. RK Voorlichting, Oegstgeest
Bewerkt: 1 juli 2021

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2021, Stg. InterKerk, Schiedam