• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

Het boek Genesis getuigt van de zonde die het kwaad van het "begin" van de mens is, en van de gevolgen ervan die sindsdien op heel het menselijk geslacht drukken, zowel op mannen als op vrouwen, en het bevat tegelijk de eerste aankondiging van de overwinning op het kwaad, op de zonde. Dat bewijzen de woorden die wij in Genesis 3, 15 lezen Vgl. Gen. 3, 15 en die gewoonlijke het "proto-Evangelie" genoemd worden: "Vijandschap sticht ik tussen u en de vrouw, tussen uw kroost en het hare. Het zal uw kop bedreigen, en gij zijn hiel".

Het is veelbetekenend dat de aankondiging van de Heiland, van de Verlosser van de wereld, welke vervat is in deze woorden, betrekking heeft op "de vrouw". Deze worden op de eerste plaats genoemd in het proto-Evangelie als stammoeder van hem die de Verlosser van de mens zal zijn. Vgl. H. Ireneüs van Lyon, Tegen de ketters, Adversus Haereses. III, 23, 7: SC 211, 462-465 Vgl. H. Ireneüs van Lyon, Tegen de ketters, Adversus Haereses. V, 21, 1: SC 153, 260-265 Vgl. H. Epiphanius van Salamis, Panarion haereticorum. III, 2, 78: PG 42, 728v. Vgl. H. Augustinus, Enarrationes in Psalmos. 103, s. 4, 6: CCL 40, 1525 En als de verlossing moet geschieden door de strijd tegen het kwaad, door middel van de "vijandschap" tussen het kroost van de vrouw en het kroost van hem die als "aartsleugenaar" (Joh. 8, 44) de eerste aanstichter is van de zonde in de geschiedenis van de mens, dan zal dat ook de vijandschap zijn tussen hem en de vrouw.
In deze woorden opent zich het perspectief van de gehele openbaring, eerst als voorbereiding op het Evangelie en dan als Evangelie zelf. In dit perspectief gaat onder de naam van de vrouw de twee vrouwenfiguren samen: Eva en Maria.

Als de woorden van het proto-Evangelie herlezen worden in het licht van het Nieuwe Testament, drukken zij adequaat de zending van de vrouw uit in de verlossende strijd van de Heiland tegen de aanstichter van het kwaad in de geschiedenis van de mens. De vergelijking Eva-Maria keert voortdurend terug in de reflectie over de geloofsschat die door de goddelijke openbaring ontvangen is, en is één van de thema’s die vaak hernomen worden door de kerkvaders, de kerkelijke schrijvers en de theologen. Vgl. H. Justinus, Dialoog met de Jood Tryphon, Dialogus cum Tryphone Judaeo. 100: PG 6, 709-712 Vgl. H. Ireneüs van Lyon, Tegen de ketters, Adversus Haereses. III, 22, 4: SC 211, 438-445 Vgl. H. Ireneüs van Lyon, Tegen de ketters, Adversus Haereses. V, 19, 1: SC 153, 248-251 Vgl. H. Cyrillus van Jeruzalem, Doopcatechese, Catechesi Battesimale. 12, 15: PG 33, 741 Vgl. H. Johannes Chrysostomos, Exposit. in Ps.. 44, 7: PG 55, 193 Vgl. H. Johannes Damascenus, Homilia in Dormitionem. 3: SC 80, 130-135 Vgl. Hesychius van Jeruzalem, Sermo 5 in de sancta Maria Deiparam. PG 93, 1464v. Vgl. Tertullianus, De Carne Christi. 17: CCL 2, 49v. Vgl. H. Hieronymus, Epistolarium. 22, 21: PL 22, 408 Vgl. H. Augustinus, Sermones. 51, 2-3: PL 38, 335 Vgl. H. Augustinus, Sermones. 232, 2: PL 38, 1108 Vgl. H. John Henry Kardinaal Newman, A letter to the rev. E.B. Pusey Vgl. Scheeben, M.H., Handbuch der Katholische Dogmatik. V/1, 243-266, V/2, 306-499 Gewoonlijk komt in deze vergelijking op het eerste gezicht een verschil, een tegenstelling naar voren.

Eva, ‘de moeder van alle levenden,’ Vgl. Gen. 3, 20 is getuige van het Bijbelse ‘begin’, waarin de waarheid over de schepping van de mens naar het beeld en de gelijkenis van God en de waarheid over de erfzonde vervat liggen.

Maria is getuige van het nieuwe ‘begin’ en van de ‘nieuwe schepping.’ Vgl. 2 Kor. 5, 17 Ja, zij is zelf als eerste verloste in de heilgeschiedenis ‘een nieuwe schepping’: zij is ‘vol van genade’. Het is moeilijk te begrijpen waarom de woorden van het proto-Evangelie zo sterk de nadruk leggen op de ‘vrouw’ als men niet erkent dat in haar het nieuwe en definitieve Verbond van God met het mensdom, het Verbond in het verlossende bloed van Christus, begint. Het begint met een vrouw, de ‘vrouw’, bij de boodschap van Nazareth. Dat is absolute nieuwheid van het Evangelie: om in te grijpen in de geschiedenis van zijn volk had God zich in het Oude Testament andere keren tot vrouwen gewend, zoals tot de moeder van Samuel en tot de moeder van Simson; maar om zijn verbond met de mensheid te sluiten had Hij zich alleen tot mannen gericht: Noach, Abraham, Mozes. Aan het begin van het Nieuwe Verbond, dat eeuwig en onherroepelijk moet zijn, staat de vrouw: de Maagd van Nazareth. Het gaat om een teken dat aangeeft dat er ‘in Christus Jezus geen man en vrouw is.’ Vgl. Gal. 3, 28 In Hem wordt de wederkerige tegenstelling tussen de man en de vrouw - als erfenis van de erfzonde - wezenlijk overwonnen.

"Allen tezamen zijt gij één persoon in Christus Jezus", schreef de apostel (Gal. 3, 28). Deze woorden gaan over de oorspronkelijke ‘eenheid van de twee’ die verbonden is met de schepping van de mens, als man en vrouw, naar het beeld en de gelijkenis van God, volgens het model van de volmaakte gemeenschap van Personen die God zelf is. De woorden van sint Paulus stellen vast dat het mysterie van de verlossing van de mens in Jezus Christus, zoon van Maria, herneemt en hernieuwt wat in het mysterie van de schepping beantwoordde aan het eeuwige plan van God de Schepper. Juist hierom "bezag God alles wat Hij gemaakt had en zag Hij dat het heel goed was" Vgl. Gen. 1, 31 op de dag van de schepping van de mens als man en vrouw. De verlossing herstelt in zekere zin in zijn wortel het goede dat wezenlijk ‘ontluisterd’ is door de zonde en door de erfenis ervan in de geschiedenis van de mens. De ‘vrouw’ van het proto-Evangelie is geplaatst in het perspectief van de verlossing.

De vergelijking Eva-Maria kan ook opgevat worden in deze zin dat Maria het Mysterie van de ‘vrouw’, waarvan Eva, ‘de moeder van alle levenden,’ Vgl. Gen. 3, 20 het begin is, in zich opneemt en omvat: zij neemt het op en omvat het vooral binnen het mysterie van Christus – ‘nieuwe laatste Adam’ Vgl. 1 Kor. 15, 45 – die in zijn eigen persoon de natuur van de eerste Adam opgenomen heeft. Het wezen van het Nieuwe Verbond bestaat in het feit dat de Zoon van God, die één in wezen is met de eeuwige Vader, mens wordt: Hij neemt de mensheid op in de eenheid van goddelijke persoon van het Woord. Hij die de verlossing bewerkt is tevens waarlijk mens.

Het mysterie van de verlossing van de wereld veronderstelt dat God de Zoon de mensheid aangenomen heeft als erfenis van Adam, waarbij Hij in alles aan hem en aan iedere mens gelijk werd, "afgezien dan van de zonde" (Hebr. 4, 15). Op deze wijze heeft Hij "de mens ook voor zichzelf duidelijk gemaakt en hem inzicht in zijn zeer hoge roeping gegeven", zoals het Tweede Vaticaans Concilie leert. Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965). 22 Hij heeft hem in zekere zin geholpen opnieuw te ontdekken "wie de mens is." Vgl. Ps. 8, 5

In de traditie van het geloof en van het christelijk denken daarover gaat de vergelijking Adam-Christus in alle geslachten vaak samen met die van Eva-Maria. Als Maria ook beschreven wordt als de ‘nieuwe Eva’, welke kunnen dan de betekenissen van deze analogie zijn? Zij zijn zeker veelvoudig. Het is speciaal nodig stil te blijven staan bij de betekenis die in Maria de volle openbaring ziet van alles wat begrepen is in Bijbelse woord ‘vrouw’: een openbaring die afgemeten wordt naar het mysterie van de verlossing.
Maria betekent in zekere zin de overschrijding van de grens waarover het boek Genesis (Gen. 3, 16) spreekt, en de terugkeer naar het ‘begin’ waarin de ‘vrouw’ teruggevonden wordt zoals zij gewild was in de schepping, dus in de eeuwige gedachte van God, in de schoot van de allerheiligste Drie-eenheid. Maria is, het ‘nieuwe begin’ van de waardigheid en de roeping van de vrouw van alle vrouwen en van iedere vrouw. Vgl. H. Ambrosius van Milaan, De Institutione Virginis. V, 33: PL 16, 313 In het bijzonder de woorden die de evangelist Maria in de mond legt na de aankondiging, bij haar bezoek aan Elisabeth, kunnen een sleutel zijn om dat te begrijpen: "Die machtig is deed aan mij zijn wonderwerken." Vgl. Lc. 1, 49

Zij hebben zeker betrekking op de ontvangenis van de Zoon, die ‘Zoon van de Allerhoogste’ is (Lc. 1, 32), de ‘heilige’ van God; maar zij kunnen teven de ontdekking betekenen van het eigen vrouwelijke mens-zijn. "Hij deed aan mij zijn wonderwerken": dat is de ontdekking van heel de rijkdom, van de persoonlijke hulpbronnen van de vrouwelijkheid, van heel de eeuwige oorspronkelijkheid van de ‘vrouw’, zoals God haar gewild heeft, persoon die om zichzelf is gewild en zichzelf tegelijk vindt "in de oprechte gave van zichzelf".

Deze ontdekking gaat samen met het heldere bewustzijn van de gave, van de schenking van de kant van God. De zonde had al in het ‘begin’ dit bewustzijn verduisterd, in zekere zin verstikt, zoals de woorden van de eerste verleiding door de ‘aartsleugenaar’ aangeven. Vgl. Gen. 3, 1-5 Bij de komst van de "volheid van de tijd," Vgl. Gal. 4, 4 als het mysterie van de verlossing zich begint te voltrekken, dringt dit bewustzijn in heel zijn kracht door in de woorden van de Bijbelse ‘vrouw’ van Nazareth.

In Maria herontdekt Eva wat de ware waardigheid van de vrouw is, van het vrouwelijke mens-zijn. Deze ontdekking moet voortdurend doordringen tot het hart van iedere vrouw en vorm geven aan haar roeping en aan haar leven.

Document

Naam: MULIERIS DIGNITATEM
Over de waardigheid en de roeping van de vrouw
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Apostolische Brief
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 15 augustus 1988
Copyrights: © 1988, Stg. Colomba
Bewerkt: 29 oktober 2020

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2021, Stg. InterKerk, Schiedam