• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

"We zouden Jezus willen ontmoeten" (Joh. 12, 21). Dit verzoek werd aan de apostel Filippus gericht door enkele Grieken die ter gelegenheid van het Paasfeest op bedevaart naar Jeruzalem waren gekomen. Ditzelfde verlangen bezielt ons in dit Jubeljaar. Zoals die pelgrims tweeduizend jaar geleden, stellen onze tijdgenoten, vaak onbewust, aan de hedendaagse gelovigen dezelfde vraag: spreek niet enkel over . Christus. maar toon ons wie Hij is. Heeft de Kerk immers niet de opdracht gekregen het licht van Christus te laten schijnen in elk tijdperk van de geschiedenis en zijn gelaat ook te laten oplichten voor de generaties van het nieuwe millennium?

Maar ons getuigenis zou ongetwijfeld erg zwak overkomen, als we er niet eerst toe zouden komen zelf zijn gelaat te contempleren. Het Jubeljaar heeft ongetwijfeld geholpen om dit uitdrukkelijker te doen. Bij het einde van het Jubeljaar gaan we ons gewoon dagelijks leven hernemen en bewaren we al de ervaringen die we in deze bijzondere periode mochten meemaken en blijft onze blik meer dan ooit gevestigd op het gelaat van de Heer.

Wanneer we het gelaat van Christus contempleren, worden we onvermijdelijk verwezen naar wat de Heilige Schrift over Hem zegt; zij is immers van het begin tot het einde vervuld van zijn mysterie. In het Oude Testament gebeurt dit weliswaar nog op een gesluierde wijze, maar in het Nieuwe Testament wordt dit duidelijk zichtbaar, zodat de Heilige Hiëronymus met nadruk kon bevestigen: "Wie de Schrift niet kent, kent Christus zelf ook niet" H. Hieronymus, In Isaiam. Prol.: PL 24, 17: "Ignoratio enim Scripturarum ignoratio Christi est". Verankerd in de Heilige Schrift, willen we ons openstellen voor de werking van de Geest Vgl. Joh. 15, 26 , die aan de oorsprong ligt van de Heilige Schrift; we willen ook luisteren naar het getuigenis van de apostelen Vgl. Joh. 15, 27 die de levende Christus zelf hebben ervaren. Het Woord van leven hebben ze met eigen ogen gezien, ze hebben Hem gehoord en met eigen handen aangeraakt Vgl. 1 Joh. 1, 1 .

Door hun bemiddeling is een geloofsvisie tot ons gekomen, gedragen door een nauwkeurig historisch getuigenis. De evangelies geven ons inderdaad, ondanks de complexiteit van hun redactie en hun oorspronkelijke catechetische bedoeling, een waarheidsgetrouw getuigenis waarin we ons volle vertrouwen kunnen stellen 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Goddelijke openbaring, Dei Verbum (18 nov 1965), 19.

De evangelies hebben niet de bedoeling een volledige biografie van Jezus te geven die zou beantwoorden aan de wetten van de moderne historische wetenschap. Maar geleidelijk aan krijgen we een historisch betrouwbaar zicht op de Man van Nazareth. De evangelisten hebben zich inderdaad moeite gedaan om de trekken van dit gelaat vast te leggen, vanuit betrouwbare getuigenissen Vgl. Lc. 1, 3 terwijl ze tevens beroep deden op geschriften, voorgelegd aan het waakzame onderscheidingsvermogen van de Kerk. Op basis van deze getuigenissen van het eerste uur hebben ze, verlicht door de Heilige Geest, het voor de mensen onthutsende feit vernomen van de maagdelijke geboorte van Jezus, zoon van Maria, de echtgenote van Jozef. Van de mensen die Hem gekend hebben gedurende de dertig jaren van zijn leven te Nazareth Vgl. Lc. 3, 23 , hebben ze een aantal gegevens vernomen over het leven van "de zoon van de timmerman" (Mt. 13, 55) en dat van "de timmerman" zelf, behorend tot een familie Vgl. Mc. 6, 3 . Ze spreken over zijn religieuze bewogenheid, die Hem ertoe aanzette jaarlijks met zijn familie op bedevaart te gaan naar de tempel van Jeruzalem Vgl. Lc. 2, 4 en die Hem er toe bracht regelmatig de synagoge van zijn stad te bezoeken Vgl. Lc. 4, 16 .

Voor de periode van zijn openbaar leven, die begon op het ogenblik dat de jonge man uit Galilea zich in de Jordaan door Johannes de Doper liet dopen, worden de gegevens veel talrijker, zonder evenwel uit te groeien tot een systematisch en gedetailleerd verslag. Gesterkt door het getuigenis "uit den hoge" en zich ervan bewust "de geliefde Zoon" te zijn (Lc. 3, 22), begint Hij te prediken dat de komst van het Rijk Gods nabij is, door er in woorden en in tekenen van genade en barmhartigheid de eisen en de kracht van aan te geven. De Evangelies tonen Hem steeds op weg langs steden en dorpen, vergezeld van twaalf apostelen, door Hem uitgekozen Vgl. Mc. 3, 13-19 , van een groep vrouwen die voor Hem zorgden Vgl. Lc. 8, 2-3 , van een menigte mensen die Hem zoeken of Hem volgen, van zieken die beroep doen op zijn genezende kracht, van mensen die Hem aanspreken en die naar Hem luisteren, al of niet tot eigen voordeel.

De Evangelieverhalen zijn vervolgens eensgezind over de groeiende spanning die ontstaat tussen Jezus en de toonaangevende groepen van de religieuze samenleving van zijn tijd. Dit mondt uit in de uiteindelijke crisis, met de dramatische ontknoping op Golgotha. Dat is het uur van de duisternis; maar daarop volgt een nieuwe dageraad, stralend en definitief. Bij het einde van hun verhaal tonen de Evangelies ons de Man van Nazareth, die de dood heeft overwonnen; ze wijzen met nadruk op het lege graf en ze volgen Hem verder in een reeks verschijningen. Ze laten ons zien hoe de leerlingen, eerst verbijsterd en verstomd, daarna vervuld met een onzegbare vreugde, Hem levend en stralend herkennen en hoe ze van Hem de gave van de Geest ontvangen Vgl. Joh. 20, 22 en de zending krijgen het evangelie "aan alle volkeren" te verkondigen (Mt. 28, 19).

"Vreugde vervulde de leerlingen toen ze de Heer zagen" (Joh. 20, 20). Het gelaat van Christus dat de apostelen na de verrijzenis aanschouwde was hetzelfde als dit van Jezus, met wie ze gedurende ongeveer drie jaren samen hadden geleefd. In het tonen van "zijn handen en zijn zijde" (Joh. 20, 20) verzekerde hij hen van de overweldigende realiteit van zijn nieuw leven. Gemakkelijk zal het voor hen zeker niet geweest zijn om dit in geloof te aanvaarden. Slechts na een moeizame geestelijke zoektocht zijn de leerlingen van Emmaüs tot geloof gekomen Vgl. Lc. 24, 13-35 . De apostel Thomas kwam enkel tot geloof nadat hij persoonlijk de verrezen Heer ontmoet had Vgl. Joh. 20, 24-29 . Hoewel hij Jezus' lichaam gezien en aangeraakt had, was het in werkelijkheid enkel door het geloof dat hij ten volle kon binnentreden in het mysterie van dit gelaat. Dit was trouwens een ervaring die ook de leerlingen moesten doormaken tijdens het historische leven van Jezus; dit blijkt uit de vragen die bij hen opkwamen telkens wanneer zij geconfronteerd werden met de daden of de woorden van de Heer. We kunnen maar echt tot bij Jezus komen langs de weg van het geloof, een weg waarvan het evangelie zelf het verloop schijnt aan te geven in het bekende tafereel in de streek van Caesarea van Filippus Vgl. Mt. 16, 13-20 . Jezus geeft de indruk een eerste balans te willen opmaken van zijn zending en ondervraagt zijn leerlingen over wat "de mensen" over Hem zeggen. Hij krijgt als antwoord: "volgens sommigen Johannes de Doper, volgens anderen Elia, volgens weer anderen Jeremia of een van de profeten" (Mt. 16, 14). Ongetwijfeld een pertinent antwoord, maar hoever is dit nog verwijderd van de waarheid. Het volk zal wel de uitzonderlijke religieuze dimensie van die "Rabbi", wiens uitspraken hen zo sterk boeiden, opgemerkt hebben, maar het was nog niet in staat om Hem te plaatsen boven de mannen van God die de geschiedenis van Israël hebben bepaald. In werkelijkheid is Jezus heel anders! Wat Hij van de zijnen verwacht, is juist die bijkomende stap naar de kennis die met de diepste realiteit van zijn persoon te maken heeft: "En jullie, wie ben Ik volgens jullie?" (Mt. 16, 15). Enkel de geloofsbelijdenis van Petrus, en met hem van de Kerk van alle tijden, brengt ons tot de kern die de diepte van het mysterie raakt: "U bent de Messias, de Zoon van de levende God" (Mt. 16, 16).

Hoe is Petrus tot dit geloof gekomen? Wat wordt er van ons gevraagd indien we met een groeiende overtuiging in zijn spoor willen stappen? Matteüs geeft ons een duidelijke aanwijzing in de woorden waarmee Jezus op Petrus' geloofsbelijdenis reageerde: "Niet vlees en bloed hebben jou dit onthuld, maar mijn Vader in de hemel" (Mt. 16, 17). De uitdrukking "vlees en bloed" verwijst naar de mens en zijn gewone manier van kennen. Maar sprekend over Jezus volstaat deze manier van kennen niet. Een "openbaringsgenade" van de Vader is daartoe vereist Vgl. Mt. 16, 17 . Lucas spreekt in dezelfde zin wanneer hij schrijft dat dit gesprek met de leerlingen plaats vond toen Hij "eens aan het bidden was" (Lc. 9, 18). Deze twee gelijklopende getuigenissen maken er ons op attent dat wij, met onze menselijke krachten alleen, nooit tot de volmaakte contemplatie van Jezus' gelaat zullen komen, maar dat dit slechts mogelijk is vanuit de genade. Enkel in stilte en gebed kan in ons een waarachtige, trouwe en coherente kennis van het mysterie rijpen en zich ontwikkelen. Dit mysterie wordt op een unieke wijze verwoord in de plechtige aanhef van het evangelie van Johannes: "Ja, het Woord is vlees geworden! Hij is onder ons zijn tent komen opslaan en we hebben zijn heerlijkheid gezien, de heerlijkheid die Hij als eniggeboren Zoon aan de Vader ontleende, vervuld als Hij was van genade en waarheid" (Joh. 1, 14).

Het Woord en het vlees, de goddelijke heerlijkheid en zijn woontent onder de mensen! In de intieme en onlosmakelijke eenheid van deze twee polen is de identiteit van Christus te vinden. Dit is de klassieke formulering van het Concilie van Chalcedon (451): "Eén persoon in twee naturen". Die ene persoon is het eeuwige Woord, Zoon van de Vader. De twee naturen zijn de goddelijke natuur en de menselijke natuur, zonder enige vermenging maar ook zonder een mogelijke scheiding Concilie van Chalcedon, 5e Zitting - Over de twee naturen in Christus, Sessio V - Definitio de duabus naturis Christi (22 okt 451), 2-3. "Wij leren eenstemmig, hierin de heilige Kerkvaders volgend, één en dezelfde Zoon, onze Heer Jezus Christus, te belijden, volmaakt in zijn godheid en volmaakt in zijn mensheid, waarlijk God en waarlijk mens (...). Eén en dezelfde Christus, Heer, eniggeboren Zoon, die erkend wordt in twee naturen, zonder vermenging, zonder verandering, zonder deling, zonder scheiding. (...) is niet in twee personen gedeeld en gescheiden, maar is één en dezelfde, zoals vroeger door de profeten over Hem en Jezus Christus zelf het ons geleerd heeft.." DH 301-302

Wij weten wel dat onze begrippen en woorden erg beperkt zijn. De dogmatische verwoording - hoe menselijk ook - is wat de inhoud van de leer betreft, zorgvuldig afgewogen. Ze biedt de mogelijkheid om het ondoorgrondelijke van dit mysterie enigszins te vatten. Jezus is waarachtig God en waarachtig mens! Zoals de apostel Thomas wordt de Kerk telkens opnieuw door Christus uitgenodigd om zijn wonden aan te raken, en zo de volwaardige en waarachtige menselijkheid van Jezus te erkennen. Van zijn moeder Maria ontving Hij de menselijke natuur die, aan de dood overgeleverd, door de verrijzenis werd omgevormd en verheerlijkt. "Kijk maar, hier zijn mijn handen; kom nu maar met je vinger. En kom met je hand om de opening in mijn zijde te voelen" (Joh. 20, 27). Zoals Thomas knielt de Kerk neer en aanbidt ze de verrezen Heer in de volheid van zijn goddelijke heerlijkheid terwijl ze onophoudelijk herhaalt: "Mijn Heer! Mijn God!" (Joh. 20, 28).

"Het Woord is vlees geworden" (Joh. 1, 14). Deze schitterende uitdrukking van het Christusmysterie door Johannes weerklinkt in het gehele Nieuwe Testament. Ook de apostel Paulus zegt in dezelfde lijn dat de Zoon van God, "naar het vlees, (..) geboren is uit het geslacht van David" (Rom. 1, 3) Vgl. Rom. 9, 5 .

Nu het rationalisme talrijke kringen van de hedendaagse cultuur doordringt, is vooral het geloof in de goddelijkheid van Christus een probleem; in andere historische en culturele omstandigheden heeft men eerder de neiging gehad het historisch karakter van Jezus' mens-zijn af te zwakken of zelfs weg te duwen. Maar het behoort wezenlijk en onbetwistbaar tot het geloof van de Kerk dat het Woord waarlijk "vlees geworden is" en dat Hij in alles het menselijk bestaan heeft gedeeld, behalve in de zonde Vgl. Hebr. 4, 15 . Vanuit dit oogpunt is de menswording van de Zoon van God een echte kenosis, een "ontlediging" van de heerlijkheid die Hij bezit van alle eeuwigheid Vgl. Fil. 2, 6-8 Vgl. 1 Pt. 3, 18 .

Anderzijds is deze ontlediging van de Zoon van God geen doel op zichzelf, ze is eerder gericht op de totale verheerlijking van Christus tot in zijn menselijkheid toe: "Daarom ook heeft God Hem hoog verheven; en Hem de naam verleend die boven alle namen staat, opdat in de Naam van Jezus iedere knie zich zou buigen in de hemel, op aarde en onder de aarde, en iedere tong zou belijden tot eer van God, de Vader: de Heer, dat is Jezus Christus" (Fil. 2, 9-11).

"Tot U zegt mijn hart: 'Ik zocht uw gelaat.' Uw gelaat blijf ik zoeken" (Ps. 27, 8). De aloude verzuchting van de psalmist kon niet beter en mooier verhoord worden dan in het aanschouwen van het gelaat van Christus. In Hem heeft God ons waarachtig gezegend en laat God "zijn aanschijn over ons lichten" (Ps. 67, 2). En omdat Hij tezelfdertijd God en mens was heeft Hij ons ook het ware gelaat van de mens laten zien, "Hij heeft ten volle de mens aan hemzelf geopenbaard" 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 22.

Jezus is "de nieuwe mens" Vgl. Ef. 4, 24 Vgl. Kol. 3, 10 die de verloste mensheid oproept te delen in zijn goddelijk leven. In het mysterie van de menswording werd de grondslag gelegd voor een antropologie die haar eigen grenzen kan overstijgen en die haar eigen contradicties kan overwinnen om tot God zelf te komen; meer nog, om te komen tot de 'vergoddelijking'. Hierbij wordt de verloste mens in Christus opgenomen en deelt hij in de intimiteit van het leven binnen de Drie-eenheid. De kerkvaders hebben sterk de nadruk gelegd op deze soteriologische dimensie van het mysterie van de menswording. Het is enkel omdat de Zoon van God waarachtig mens geworden is dat de mens in staat is in Hem en door Hem werkelijk kind van God te worden H. Athanasius van Alexandrië, Redevoeringen tegen de Arianen, Orationes contra Arianos. (vertaald door C. J. De Vogel) Spectrum Utrecht.

Het wezen van de goddelijke en de menselijke natuur komt in de Evangelies helder naar voor. Ze reiken ons een aantal elementen aan die ons helpen om het 'grensgebied' van het mysterie van Jezus' zelfbewustzijn te betreden. De Kerk twijfelt er niet aan dat de evangelisten, vanuit hun geïnspireerd zijn, in staat waren, in Jezus' woorden de ware betekenis van zijn persoon te erkennen en het bewustzijn dat Hij zelf hiervan had. Is het niet juist dàt wat Lucas wil verduidelijken wanneer hij de eerste woorden van Jezus vermeldt, die Hij, toen Hij nauwelijks twaalf jaar was, in de tempel van Jeruzalem heeft uitgesproken? Jezus is er zich duidelijk van bewust, zo blijkt het, dat Hij zich in een unieke relatie bevindt met God, dat Hij namelijk de 'Zoon' is. Want wanneer zijn moeder Hem wijst op de angst en de pijn, waarmede zij en Jozef Hem hebben gezocht, antwoordt Jezus zonder aarzeling: "Waarom hebben jullie Mij gezocht? Wisten jullie niet dat Ik bij mijn Vader moest zijn?" (Lc. 2, 49). Het is dan ook niet verwonderlijk dat Hij, eens volwassen, op een duidelijke manier over de diepte van dit mysterie spreekt. In de synoptische evangelies wordt dit veelvuldig onderlijnd Vgl. Mt. 11, 27 Vgl. Lc. 1, 22 ; maar vooral in het Evangelie van Johannes. Jezus twijfelt geen ogenblik aan het bewustzijn dat Hij heeft van zichzelf: "De Vader is in mij en ik ben in de Vader" (Joh. 10, 38).

We mogen aannemen dat terwijl "Hij een wijs en volwassen man werd, die steeds meer in de gunst kwam bij God en de mensen" (Lc. 2, 52), stilaan ook in Hem het bewustzijn groeide van het goddelijk mysterie dat tot vervulling zou komen in zijn totaal verheerlijkte menselijkheid. Evenmin mogen we eraan twijfelen dat Jezus in zijn historisch bestaan zich reeds bewust was van zijn identiteit als Zoon van God. Johannes bevestigt en benadrukt zelfs dat Jezus juist daarom verworpen en veroordeeld werd: men zocht Hem inderdaad te doden want: "Hij tastte niet alleen de sabbat aan, Hij noemde ook nog God zijn Vader en stelde zo zichzelf met God gelijk" (Joh. 5, 18). In Getsemane en Golgota zal Jezus' menselijk zelfbewustzijn het pijnlijkst op de proef gesteld worden. Maar zelfs het drama van zijn lijden en zijn dood zal niet in staat zijn de serene zekerheid te ondermijnen die Hij bezit: de Zoon te zijn van de hemelse Vader.

Wanneer we Christus' gelaat beschouwen moeten we ook het meest paradoxale aspect van zijn mysterie durven onder ogen zien, zoals het zich in het uur van zijn dood op het kruis manifesteert. Voor dit dubbel aspect van het mysterie kan de mens slechts in aanbidding neerknielen.

De doodstrijd van Jezus in de Olijfhof kunnen we ons in alle scherpte voorstellen. Hij wordt overweldigd door het vooruitzicht van de beproeving die Hem wacht en, heel alleen met God, roept Hij Hem aan op zijn tedere, vertrouwvolle wijze: "Abba, Vader". Hij vraagt Hem, als het mogelijk is, deze beker van Hem weg te nemen Vgl. Mc. 14, 36 . Maar de Vader schijnt de kreet van zijn Zoon niet te willen horen. Om aan de mensheid het gelaat van de Vader terug te schenken, moest Jezus niet alleen het gelaat van de mens aannemen, maar ook het "gelaat" van de zonde op zich nemen: "Hem die geen zonde heeft gekend, heeft God voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij door Hem Gods gerechtigheid zouden worden" (2 Kor. 5, 21).

Nooit zullen we de ondoorgrondelijke diepte van dit mysterie kunnen peilen. De gruwelijke scherpte van deze paradox komt tot uiting in die smartelijke kreet van schijnbare wanhoop, wanneer Jezus op het kruis uitroept: "Eloi, Eloi, lema sabachtani?". Dat betekent: "Mijn God, mijn God, waarom hebt U Mij in de steek gelaten?" (Mc. 15, 34). Kan men zich een gruwelijker kwelling, een diepere duisternis voorstellen? We willen zeker niet de werkelijkheid van die onnoembare smart ontkennen, maar we mogen ook niet het volgende uit het oog verliezen: bij het beklemmende "waarom" dat Jezus tot zijn Vader richt, maakt Hij gebruik van de eerste verzen van psalm 22; die woorden moeten we begrijpen in het licht van het hele gebed waarin de psalmist in een ontroerende vermenging van gevoelens, lijden en vertrouwen samen onder woorden brengt. Want de psalm gaat inderdaad als volgt verder: "Onze vaderen vertrouwden op U, vertrouwden op U, en U hebt hen gered; Blijf niet ver van mij, want ongeluk nadert, en er is geen mens die mij helpt" (Ps. 22, 5.12).

Document

Naam: NOVO MILLENNIO INEUNTE
Een nieuw millennium
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Apostolische Brief
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 6 januari 2001
Copyrights: © 2000, Kerknet.be
Bewerkt: 20 oktober 2020

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2021, Stg. InterKerk, Schiedam