• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

DE APOSTELEN, GETUIGEN EN GEZONDENEN VAN CHRISTUS
(2e catechese in deze reeks)

Dierbare broeders en zusters,

De Brief aan de Efeziërs laat ons de Kerk zien als “gebouwd op het fundament van de apostelen en profeten, terwijl de sluitsteen Christus Jezus zelf is” (Ef. 2, 20). In de Apokalyps of Openbaring wordt de rol van de Apostelen, en meer in het bijzonder die van de Twaalf, verduidelijkt in het eschatologisch perspectief van het hemels Jeruzalem, dat wordt voorgesteld als een stad waarvan de muren rusten op “twaalf grondstenen, en daarop de twaalf namen van de twaalf apostelen van het Lam” (Openb. 21, 14). Wat de Evangelies betreft: deze stemmen overeen in het bericht dat de roeping van de Apostelen de eerste stappen markeerde van het dienstwerk van Jezus, na het doopsel dat hij van de Doper had ontvangen in het water van de Jordaan.

Volgens het verhaal van Marcus (Mc. 1, 16-20) en van Matteüs (Mt. 4, 18-22), vormt het meer van Galilea het decor voor de roeping van de eerste Apostelen. Jezus heeft zojuist een begin gemaakt met de prediking van het Rijk van God, wanneer zijn blik blijft rusten op twee paar broers: Simon en Andreas, Jacobus en Johannes. Het zijn vissers, bezig met hun dagelijkse werk. Ze werpen de netten uit, en maken ze weer in orde. Maar een andere visvangst wacht hun: voortaan zullen ze “vissers van mensen” zijn Vgl. Mc. 1, 17 Vgl. Mt. 4, 19 . Hoewel Lucas dezelfde overlevering volgt, heeft hij een meer uitgewerkt verhaal (Lc. 5, 1-11). Het laat de geloofsweg zien van de eerste leerlingen, door te preciseren dat de uitnodiging om Hem te volgen hen pas bereikt nadat zij de eerste prediking van Jezus gehoord en de eerste wondertekenen door Hem verricht hebben meegemaakt. In het bijzonder vormt de wonderbare visvangst de onmiddellijke context en het symbool voor de zending van mensenvissers die hen wordt toevertrouwd. Het lot van deze geroepenen zal van nu af innig verbonden zijn met dat van Jezus. De apostel is iemand die door Jezus gezonden is, maar eerder nog iemand die Jezus “ervaren” heeft.
Juist dit aspect wordt door de evangelist Johannes benadrukt, vanaf de eerste ontmoeting van Jezus met zijn toekomstige Apostelen. Hier is het decor anders. De ontmoeting speelt zich af aan de oevers van de Jordaan. Het feit dat de toekomstige leerlingen daar aanwezig zijn - ook zij zijn, net als Jezus, uit Galilea gekomen om de ervaring te beleven van het doopsel dat Johannes toedient - werpt licht op hun geestelijke wereld. Het waren mensen die het Rijk Gods verwachtten, en die verlangden de Messias te leren kennen, van wie verkondigd werd dat Hij spoedig zou komen. Voor hen is de aanduiding van Johannes de Doper genoeg, die Jezus aanwijst als het Lam Gods Vgl. Joh. 1, 36 , want het wekt in hen het verlangen op naar een persoonlijke ontmoeting met de Meester. De fragmenten van de dialoog van Jezus met de eerste twee toekomstige Apostelen zijn veelzeggend. Op de vraag: “Wat verlangt gij?”, antwoorden zij met een volgende vraag: “Rabbi (vertaald betekent dit Meester), waar verblijft ge?”. Het antwoord van Jezus is een uitnodiging: “Gaat mee om het te zienVgl. Joh. 1, 38-39 . Zo begint het avontuur van de apostelen, als een ontmoeting van personen die zich wederzijds voor elkaar openen. Voor de leerlingen begint een rechtstreekse kennis van de Meester. Zij zullen immers geen verkondigers moeten zijn van een idee, maar getuigen van een Persoon. Voordat zij gezonden worden om te evangeliseren, zullen zij Jezus moeten “vergezellen” Vgl. Mc. 3, 14 , en met Hem een persoonlijke relatie moeten opbouwen. Op deze basis zal de evangelisatie niets anders zijn dan de verkondiging van wat ervaren is, en een uitnodiging om binnen te gaan in het mysterie van de gemeenschap, de communio met Christus Vgl. 1 Joh. 1, 3 .

Naar wie zullen de Apostelen worden gezonden? In het Evangelie lijkt Jezus hun zending te beperken tot alleen Israël: “Ik ben alleen maar tot de verloren schapen van het huis van Israël gezonden” (Mt. 15, 24). Op analoge manier lijkt hij de zending te omschrijven die de apostelen wordt toevertrouwd:

Deze twaalf zond Jezus uit met de opdracht: ‘Begeeft u niet onder de heidenen en gaat niet binnen in een stad van de Samaritanen; gij moet veeleer gaan naar de verloren schapen van het huis van Israël’” (Mt. 10, 5-6).

Een bepaalde moderne, rationalistisch geïnspireerde kritiek heeft in deze uitdrukkingen een gebrek aan universeel bewustzijn willen zien van de Nazoreeër. Maar in werkelijkheid moeten zij worden verstaan in het licht van zijn relatie met Israël als de gemeenschap van het Verbond. Volgens de messiaanse verwachting zouden de goddelijke beloften hun vervulling hebben bereikt wanneer God zelf, door middel van zijn Uitverkorene, zijn volk zou hebben verzameld zoals een herder met zijn kudde doet:

Ik kom mijn schapen te hulp opdat ze niet langer verdrukt worden (...) Dan zal Ik over hen een herder aanstellen die hen weiden zal: mijn dienaar David. Die zal ze weiden, die zal hun herder zijn. Ik, de Heer, zal hun God zijn, en mijn dienaar David hun vorst” (Ez. 34, 22-24).

Jezus is de eschatologische herder, die de verloren schapen van het huis van Israël verzamelt en naar hen op zoek gaat, omdat Hij ze kent en ze bemint Vgl. Lc. 15, 4-7. vgl. ook de gestalte van de goede herder in Joh. 10, 11 e.v. Vgl. Mt. 18, 12-14. vgl. ook de gestalte van de goede herder in Joh. 10, 11 e.v. . In dit “bijeenbrengen” kondigt zich voor alle volkeren het Rijk Gods aan: “Onder alle volken zal ik mijn heerlijkheid tonen, en alle volken zullen de gerechtigheid zien die ik voltrek en de hand die ik op u gelegd heb” (Ez. 39, 21) In de Willibrord vertaling: “Zo zal Ik mijn heerlijkheid tonen aan de volkeren. Ze zullen allen de straf (het vonnis: Willibrordvertaling 1995) voelen die Ik aan hen voltrek, en mijn machtige hand die op hen drukt.

Zo zullen de Twaalf, aangenomen om te delen in de eigen zending van Jezus, meewerken met de Herder van de eindtijd, doordat ook zij op de eerste plaats op zoek gaan naar de verloren schapen van het huis van Israël, dat wil zeggen door zich te richten tot het volk van de belofte, waarvan het bijeengebracht worden teken van heil is voor alle volken. Verre van in tegenspraak te zijn met een universele openheid van het messiaanse handelen van de Nazoreeër, vormt de aanvankelijke beperking tot Israël van zijn zending en die van de Twaalf er juist het meest werkzame teken van. Na het lijden en de verrijzenis van Christus zal dat teken duidelijk worden: dan zal het universele karakter van de zending van de Apostelen expliciet worden. Christus zal de Apostelen uitzenden “over de hele wereld” (Mc. 16, 15), naar “alle volkeren” (Mt. 28, 19)(Lc. 24, 47), “tot het uiteinde der aarde” (Hand. 1, 8).

Document

Naam: DE APOSTELEN, GETUIGEN EN GEZONDENEN VAN CHRISTUS
(2e catechese in deze reeks)
Soort: Paus Benedictus XVI - Audiëntie
Auteur: Paus Benedictus XVI
Datum: 22 maart 2006
Copyrights: © 2006, Libreria Editrice Vaticana
Vert.:Past. Chr. van Buijtenen, pr. (Nummering van de vertaler)
Bewerkt: 29 november 2017

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
 
|
Pagina delen: 
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam