• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
De in de Kerk geldende overtuiging, dat de herders van de kudde des Heren de afzonderlijke gelovigen door de toepassing van de verdiensten van Christus en de heiligen kunnen bevrijden van de overblijfselen van de zonde, heeft geleidelijk aan in de loop der eeuwen onder inspiratie van de Heilige Geest, die het volk Gods zonder ophouden bezielt, de aflatenpraktijk ingevoerd, waarop er in de leer zelf en in de tucht van de Kerk een vooruitgang, geen verandering Vgl. H. Vincentius de LĂ©rins, Commonitorium primum. 23 (PL 50, 667-668) is ontstaan en vanuit de openbaring als grondslag een nieuw goed is ingebracht tot nut van de gelovigen en van heel de Kerk.

De aflatenpraktijk nu, die zich geleidelijk aan heeft uitgebreid, is vooral toen in de historie van de Kerk als een opvallend feit naar voren gekomen, toen de pausen beslisten, dat sommige werken, passend bij het algemene welzijn van de Kerk, "beschouwd moesten worden als vervanging van iedere boete Vgl. Concilie van Clermont, Canones, 2. can. 2: (Mansi, SS Conciliorum collectio, 20, 816) "Een ieder die uitsluitend uit devotie, niet uit eer- of winstbejag, naar Jeruzalem is gegaan om Gods kerk te bevrijden, moet die reis als een volledige boetedoening worden aangerekend" en aan de gelovigen "die werkelijk berouw hadden en hun zonden hadden beleden" en die deze werken volbrachten "door de barmhartigheid van de almachtige God en vertrouwend op de verdiensten en het gezag van zijn apostelen", "uit de volheid van hun apostolische gezag", "niet alleen een volledige denkbare vergeving van al hun zonden" verlenen. Paus Bonifatius VIII, Bul, Antiquorum habet fida relatio (22 feb 1300), 1

Want de "eniggeboren Zoon van God heeft voor de strijdende Kerk een schat verworven. Deze schat nu heeft Hij via de heilige Petrus, sleuteldrager van de hemel, en diens opvolgers, zijn plaatsvervangers op aarde geschonken om ze aan de gelovigen tot hun heil uit te delen en ze om geëigende en aanvaardbare redenen nu eens voor een algehele, dan weer voor een gedeeltelijke kwijtschelding van de tijdelijke straf, die voor de zonden verschuldigd is, zowel algemeen als in bijzondere gevallen (in die mate waarin zij met God weten, dat het goed is) barmhartig toe te passen op hen die werkelijk berouwvol hun zonden hebben beleden. Dat tot de toeneming van deze schat de verdiensten van de heilige Moeder van God en van alle uitverkorenen een bijdrage leveren, is iedereen bekend". Vgl. Paus Clemens VI, Bul, Unigenitus Dei Filius (27 jan 1343), 5-7

De Kerk echter nodigt ook heden ten dage al haar kinderen uit om te overwegen en in ogenschouw te nemen, hoezeer de aflatenpraktijk bijdraagt tot een krachtiger leven van ieder afzonderlijk, ja zelfs van heel de christengemeenschap.

Om heel kort het voornaamste in herinnering te roepen, leert dit heilzame gebruik op de eerste plaats: "dat het kwaad en bitter is God, de Heer, te hebben verlaten". (Jer. 2, 19) Want wanneer de gelovigen aflaten verdienen, begrijpen zij, dat zij niet door eigen krachten het kwaad uit kunnen boeten dat zij door hun zonde zelf, ja zelfs heel de gemeenschap hebben toegebracht, en dus worden zij opgewekt tot een heilzame nederigheid.

Vervolgens leert de aflatenpraktijk, hoezeer wij door een intieme band onder elkaar met Christus verbonden zijn en hoeveel het bovennatuurlijk leven van ieder afzonderlijk bij kan dragen tot anderen, zodat ook zij gemakkelijker en nauwer met de Vader verenigd kunnen worden. De aflatenpraktijk spoort dus op doeltreffende wijze aan tot liefde, en beoefent deze op uitnemende wijze, als aan de broeders, die in Christus ontslapen zijn, hulp geboden wordt.

Eveneens wekt de aflatenpraktijk op tot vertrouwen en hoop op een volledige verzoening met God de Vader; dit bewerkt ze echter zo, dat ze geen aanleiding geeft tot verwaarlozing van wat dan ook en op geen enkele wijze de toeleg op een goede gesteltenis, welke vereist is voor een volledige gemeenschap met God, laat verslappen. Immers, de aflaten worden, ofschoon zij om niet gegeven weldaden zijn, toch zowel voor levenden als voor overledenen slechts verleend na vervulling van bepaalde voorwaarden, omdat ter verkrijging daarvan vereist is van de ene kant, dat de voorgeschreven goede werken vervuld zijn, van de andere kant, dat de gelovige de vereiste gesteltenissen bezit: namelijk dat hij God liefheeft, de zonden verafschuwt, gelovig vertrouwen heeft op de verdiensten van Christus de Heer en vast gelooft, dat de gemeenschap der heiligen voor hem van groot belang is.

Ook mag men niet uit het oog verliezen, dat de gelovigen zich door het verdienen van aflaten gewillig onderwerpen aan de wettige herders van de Kerk en met name aan de opvolger van de heilige Petrus, de sleuteldrager van de hemel, omdat de Zaligmaker zelf hun heeft opgedragen om zijn Kerk te weiden en te leiden.

Het heilzame instituut van de aflaten draagt er dus op zijn eigen wijze toe bij, dat de Kerk zonder vlek of rimpel, maar heilig en onbesmet Vgl. Ef. 5, 27 aan Christus wordt aangeboden, op wonderbaarlijke wijze in Christus één door een bovennatuurlijke liefdesband. Met behulp van de aflaten immers worden de leden van de lijdende Kerk des te sneller gevoegd bij de hemelse Kerk, door diezelfde aflaten wordt het rijk van Christus steeds meer en vlugger hersteld,"totdat wij allen tezamen geraken tot de eenheid in het geloof en de kennis van Gods Zoon, tot de volmaakte Man, tot de gehele omvang van de Volheid van de Christus". (Ef. 4, 13)

Steunend dus op deze waarheden, wil onze moeder de heilige Kerk, wanneer zij opnieuw het gebruik van de aflaten aan de gelovigen aanbeveelt als een gebruik dat in de loop van vele eeuwen en ook in de huidige tijd zeer dienstig is voor het christenvolk, zoals de ervaring bewijst, helemaal niets afdoen aan andere middelen van heiliging en reiniging, vooral het heilig misoffer en de sacramenten, met name het boetesacrament, vervolgens de talrijke hulpmiddelen die in één woord sacramentalia worden genoemd, en tenslotte de werken van vroomheid, liefde en boetvaardigheid. Al deze hulpmiddelen hebben dit gemeen, dat zij des te krachtiger de heiliging en zuivering bewerken, naarmate iemand nauwer met Christus, het Hoofd, en met het lichaam, de Kerk, door de liefde verbonden is. De bevoorrechte plaats van de liefde in het leven van christenen wordt ook door de aflaten bevestigd. Want aflaten kunnen niet worden verdiend zonder een oprechte metanoia en gemeenschap met God, waar de vervulling van de voorgeschreven werken nog bij komt. De orde van de liefde wordt dus gehandhaafd en daarin wordt de vergeving van de zondestraffen door de uitdeling uit de schat van de Kerk opgenomen.

Terwijl de Kerk haar gelovigen aanspoort om de heilige overleveringen van de vaders niet los te laten of gering te schatten, maar deze gelovig te aanvaarden als een kostbare schat van het katholieke gezin en zich door die tradities te laten leiden, laat zij toch toe, dat een ieder - met de onaantastbare en rechtmatige vrijheid van de kinderen Gods - van deze middelen tot heiliging en zuivering gebruik maakt; maar zij roept altijd weer bij hen in herinnering, wat voor de verwerving van het heil voorgehouden moet worden als noodzakelijk of beter of doeltreffender. Vgl. H. Thomas van Aquino, In libros Sententiarum. dist 20, q. 1, a. 3, q. 1a, 2, ad 2 Vgl. H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae. Suppl. q. 25, a. 2, ad 2): "... ofschoon deze aflaten bijzonder heilzaam zijn met betrekking tot de kwijtschelding van straf, toch zijn andere boetewerken verdienstelijker met het oog op de wezenlijke beloning; deze is oneindig beter dan kwijtschelding van tijdelijke straf".

Om nu de aflatenpraktijk zelf tot grotere waardigheid en achting te brengen, heeft onze moeder de heilige Kerk het nuttig geoordeeld iets te vernieuwen in de praktijk daarvan en heeft zij besloten om nieuwe normen te geven.

Document

Naam: INDULGENTIARUM DOCTRINA
Over de herziening van de aflatenpraktijk
Soort: H. Paus Paulus VI - Apostolische Constitutie
Auteur: H. Paus Paulus VI
Datum: 1 januari 1967
Copyrights: © 1967, Katholiek Archief jrg 22 (1967) p. 210 e.v.,
AAS, 59 (1967) pp. 5 e.v.
Bewerkt: 7 november 2019

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2020, Stg. InterKerk, Schiedam