• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

De zeer heilige Roomse Kerk, gesticht door het woord van onze Heer en Redder, gelooft vast, belijdt en verkondigt dat er één ware almachtige God is, onveranderlijk en eeuwig, de Vader en de Zoon en de Heilige Geest, één in wezen, drie in personen: de ongeboren Vader, de Zoon geboren uit de Vader, de Heilige Geest voortkomend uit de Vader en Zoon. De Vader is niet de Zoon of de Heilige Geest; de Zoon is niet de Vader of de Heilige Geest; de Heilige Geest is niet de Vader of de Zoon; maar de Vader is alleen de Vader, de Zoon is alleen de Zoon, de Heilige Geest is alleen de Heilige Geest. Alleen de Vader bracht de Zoon voort uit zijn substantie, alleen de Zoon is voortgekomen uit alleen de Vader, alleen de Heilige Geest komt tegelijk voort uit de Vader en de Zoon. Deze drie personen zijn één God, en niet drie goden: omdat er één substantie van de drie is, één wezen, één natuur, één godheid, één onmetelijkheid, één eeuwigheid, en alles is één, waar geen tegenstelling van de betrekking tussen beide staat. Vgl. H. Anselmus van Canterbury, De processione Spiritus Sancti. Dit grondprincipe van de trinitaire theologie werd voor het eerst geformuleerd door Anselmus van Canterbury: (F.S. Schmitt, Sancti Anselmi Cantuariensis Opera Omnia 2 (Edinburgh 1946) 18024-181 1812-4, = Kap. 2 (PL 158, 288c)

"Wegens deze eenheid is de Vader geheel in de Zoon en geheel in de Heilige Geest; de Zoon is geheel in de Vader en geheel in de Heilige Geest; de Heilige Geest is geheel in de Vader en geheel in de Zoon. Niemand steekt boven de ander uit in eeuwigheid, of overstijgt in grootte, of overtreft in macht. Het is namelijk eeuwig en zonder begin, dat de Zoon uit de Vader is ontstaan; en eeuwig en zonder begin is het, dat de Heilige Geest voortkomt uit de Vader en de Zoon." Vgl. H. Fulgentius van Ruspe, De fide seu de regula fidei ad Petrum. 1, n. 4 (J. Fraipont - C. Lambot: CpChL 91A (1968) 714 / PL 65, 674AB Al wat de Vader is of heeft, heeft hij niet van een ander, maar uit zichzelf, en hij is het begin zonder begin. Al wat de Zoon is of heeft, heeft hij van de Vader, en hij is het begin van het begin: al wat de Heilige Geest heeft of is, heeft hij evenzeer van de Vader als van de Zoon. Maar de Vader en de Zoon zijn niet twee oorsprongen van de Heilige Geest, maar één oorsprong, zoals de Vader en de Zoon en de Heilige Geest niet drie oorsprongen van de schepping zijn, maar één oorsprong.

Dus zij veroordeelt, verwerpt en verkettert al degenen die het hier niet mee eens zijn en het tegengestelde geloven en verkondigt dat zij vreemden zijn van het lichaam van Christus, dat de Kerk is. Zij veroordeelt daarom Sabellius die de personen verwart en het echte onderscheid van hen volkomen opheft. Zij veroordeelt de Arianen, Eunomianen en Macedonianen die zeggen dat alleen de Vader de echte God is, maar de Zoon en Heilige Geest in de orde van schepselen plaatsen. Zij veroordeelt ook al de anderen, die  niveaus of een ongelijkheid in de Drie-eenheid aannemen.

Zij gelooft zeer vast, zegt en verkondigt dat de ene ware God, de Vader en de Zoon en de Heilige Geest, de schepper van al het zichtbare en onzichtbare is, die, toen Hij dat wilde, uit zijn goedheid alle schepselen, zowel geestelijk als lichamelijk, schiep, weliswaar goed, omdat die door het grootste goed zijn gemaakt, maar veranderlijk, omdat ze uit het niets zijn gemaakt, en zij verklaart dat er geen natuur van het kwade bestaat, omdat elke natuur, in zoverre ze natuur is, goed is.

Zij verkondigt dat één en dezelfde God  inspirator  is van het Oude en het Nieuwe Testament, dat wil zeggen, van de Wet en de Profeten en het Evangelie, aangezien onder inspiratie van dezelfde Heilige Geest de Heiligen van beide Testamenten hebben gesproken, wier boeken zij aanneemt en vereert, die de volgende titels omvatten:

Vijf {boeken} van Mozes, nl. Genesis, Exodus, Leviticus, Numeri en Deuteronomium; Josua, Ruth, vier {boeken} Koningen, twee {boeken} Kronieken, Esra, Nehemia, Tobias, Judith, Esther, Job, de Psalmen van David, Spreuken, Prediker, het Hooglied, Wijsheid, Ecclesiasticus, Jesaja, Jeremia, Baruch, Ezechiël, Daniël, de twaalf kleinere  Profeten nl. Hosea, Joël, Amos, Obadja, Jona, Micha, Nahum, Habakuk, Zefanja, Haggai, Zacharia, Maleachi; twee {boeken} Makkabaeën, vier Evangeliën, van Mattheüs, Marcus, Lucas en Johannes; veertien brieven van Paulus, aan de Romeinen, twee aan de Korinthiërs, aan de Galaten, aan de Efesiërs, aan de Filippenzen, twee aan de Thessalonicenzen, aan de Kolossenzen, twee aan Timotheüs, aan Titus, aan Filemon, aan de Hebreeën; twee van Petrus; drie van Johannes; één van Jacobus; één van Judas; de Handelingen der Apostelen en de Openbaring van Johannes.

Daarom verkettert zij de waanzin van de Manichaërs, die twee eerste oorsprongen hebben verondersteld, één van de zichtbare zaken, een ander van de onzichtbare zaken; en zij hebben gezegd dat de God van het Oude Testament een andere God is dan die van het Nieuwe Testament.

Zij gelooft vast, belijdt en verkondigt, dat  één persoon uit de Drie-eenheid, de ware God, de Zoon van God voortgekomen uit de Vader, gelijk in wezen en even eeuwig, in de volheid van de tijd, die de onnavolgbare verhevenheid  van het goddelijk raadsbesluit heeft vastgelegd, wegens het heil van het menselijk geslacht de ware en integere natuur van de mens uit de onbevlekte schoot van de Maagd Maria heeft aangenomen en met zich tot eenheid van de persoon heeft verbonden met zo grote eenheid, dat al wat daar van God is, niet van de mens  gescheiden is, en al wat van de mens is, niet van de godheid afgescheiden is, en dat één en dezelfde ongedeeld is, terwijl elke van beide naturen bij zijn eigenheden blijft, God en de mens, de Zoon van God en de zoon van de mens, “gelijk aan de Vader volgens de godheid, minder dan de Vader volgens de mensheid”, Vgl. Geloofsbelijdenis, Pseudo Athanasiaanse Geloofsbelijdenis, Quicumque (30 nov 429), 2 onsterfelijk en eeuwig wegens de natuur van de godheid, vergankelijk en tijdelijk wegens de zijnsvoorwaarde van de aangenomen mensheid.

Zij gelooft vast, zegt en verkondigt dat de Zoon van God in de aangenomen mensheid echt uit de Maagd is geboren, werkelijk heeft geleden, echt is gestorven en begraven, echt uit de doden is herrezen, ten hemel is opgestegen en aan de rechterhand van de Vader zit en aan het einde der tijden zal komen om te oordelen over de levenden en doden.

Maar zij verkettert, vervloekt en veroordeelt iedere ketterij die het tegenovergestelde leert. En als eerste veroordeelt zij Ebion, Cerinthus, Marcion, Paulus van Samosate, Photinus en allen die op dezelfde wijze godslasteren, die niet de eenheid van de mensheid met het Woord in de persoon kunnen begrijpen en ontkennen dat Jezus Christus onze Heer ware God is, belijdend dat hij puur mens was, die door een grotere deelname aan de goddelijke genade, die hij door de verdienste van een heiliger leven had ontvangen, een goddelijk mens genoemd werd.

Ook verkettert zij Manichaeus met zijn volgelingen, die zich inbeeldend dat de Zoon van God niet een echt lichaam, maar een denkbeeldig had aangenomen, de waarheid van de mensheid in Christus geheel hebben weggenomen.

Eveneens Valentinus die verkondigde dat de Zoon van God volstrekt niets uit Maagdelijke Moeder had ontvangen, maar een hemels lichaam had aangenomen en zo door de schoot van de Maagd was heengegaan, zoals neerstromend water door een aquaduct gaat.

Ook Arius, die verkondigde dat het lichaam opgenomen uit de Maagd een geest miste, en de mening had dat de godheid op de plaats van de geest was geweest.

Ook Appolinaris, die wel begreep dat, als de het lichaam vormende geest wordt ontkend in Christus, op dezelfde plaats geen ware mensheid was geweest, veronderstelde slechts één zinnelijke ziel, maar de godheid van het Woord zou de plaats van de rationele geest innemen.

Ook verkettert zij Theodorus van Mopsuesta en Nestorius die zeiden dat de mensheid verenigd is met de Zoon van God door de genade en er daarom twee personen zijn in Christus, zoals ze belijden dat er twee naturen zijn, omdat zij niet konden begrijpen dat de eenheid van de mensheid met het Woord hypostatisch is en daarom ontkenden zij dat die de hypostase van het Woord aangenomen had. Want volgens deze godslastering is het Woord niet vlees geworden, maar het Woord woonde door genade in het vlees, dat betekent dat de Zoon van God niet mens is gemaakt, maar meer dat de Zoon van God woonde in de mens.

Ook verkettert, vervloekt en veroordeelt zij de archimandriet Eutyches, die hoewel hij begreep, dat volgens de godslastering van Nestorius de waarheid van de vleeswording werd uitgesloten en het daarom paste, dat zo de mensheid verenigd was met het Woord van God, dat er één en dezelfde persoon van de godheid en van de mensheid was, toch niet de eenheid van de persoon kon bevatten als er meerdere naturen zijn, want zo beweerde hij, zoals hij aannam dat er één persoon van de godheid en mensheid in Christus was, dat er één natuur was, menend dat er voor de eenheid een dualiteit van de naturen was geweest, maar dat die in één natuur was overgegaan bij de opname, terwijl hij dus met de grootste godslastering en goddeloosheid de opvatting toeliet dat of de mensheid in de godheid, of de godheid in de mensheid was overgegaan.

Ook verkettert, vervloekt en veroordeelt zij Macarius van Antiochië en alle gelijkgezinden, die, ook al denkt hij juist over de dualiteit van de naturen en de eenheid van persoon, zich toch verschrikkelijk vergist heeft aangaande de werkzaamheden van Christus door te zeggen dat in Christus één werkzaamheid en één wil was van beide naturen. De zeer heilige Roomse Kerk verkettert hen allen met hun ketterijen, bevestigend dat in Christus twee willen en twee werkzaamheden zijn.

Zij gelooft vast, verklaart en onderricht dat niemand ooit uit een man en vrouw ontvangen van de heerschappij van de duivel bevrijd is, behalve door het geloof H. Fulgentius van Ruspe, De fide seu de regula fidei ad Petrum. Zowel in de originele tekst van de Bull als ook bij Fulgentius van Ruspe (26, n. 69 (J. Fraipont - C. Lambot: CpChL 91A (1968) 753 / PL 65, 701A (= m. 67)), waaruit deze woorden genomen zijn Concilie van Trente, 5e Zitting - Decreet over de erfzonde, Sessio V - Decretum super peccato originali (17 juni 1546), 3 andere bieden zeggen i.p.v. 'fidem' met het Concilie van Trente in de bemiddelaar tussen God en mensen, Jezus Christus Vgl. 1 Tim. 2, 5 onze Heer, die zonder zonde ontvangen, geboren en gestorven, de vijand van het menselijk geslacht, door onze zonden te vernietigen, alleen door zijn dood heeft neergeworpen en de ingang van het hemelse rijk heeft geopend, die de eerste mens door zijn eigen schuld had verloren met al zijn nageslacht, en dat hij ooit zal komen, hebben alle heilige offers, sacramenten en ceremonies van het Oude Testament aangetoond.

Zij gelooft vast, verklaart en onderricht dat de wetsvoorschriften van het Oude Testament of van de wet van Mozes, die worden onderverdeeld in ceremonies, heilige offers, sacramenten, omdat die waren ingesteld om een toekomstig iemand aan te duiden, ook al pasten zij bij de goddelijke eredienst in die tijd, bij de komst van onze Heer Jezus Christus, die door die was aangekondigd, ophielden van kracht te zijn, en dat de sacramenten van het Nieuwe Testament begonnen zijn. En eenieder die ook na het lijden zijn hoop stelde in de wetsvoorschriften en zich onderwierp aan die als noodzakelijk voor het heil, alsof het geloof in Christus zonder die niet zou kunnen redden, heeft een doodzonde begaan. Zij ontkent toch niet dat vanaf het lijden van Christus tot aan de verkondiging van het Evangelie deze behouden konden worden, mits ze nauwelijks als noodzakelijk werden geacht voor het heil, maar na de verkondiging van het Evangelie meent zij dat zij niet kunnen worden behouden zonder de ondergang van het eeuwige heil.

Dus zij verklaart dat allen, die na die tijd de besnijdenis, de sabbat en de overige wetten in acht nemen, vervreemd zijn van het geloof in Christus en niet in het minst deelgenoten kunnen zijn van het eeuwige heil, tenzij zij eens terugkomen op hun fouten. Daarom schrijft zij met nadruk aan allen, die zich beroemen op de christelijke naam, voor om op welk moment dan ook, of voor of na het doopsel, af te zien van besnijdenis; want of iemand daarin zijn hoop plaats, of niet, zonder verlies van het eeuwige heil kan dat helemaal niet in acht worden genomen.

Maar wat betreft kinderen spoort zij aan dat wegens het doodsgevaar, dat vaak voor kan komen, wanneer voor hen geen andere remedie kan worden gevonden, behalve door het Sacrament van het Doopsel, waardoor zij worden ontrukt aan de heerschappij van de duivel en tot zonen van God worden aangenomen, het heilige Doopsel niet overeenkomstig de gewoonte van sommige mensen veertig of tachtig dagen of een andere periode moet worden uitgesteld, maar dat het zodra het passend kan gebeuren, moet worden toegediend, echter zo, dat zij bij dreigend doodsgevaar spoedig zonder enige vertraging worden gedoopt, ook door een leek of vrouw, in de vorm van de Kerk, als een priester afwezig is, zoals in het Concilie van Florence - Decreet
Exsultate Deo - Decretum pro Armenis
Sessio VIII - 8e Sessie: Decreet voor de Armeniërs
(22 november 1439)
uitvoeriger wordt vastgelegd.

Zij gelooft vast, belijdt en verkondigt, dat ieder schepsel van God goed is H. Fulgentius van Ruspe, De fide seu de regula fidei ad Petrum. 42, n. 85 (J. Fraipont - C. Lambot: CpChL 91A (1968) 758 / PL 65, 704CD, “en niets is verwerpelijk, wat met dankzegging wordt ontvangen” (1 Tim. 4, 4), omdat, overeenkomstig het woord van de Heer, “niet wat in de mond gaat, de mens verontreinigt” (Mt. 15, 11), en zij verklaart dat dat verschil van rein en onrein eten van de wet van Mozes betrekking heeft op de ceremoniële voorschriften, die door de opkomst van het Evangelie ten onder gegaan zijn en opgehouden zijn van toepassing te zijn. Zij zegt dat ook dat verbod van de apostelen “van afgodenoffers en van bloed en van verstikt vlees“ (Hand. 15, 29) passend was voor die tijd, waarin uit de Joden en heidenen, die vroeger met verschillende ceremonies en zeden leefden, één Kerk oprees, opdat ook de heidenen iets gemeenschappelijks met de Joden in acht zouden nemen, en de gelegenheid werd geboden om samen te komen in één cultus en één geloof en een onderwerp van de onenigheid werd weggenomen, omdat aan de Joden vanwege een oude gewoonte bloed en verstikt vlees als verwerpelijk toescheen en zij konden menen dat door het eten van afgodenoffers de heidenen terug zouden gaan naar afgoderij. Maar zodra de christelijke religie tot dat punt was verspreid, dat er geen enkele Jood meer daarin voorkwam naar het vlees, maar allen die overgingen naar de Kerk samenkwamen bij dezelfde riten en ceremonies van het Evangelie, gelovend dat “voor de reinen alles rein is” (Tit. 1, 15), hield, omdat de reden voor dit apostolisch verbod ophield, ook de werking op.

Daarom verklaart zij dat er geen natuur van het eten, die de menselijke gemeenschap toelaat, veroordeeld moet worden, noch moet er tussen de dieren onderscheid gemaakt worden door iemand, man of vrouw, en door welke vorm van de dood zij ook omkomen, ook al kan en moet voor de gezondheid van het lichaam, voor de oefening van moed, voor de kloosterlijke en kerkelijke discipline van vele niet verboden zaken afgezien worden, omdat, volgens de Apostel, “alles toegestaan is, maar niet alles baat” (1 Kor. 6, 12)(1 Kor. 10, 23).

Zij gelooft vast, belijdt en verkondigt dat “niemand die zich buiten de Katholieke Kerk bevindt, niet alleen geen heidenen” H. Fulgentius van Ruspe, De fide seu de regula fidei ad Petrum. 38, n. 81 (J. Fraipont - C. Lambot: CpChL 91A (1968) 757 / PL 65, 704A (= n. 79), maar ook geen Joden of ketters of schismatici deelgenoot kunnen worden aan het eeuwige leven, maar naar het eeuwige vuur zullen gaan, “dat gereed staat voor de duivel en zijn engelen” (Mt. 25, 41), tenzij zij voor het einde van het leven zich bij haar hebben aangesloten, en dat de eenheid met het lichaam van de Kerk sterk zo is, dat alleen voor hen die daarin blijven de Sacramenten van de Kerk tot heil dienen, en het vasten, aalmoezen en overige werken van vroomheid en oefeningen van de christelijke krijgsdienst eeuwige beloningen voort brengen. “En niemand, hoeveel aalmoezen hij ook heeft gegeven, ook al heeft hij voor de naam van Christus zijn bloed uitgestort, kan worden gered, als hij niet in de schoot en eenheid van de katholieke Kerk blijft”. H. Fulgentius van Ruspe, De fide seu de regula fidei ad Petrum. 39, n. 82 (J. Fraipont - C. Lambot: CpChL 91A (1968) 757 / PL 65, 704A (= n. 80)

Document

Naam: CANTATE DOMINO
11e Sessie - Over de eenheid met de Kopten en Ethiopiërs
Soort: Concilie van Florence - Bul
Datum: 4 februari 1442
Copyrights: © 2015, Stg. InterKerk
Vert. uit het Latijn: George Dölle pr., Lucas Verlinden, Bram Witvliet
Bewerkt: 7 november 2019

Opties

Internetadres
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2021, Stg. InterKerk, Schiedam