• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

Paulus, Bisschop,

dienaar der dienaren Gods
ter blijvende herinnering.

De leer en de praktijk van de aflaten, die in de katholieke Kerk reeds vele eeuwen van kracht zijn, steunen op de goddelijke openbaring als op een hecht fundament; Vgl. Concilie van Trente, 25e Zitting - Decreet over aflaten, Sessio XXV - Decretum de indulgentiis (4 dec 1563), 1. "Omdat de macht om aflaten te verlenen door Christus aan de Kerk geschonken is en omdat de Kerk van deze macht, die haar van Godswege is overgedragen, reeds in de allervroegste tijden gebruik heeft gemaakt." Vgl. Mt. 28, 18 op de openbaring die, door de apostelen overgeleverd, "onder bijstand van de Heilige Geest in de Kerk vorderingen maakt", terwijl "de Kerk in de loop der eeuwen onafgebroken streeft naar de volheid van de goddelijke waarheid, totdat in haar Gods woorden in vervulling gaan". Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Goddelijke openbaring, Dei Verbum (18 nov 1965), 8 Vgl. 1e Vaticaans Concilie, 3e Zitting - Dogmatische Constitutie over het Katholieke Geloof, Dei Filius (24 apr 1870), 22

Maar voor een goed begrip van deze leer en van deze heilzame praktijk moeten wij enkele waarheden in herinnering roepen die de universele Kerk, verlicht door Gods woord, altijd heeft geloofd en die de bisschoppen als opvolgers van de apostelen, en vooral de pausen als opvolgers van de heilige Petrus, ofwel door de pastorale praktijk ofwel door doctrinaire documenten steeds hebben voorgehouden en nog voorhouden.

Zoals de goddelijke openbaring ons leert, volgen op de zonden de straffen, die door Gods heiligheid zijn opgelegd en die ofwel in deze wereld door het verdriet, de pijn en de ellende van dit leven en vooral door de dood Vgl. Gen. 3, 16-19. "En tot de vrouw heeft Hij gezegd: 'Zeer zwaar zal ik maken de lasten van uw zwangerschap: met pijn zult gij kinderen baren. Naar uw man zal uw begeerte uitgaan, hoewel hij over u heerst.' En tot de man heeft Hij gezegd: 'Omdat gij hebt geluisterd naar uw vrouw en hebt gegeten van de boom die Ik u had verboden, zal de grond vervloekt zijn omwille van u! Zwoegend zult gij van hem eten, alle dagen van uw leven. Distels en doornen zal hij voortbrengen, met veldgewas moet gij u voeden. In het zweet zult ge werken voor uw brood, tot gij terugkeert naar de grond, waaruit gij zijt genomen: gij zijt stof, en tot stof keert gij terug.' Vgl. Lc. 19, 41-44 Vgl. Rom. 2, 9 Vgl. 1 Kor. 11, 30 Vgl. H. Augustinus, Enarrationes in Psalmos. LVIII 1, 13: "Iedere zonde, of ze nu groot is of klein, moet noodzakelijk worden gestraft, ofwel door de boeteling zelf, ofwel door de straffende God" (CCL 39, p. 739; PL 36, 701) Vgl. H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae. 1-2, q. 87, a.1: "Omdat nu de zonde een ongeordende daad is, is het duidelijk, dat ieder die zondigt tegen een of andere orde ingaat. En uit die orde zelf volgt dus, dat zij omlaaggehaald wordt. Dit omlaaghalen nu is de straf". moeten worden uitgeboet of ook door het vuur en de kwellingen of de zuivere straffen in het toekomstig leven. Vgl. Mt. 25, 41-42. En tot die aan zijn linkerhand zal Hij dan zeggen: "Gaat weg van Mij, vervloekten, in het eeuwig vuur dat bereid is voor de duivel en zijn trawanten. Want Ik had honger en gij hebt Mij niet te eten gegeven. Ik had dorst en gij hebt Mij niet te drinken gegeven Vgl. Mc. 9, 42-43 Vgl. Joh. 5, 28-29 Vgl. Rom. 2, 9 Vgl. Gal. 6, 6-8 Vgl. 2e Concilie van Lyon, 4e Zitting - Geloofsbelijdenis van Keizer Michael Palaiologos, Sessio IV - Professio fidei Michaelis Palaeologi (6 juli 1274), 6-8 Vgl. Concilie van Florence, Bul, Sessio VI - 6e Zitting: Over de eenheid met de Grieken, Laetentur caeli - Decretum pro Graecis (6 juli 1439), 4-6 Vgl. H. Augustinus, Enchiridion ad Laurentium de fide et spe et caritate. 66, 17: "Het schijnt, dat ook hier veel vergeven en door geen enkele straf gewroken wordt; maar de straffen daarvoor worden bewaard voor later. Niet voor niets immers wordt die dag eigenlijk oordeelsdag genoemd, wanneer de Rechter over levenden en doden zal komen. Zoals omgekeerd hier heel wat gestraft wordt, en toch, als het vergeven wordt, in de toekomstige wereld stellig niet zal schaden. Daarom zegt de apostel over sommige tijdelijke straffen die in dit leven de zondaars worden opgelegd, dat zij niet tot het einde worden bewaard voor hen wier zonden worden uitgewist (1 Kor. 11, 31-32): "Als wij onszelf beoordelen, zouden wij niet onder dit oordeel vallen. Maar nu worden wij door het oordeel van de Heer getuchtigd, opdat wij niet samen met de wereld worden veroordeeld". (Uitg. Scheel, Tübingen 1930, p. 42; PL 40, 263). De christengelovigen waren er daarom altijd van overtuigd, dat er vele obstakels zijn op de slechte weg en dat deze weg ruw, doornig en schadelijk is voor hen die haar bewandelen. Vgl. Apostolische Vader, De Herder van Hermas, Hermae Pastor. Mand. 6, 1, 3 (Funk, Patres Apostolici 1, p. 487).

Deze straffen worden door de rechtvaardige en barmhartige God opgelegd om de zielen te zuiveren en de heiligheid van de morele orde te beschermen en om de glorie van God in zijn volle heerlijkheid te herstellen. Want iedere zonde brengt een verstoring van de universele orde mee, die God in zijn onuitsprekelijke wijsheid en oneindige goedheid heeft beschikt, en een vernietiging van aanzienlijke goederen zowel met betrekking tot de zondaar zelf als tot de mensengemeenschap. Het stond de christenen van alle tijden echter duidelijk voor de geest, dat de zonde niet enkel een overtreding is van de goddelijke wet, maar bovenal, zij het niet steeds direct en openlijk, een minachting of veronachtzaming van de persoonlijke vriendschap tussen God en mens Vgl. Jes. 1, 2-3. "Hoort hemelen! luister, aarde! want Jahwe neemt het woord. Ik heb zonen grootgebracht en opgevoed, maar zij zijn tegen Mij in opstand gekomen. Een os kent zijn eigenaar, een ezel de krib van zijn meester; maar Israël weet van niets, mijn volk heeft geen begrip". Vgl. Deut. 8, 11 Vgl. Deut. 32, 15 e.v. Vgl. Jer. 33, 8 Vgl. Ez. 20, 27. Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Goddelijke openbaring, Dei Verbum (18 nov 1965), 2. "Door deze openbaring spreekt dus de onzichtbare God (vgl. Kol. 1, 15; 1 Tim. 1, 17) uit de overvloed van zijn liefde, de mensen aan als zijn vrienden (vgl. Ex. 33, 11; Joh. 15, 14-15) en gaat met hen om (vgl. Bar. 3, 38), om hen uit te nodigen tot de gemeenschap met Hem en hen daar in op te nemen". Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Goddelijke openbaring, Dei Verbum (18 nov 1965), 21 en een werkelijke en nooit genoeg te schatten belediging van God, ja zelfs een ondankbare versmading van de liefde Gods, ons in Christus aangeboden, toen Christus zijn leerlingen niet zijn dienstknechten, maar zijn vrienden heeft genoemd. Vgl. Joh. 15, 14-15 Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 22 Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over de missie-activiteit van de Kerk, Ad Gentes Divinitus (7 dec 1965), 13

Voor een volledige vergeving en een volledig herstel van de zonden, zoals dat heet, is dus niet alleen noodzakelijk, dat door een oprechte bekering de vriendschap met God wordt hersteld en de beledigingen, Zijn wijsheid en goedheid aangedaan, worden uitgeboet, maar ook dat al het goede, zowel persoonlijke als sociale als dat wat de universele orde aangaat en dat door de zonde verminderd of tenietgedaan is, volledig wordt hersteld ofwel door een vrijwillig herstel, dat niet zonder pijnlijke moeite zal zijn, ofwel door het verdragen van de straffen, die door de gerechte en allerheiligste wijsheid van God zijn vastgesteld en waardoor in heel de wereld de heiligheid en het aanzien van Gods glorie duidelijk aan het licht treden. Vanuit het bestaan en de ernst van de straffen nu onderkent men de dwaasheid en boosheid van de zonde, en de slechte gevolgen daarvan.

Dat er echter uit te boeten straffen of zonderesten ter uitzuivering kunnen blijven en inderdaad feitelijk dikwijls blijven, ook nadat de schuld reeds vergeven is, Vgl. Num. 20, 12. : "Maar Jahwe zei tot Mozes en Aäron: 'Uw vertrouwen op Mij is niet zo groot geweest, dat gij tegenover de Israëlieten mijn heiligheid hebt hooggehouden. Daarom zult gij deze gemeente niet binnenleiden in het land, dat Ik hun gegeven heb.'" Vgl. Num. 27, 13-14. : "Wanneer gij het aanschouwd hebt, zult gij met uw voorvaderen verenigd worden, evenals uw broer Aäron. Bij de opstand van de gemeenschap in de woestijn Sin, toen het om water ging, hebt gij u immers tegen mijn bevel verzet en tegenover hen mijn heiligheid niet hoog gehouden.'" Bedoeld is het water van Meribat-kades in de woestijn Sin. Vgl. 2 Sam. 12, 13-14. : "Toen zei David tot Natan: 'Ik heb tegen Jahwe gezondigd.' Natan antwoordde: 'Dan heeft Jahwe u deze zonde vergeven: u zult niet sterven. Maar omdat u door deze daad de vijanden van Jahwe reden tot lasteren heeft gegeven, zal wel het kind dat u geboren is moeten sterven.'" Vgl. Paus Innocentius IV, Instructie, Instructio pro Graecis (6 mrt 1254), 8 Vgl. Concilie van Trente, 6. Zitting - Decreet over de rechtvaardiging, Sessio VI - Decretum de iustificatione (13 jan 1547), 60. "Als iemand zegt, dat na het ontvangen van de genade der rechtvaardigheid aan iedere zondaar die boete doet de schuld zo vergeven wordt en dat de schuld van de eeuwige straf zo wordt uitgewist, dat er geen enkele schuld van tijdelijke straf overblijft, ofwel te voldoen in deze wereld ofwel in de toekomstige in het vagevuur alvorens de toegang tot het rijk der hemelen kan staan: anathema sit." Vgl. Concilie van Trente, 14e Zitting - De leer over het Sacrament van de Biecht, Sessio XIV - Doctrina de sacramento poenitentiae (25 nov 1551), 23.27 Vgl. H. Augustinus, In Iohannis Evangelium Tractatus. 124.5: "De mens wordt gedwongen (dit leven) te dragen ook na vergeving van de zonden; ofschoon de oorzaak van het feit dat hij in die ellende terechtkwam op de allereerste plaats de zonde is geweest. De straf immers strekt zich verder uit dan de schuld, opdat de schuld niet gering geschat zou worden, als zou met haar ook de straf een einde nemen. En daarom houdt de straf de mens tijdelijk nog gevangen ofwel ten bewijze van de noodzakelijke ellende ofwel ter verbetering van dit wankele leven ofwel ter beoefening van de vereiste boetvaardigheid, ook als hij die schuldig was aan de eeuwige verdoeming niet meer door de schuld gebonden is" (CCL 36, p. 683-684; PL 35, 1972-1973). wordt helder naar voren gebracht in de leer over het vagevuur: want hierin worden na de dood de zielen van de overledenen die "met een echt berouw in de liefde van God zijn heengegaan, alvorens zij door waardige vruchten van boetvaardigheid voldoening over de bedreven zonden of nalatigheid hebben gegeven", 2e Concilie van Lyon, 4e Zitting - Geloofsbelijdenis van Keizer Michael Palaiologos, Sessio IV - Professio fidei Michaelis Palaeologi (6 juli 1274), 6 door de reinigende straffen gezuiverd. Ditzelfde wordt ook voldoende aangetoond door de christengemeenschap, welke tot de heilige eucharistie was toegelaten, wanneer zij bad, "dat wij die terecht voor onze zonden worden gekastijd, omwille van de luister van Uw naam barmhartig bevrijd worden. Vgl. zondag Septuagesima, gebed: "Verhoor, vragen wij, Heer, genadig de gebeden van uw volk, opdat wij, die terecht voor onze zonden worden gekastijd, omwille van de luister van Uw naam barmhartig bevrijd worden." Vgl. maandag na de eerste zondag van de vasten, gebed over het volk: "Verbreek, vragen wij, Heer de boeien van onze zonden; en wend van ons af, wat wij daarvoor verdienen." Vgl. derde zondag van de vasten: postcommunie: "Verlos ons, Heer, zo vragen wij, genadig van alle schulden en gevaren; Gij, die ons aan zulk een groot geheim deelachtig laat zijn."

Alle mensen echter, die als pelgrims in deze wereld vertoeven, bedrijven minstens kleine of, zoals men dat noemt, dagelijkse zonden: Vgl. Jak.3,2. Want wij allen struikelen vele malen. Vgl. 1 Joh. 1, 8. Als wij zeggen, dat wij geen zonde hebben, misleiden wij onszelf en is waarheid niet in ons. Vgl. 15e (en 16e) Synode van Carthago, Erfzonde en genade (1 mei 418), 7. Deze tekst van 1 Joh. 1, 8 wordt door het Concilie van Carthago als volgt becommentarieert: "Evenzo heeft bijval gevonden wat de heilige apostel Johannes zegt: Als wij zeggen, dat wij geen zonde hebben, misleiden wij onszelf en is de waarheid niet in ons: als iemand dit zo meent te moeten verstaan, dat hij omwille van de nederigheid meent te moeten zeggen, dat wij zondig zijn, niet omdat het werkelijk zo is: anathema sit. Vgl. Concilie van Trente, 6. Zitting - Decreet over de rechtvaardiging, Sessio VI - Decretum de iustificatione (13 jan 1547), 17 Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 40 zodat allen de barmhartigheid van God nodig hebben om van de straffen die op de zonden volgen te worden bevrijd.

Document

Naam: INDULGENTIARUM DOCTRINA
Over de herziening van de aflatenpraktijk
Soort: H. Paus Paulus VI - Apostolische Constitutie
Auteur: H. Paus Paulus VI
Datum: 1 januari 1967
Copyrights: © 1967, Katholiek Archief jrg 22 (1967) p. 210 e.v.,
AAS, 59 (1967) pp. 5 e.v.
Bewerkt: 7 november 2019

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2020, Stg. InterKerk, Schiedam