• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

De Buitengewone Vergadering van de Bisschoppensynode in 1985 heeft in de "kerkleer van de communio" de centrale en fundamentele idee van de documenten van het Tweede Vaticaans Concilie gezien. Vgl. Bisschoppensynodes, In Gods Woord viert de Kerk de mysteries van Christus voor het heil van de wereld - Eindrapport van de 2e Buitengewone Bisschoppensynode: 20 jaar na de sluiting van het Tweede Vaticaans Concilie, Ecclesia sub Verbo Dei mysteria Christi celebrans pro salute mundi (7 dec 1985), 18 Tijdens haar pelgrimstocht over de aarde, wordt de Kerk ertoe geroepen evenzeer de communio met de Drie-ene God te behouden en te koesteren, als de gemeenschap onder de gelovigen. Te dien einde beschikt zij over het Woord en over de Sacramenten, vooral de Eucharistie, waardoor zij "onophoudelijk leeft en groeit," 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 26 en waarin zij tegelijkertijd zichzelf uitdrukt. Het is niet toevallig dat het begrip communie een van de specifieke namen van dit verheven Sacrament is geworden.

Van alle Sacramenten bekleedt de Eucharistie dus de eerste plaats, doordat zij de gemeenschap met God de Vader door middel van de vereenzelviging met de ééngeboren Zoon door de werking van de heilige Geest tot volmaaktheid brengt. Met de scherpzinnigheid van het geloof verwoordde een belangrijke schrijver uit de Byzantijnse traditie deze waarheid: in de Eucharistie "is - vóór elk ander Sacrament - het mysterie (van de gemeenschap) zo volmaakt, dat het tot het hoogtepunt van alle goederen leidt; hier ligt het hoogste doel van iedere menselijke streving, aangezien wij hier God bereiken en God zich hier met ons in de volmaaktste eenheid verbindt". H. Nicolas Cabasilas, Leven in Christus, De vita in Christo. IV, 10, in: SCh 355, 270 Precies om deze reden is het goed om in onze harten een voortdurend verlangen naar het sacrament van de Eucharistie te koesteren. Dit was de oorsprong van de praktijk van de 'geestelijke communie', die zich sinds eeuwen gelukkigerwijs heeft gevestigd in de Kerk en is aanbevolen door heiligen die meesters van het geestelijk leven waren. De heilige Teresia van Jezus schreef: "Wanneer je de Communie niet ontvangt en niet de Mis bijwoont, kun je geestelijk communiceren. Deze oefening houdt veel voordelen in; zo zullen jullie een diepe liefde voor onze Heer in je prenten." H. Teresia van Avila, Weg van de volmaaktheid, Camino de perfección. 35

De viering van de Eucharistie kan echter niet het beginpunt zijn van gemeenschap; het vooronderstelt dat de gemeenschap reeds bestaat, een gemeenschap die zij zoekt te bestendigen en tot volmaaktheid te brengen. Het sacrament is een uitdrukking van die gemeenschapsband zowel in zijn onzichtbare dimensie die ons in Christus door de werking van de heilige Geest met de Vader en onderling verbindt, als in de zichtbare dimensie die de gemeenschap in de leer van de apostelen, in de sacramenten en in de hiërarchische orde betreft. De innige relatie die er bestaat tussen de onzichtbare elementen en de zichtbare elementen van de kerkelijke gemeenschap bouwt als het ware de Kerk op als sacrament van het heil. Vgl. Congregatie voor de Geloofsleer, Brief aan de Bisschoppen van de Katholieke Kerk over enkele aspecten van de Kerk als Communio., Communionis notio (28 mei 1992), 4 Alleen in deze samenhang kan er een geldige viering van de Eucharistie zijn, en een echte deelneming daaraan. Daaruit volgt dat het een intrinsiek vereiste van de Eucharistie is dat zij gevierd wordt in communio en wel zó dat de verschillende banden van die gemeenschap intact blijven.

De onzichtbare communio die volgens haar natuur steeds groeit, vooronderstelt het leven van de genade, waardoor men "deel aan Gods eigen wezen" (2 Pt. 1, 4) krijgt, evenals de praktijk van de deugden van geloof, hoop en liefde. Alleen zo hebben wij waarachtig gemeenschap met de Vader, de Zoon en de heilige Geest. Het geloof volstaat niet; we moeten volharden in de heiligmakende genade en in de liefde, terwijl we zowel 'lichamelijk' als 'in ons hart' binnen de Kerk blijven Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 14; wat vereist wordt, in de woorden van de heilige Paulus, is "het geloof dat door de liefde werkzaam is" (Gal. 5, 6).

Deze onzichtbare banden intact laten is een specifieke morele plicht voor de christen die volledig wil deelnemen aan de Eucharistie door het lichaam en het bloed van Christus te ontvangen. Tot deze plicht roept de apostel Paulus de gelovige op met de aansporing: "Iedereen moet zichzelf onderzoeken alvorens van het brood te eten en uit de beker te drinken" (1 Kor. 11, 28). De heilige Johannes Chrysostomus vermaant met de kracht van zijn welsprekendheid de gelovigen: "Ook ik verhef mijn stem, smeek, vraag en bezweer jullie om niet te naderen tot deze heilige tafel met een bevlekt en verdorven geweten. Een dergelijke toenadering zal men echt nooit communie kunnen noemen, ook wanneer wij duizend keer het lichaam van de Heer aanraken, maar verdoemenis, pijn en vermeerdering van de straffen." H. Johannes Chrysostomos, Homiliae in Isaiam. 6, 3, in: PG 56, 139

Langs deze zelfde lijnen stelt de Catechismus-Compendium
Catechismus van de Katholieke Kerk
(15 augustus 1997)
terecht vast dat "Hij die zich van een zware zonde bewust is, het Sacrament van de Verzoening moet ontvangen voordat hij te communie gaat." Catechismus-Compendium, Catechismus van de Katholieke Kerk (15 aug 1997), 1385 Vgl. Wetboek, Codex van het Canonieke recht, Codex Iuris Canonici (25 jan 1983), 916 Vgl. Wetboek, Codex van Canoniek Recht van de Oosterse Kerken, Codex Canonum Ecclesiarum Orientalium (1 okt 1991), 711 Daarom wens ik opnieuw te beklemtonen dat in de Kerk van kracht blijft, nu en in de toekomst, de regel waarmee het Concilie van Trente concreet uitdrukking gaf aan de ernstige vermaning van de apostel Paulus toen het bevestigde dat, om de Eucharistie op waardige wijze te ontvangen, "de belijdenis van de zonden vooropgesteld moet worden, wanneer men zich bewust is van een doodzonde". H. Paus Johannes Paulus II, Toespraak, Tot de penitenciers van de vier patriarchale basilieken, Het sacrament van de verzoening vormt het christelijk geweten (30 jan 1981) Vgl. Concilie van Trente, 13e Zitting - Decreet over het Sacrament van de Eucharistie, Sessio XIII - Decretum de SS. Eucharistia (11 okt 1551), 12-13.27

De twee Sacramenten van Eucharistie en Boete en Verzoening zijn nauw met elkaar verbonden. Omdat de Eucharistie het verlossende offer van het Kruis tegenwoordig stelt en het op sacramentele wijze laat voortduren, betekent dit dat dit Sacrament voortdurend tot bekering oproept en tot een persoonlijk antwoord op de vermaning van de apostel Paulus aan de christenen van Korinte: "Wij smeken u in Christus' naam: laat u met God verzoenen" (2 Kor. 5, 20). Als het geweten van een christen wordt belast met een ernstige zonde, dan wordt de weg van boete door het sacrament van verzoening noodzakelijk voor een volledige deelname aan het eucharistisch offer.

Het oordeel over iemands staat van genade komt uiteraard alleen de betrokkene toe, aangezien het een zaak is van het onderzoeken van het eigen geweten. Niettemin kan de Kerk, in zaken van uitwendig gedrag, die ernstig, duidelijk en hardnekkig ingaan tegen de zedelijke norm, in haar pastorale zorg voor een goede orde van de gemeenschap, en uit eerbied voor het Sacrament, niet anders dan zich direct betrokken voelen. Het Wetboek
Codex Iuris Canonici
Codex van het Canonieke recht
(25 januari 1983)
verwijst naar deze situatie van duidelijk gebrek aan een gepaste zedelijke gesteldheid, wanneer het verklaart dat zij die "halsstarrig volharden in een zware zonde die bekend is" niet mogen worden toegelaten tot de eucharistische communie. Wetboek, Codex van het Canonieke recht, Codex Iuris Canonici (25 jan 1983), 915 Wetboek, Codex van Canoniek Recht van de Oosterse Kerken, Codex Canonum Ecclesiarum Orientalium (1 okt 1991), 712

De kerkelijke communio, waaraan ik reeds herinnerd heb, is ook zichtbaar, en vindt haar uitdrukking in de banden die door hetzelfde Concilie worden opgenoemd wanneer het leert: "Volledig in de kerkelijke gemeenschap ingelijfd, zijn degenen die, met de Geest van Christus begiftigd, haar gehele organisatie en al haar ingestelde heilsmiddelen aanvaarden en tevens in haar zichtbare organisatie met Christus, die haar door de opperherder en de bisschoppen bestuurt, verbonden blijven: dit zijn immers de banden van de geloofsbelijdenis, de sacramenten, het kerkelijk bestuur en de gemeenschap." Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 14

Aangezien de Eucharistie de hoogste sacramentele manifestatie is van de communio in de Kerk, dient zij ook te worden gevierd in een context van eerbied voor de uitwendige gemeenschapsbanden. Op een bijzondere manier is zij "het hoogtepunt van het geestelijke leven en het doel van alle sacramenten" H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae. III, q. 73, a. 3c; vandaar dat vereist is dat de gemeenschapsbanden in de Sacramenten, in het bijzonder in het Doopsel en in de Priesterwijding, echt zijn. Het is niet mogelijk om de communie te geven aan iemand die niet gedoopt is of aan iemand die de volle geloofswaarheid met betrekking tot het eucharistische mysterie verwerpt. Christus is de waarheid en Hij getuigt van de waarheid Vgl. Joh. 14, 6 Vgl. Joh. 18, 37 ; het Sacrament van zijn lichaam en bloed duldt geen valse voorspiegelingen.

Daarenboven moet vanwege het eigen karakter van de kerkelijke gemeenschap en van de verhouding die het sacrament van de Eucharistie met haar heeft, eraan herinnerd worden dat "het eucharistische offer, dat altijd wordt opgedragen in een particuliere gemeenschap, nooit alleen het vieren van die gemeenschap is. De gemeenschap ontvangt de eucharistische aanwezigheid van de Heer en daarmee de volledige gave van de verlossing en is - zelfs in de blijvend zichtbare en particuliere vorm - het beeld en de ware aanwezigheid van de ene, heilige, katholieke en apostolische Kerk". Vgl. Congregatie voor de Geloofsleer, Brief aan de Bisschoppen van de Katholieke Kerk over enkele aspecten van de Kerk als Communio., Communionis notio (28 mei 1992), 11 Hieruit volgt dat een echt eucharistische gemeenschap niet in zichzelf besloten kan zijn, alsof zij in enigerlei vorm zichzelf voldoende zou zijn; veeleer moet zij blijvend in harmonie zijn met elke andere katholieke gemeenschap.

De kerkelijke gemeenschap van de eucharistische samenkomst is een gemeenschap met haar eigen bisschop en met de Paus, de bisschop van Rome. De bisschop is uiteindelijk het zichtbare beginsel en het fundament van de eenheid in zijn particuliere Kerk. Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 23 Het zou dus volkomen onlogisch zijn dat het sacrament van de eenheid bij uitstek gevierd zou worden zonder een waarachtige communio met de Kerk. De heilige Ignatius van Antiochië schreef: "Die Eucharistie mag als geldig beschouwd worden die gevierd wordt onder de bisschop of onder hem aan wie de bisschop deze opdracht heeft gegeven. H. Ignatius van Antiochië, Brief aan de Christenen van Smyrna, Epistula ad Smyrnaeos. 8, in: PG 5, 713 Evenzo is, aangezien "de paus van Rome, als opvolger van Petrus, het blijvend en zichtbaar beginsel en fundament is van de eenheid zowel van de bisschoppen als van de menigte van de gelovigen", Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 23 eenheid met hem intrinsiek vereist voor de viering van het eucharistisch offer. Daaruit komt de diepe waarheid voort die op verschillende manieren wordt uitgedrukt door de liturgie: "iedere viering van de Eucharistie vindt niet alleen plaats in eenheid met de eigen bisschop, maar ook met de paus, met alle bisschoppen, met alle geestelijken en met alle gelovigen. Iedere rechtsgeldige viering van de Eucharistie geeft uitdrukking aan de universele communio met Petrus en met de gehele Kerk of vraagt hier objectief om, zoals het geval is bij de christelijke kerken die van Rome gescheiden zijn." Vgl. Congregatie voor de Geloofsleer, Brief aan de Bisschoppen van de Katholieke Kerk over enkele aspecten van de Kerk als Communio., Communionis notio (28 mei 1992), 14

De Eucharistie schept gemeenschap en koestert gemeenschap. De heilige Paulus schreef aan de gelovigen van Korinte om uit te leggen hoe hun tegenstellingen, die in hun eucharistische bijeenkomsten zichtbaar werden, in tegenspraak waren met hetgeen zij aan het vieren waren, de maaltijd des Heren. Dus nodigde de apostel hen uit om zich te bezinnen over de ware werkelijkheid van de Eucharistie om terug te keren tot de geest van broederlijke gemeenschap. Vgl. 1 Kor. 11, 17-34 De heilige Augustinus gaf een treffende weerklank van deze oproep toen hij, na een verwijzing naar de woorden van de apostel: "U bent het lichaam van Christus, en ieder van u is van dit lichaam een onderdeel" (1 Kor. 12, 27) verder ging: "Als jullie zijn lichaam zijn en ledematen van Hem, dan zullen jullie op de tafel van de Heer jullie eigen mysterie opgesteld vinden. Ja, jullie ontvangen je eigen mysterie." H. Augustinus, Sermones. 272, in: PL 38, 1247 En op grond van deze waarneming besluit hij: "Christus de Heer ... heiligde aan deze tafel het mysterie van onze vrede en eenheid. Al wie het mysterie van de eenheid ontvangt zonder de banden van de vrede te bewaren ontvangt geen mysterie voor zijn welzijn, maar een bewijs tegen zichzelf." H. Augustinus, Sermones. 272, in: PL 38, 1248

De bijzondere doeltreffendheid van de Eucharistie voor het bevorderen van de communio is een van de redenen voor het belang van de zondagsmis. Ik heb hier al uitvoerig bij stilgestaan, en bij de andere redenen die haar van cruciaal belang maken voor het leven van de Kerk en de gelovigen, in de apostolische Brief H. Paus Johannes Paulus II - Apostolische Brief
Dies Domini
Over de heiliging van de zondag
(31 mei 1998)
over de heiliging van de zondag. Ik herinnerde er onder andere aan dat voor de gelovigen de deelname aan de Mis een verplichting is, tenzij ze ernstig belemmerd zijn. Daarom hebben de herders van hun kant de plicht, aan allen ook werkelijk de mogelijkheid te bieden om dit gebod na te komen. Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Apostolische Brief, Over de heiliging van de zondag, Dies Domini (31 mei 1998), 48-49 In de apostolische Brief H. Paus Johannes Paulus II - Apostolische Brief
Novo millennio ineunte
Een nieuw millennium
(6 januari 2001)
, waarin ik nog niet zo lang geleden de pastorale route van de Kerk aan het begin van het derde millennium heb uitgezet, wilde ik de bijzondere betekenis van de zondagse Eucharistie onderstrepen, door haar gemeenschapsvormende werking te benadrukken: "Zij is", zo schreef ik, "de plaats bij uitstek waar onderlinge eenheid steeds opnieuw verkondigd en gevoed wordt. Juist door de gezamenlijke viering van de Eucharistie wordt de dag des Heren ook tot de dag van de Kerk die aldus doeltreffend haar rol als sacrament van de eenheid kan vervullen." H. Paus Johannes Paulus II, Apostolische Brief, Een nieuw millennium, Novo millennio ineunte (6 jan 2001), 36 .

Het bewaren en bevorderen van de kerkelijke communio is een taak voor iedere gelovige, die in de Eucharistie, het sacrament van de eenheid van de Kerk, een plaats vindt om zijn bekommernis op een bijzondere manier te laten blijken. Meer concreet komt deze taak met een bijzondere verantwoordelijkheid aan de herders van de Kerk toe, ieder naar zijn positie en kerkelijke ambt. Daarom heeft de Kerk normen vastgesteld, die zowel bedoeld zijn om een veelvuldige en vruchtbare nadering van de gelovigen tot de tafel van de Heer aan te moedigen als om de objectieve voorwaarden vast te leggen, waaronder afgezien moet worden van de uitreiking van de Communie. De zorg die betoond wordt om het gelovig in acht nemen van deze normen te bevorderen wordt een praktisch middel om de liefde voor de Eucharistie en voor de Kerk te laten blijken.

Bij een beschouwing over de Eucharistie als het sacrament van kerkelijke communio is er een onderwerp dat vanwege zijn belang niet over het hoofd mag worden gezien: ik bedoel de relatie van de Eucharistie met de oecumenische activiteit. We zouden allemaal de heilige Drie-eenheid dank moeten zeggen voor de vele gelovigen over de hele wereld die in de laatste tientallen jaren een brandend verlangen voelen naar eenheid onder alle christenen. Het Tweede Vaticaans Concilie ziet dit, in het begin van zijn Decreet over de oecumene, als een bijzondere gave van God. Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over de oecumene, Unitatis Redintegratio (21 nov 1964), 1 Het was een treffende genade die ons, de zonen en dochters van de katholieke Kerk, en onze broeders en zusters van andere Kerken en Kerkelijke Gemeenschappen ertoe inspireerde om op pad te gaan op de weg van de oecumene.

Het verlangen om eenheid te bereiken brengt ons ertoe om onze blik te richten op de Eucharistie, die het sacrament bij uitstek is van de eenheid van het volk van God, daar zij er de meest volmaakte uitdrukking van is en de onvergelijkelijke bron. Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 11 In de viering van het eucharistische offer bidt de Kerk dat God, de Vader van de barmhartigheid, aan zijn kinderen de volheid van de heilige Geest mag schenken, opdat zij één lichaam en geest worden in Christus. "Verleen dat wij, die het ene brood en de ene kelk delen, onderling verenigd worden in de gemeenschap van de heilige Geest": Anaphora van de Liturgie van de heilige Basilius Wanneer zij dit gebed aanbiedt aan de Vader van het licht, van wie "elke goede gave, elk volmaakt geschenk" (Jak. 1, 17) komt, gelooft de Kerk in zijn werkzaamheid, aangezien zij bidt in vereniging met Christus haar Hoofd en Bruidegom, die het smeekgebed van zijn bruid tot het zijne maakt en het verenigt met dat van zijn verlossende offer.

Juist omdat de eenheid van de Kerk, die de Eucharistie verwezenlijkt door het offer van Christus, en door het ontvangen van het lichaam en het bloed van de Heer, absolute gemeenschap vereist die door de banden van de geloofsbelijdenis, de sacramenten en de kerkelijke leiding wordt verzekerd, is het niet mogelijk de eucharistische liturgie gezamenlijk te vieren voordat deze banden weer volledig zijn hersteld. Een dergelijke concelebratie zou geen geldig middel zijn, en zou veeleer een hindernis voor het bereiken van de volle gemeenschap kunnen blijken, aangezien zij ons gevoel voor de afstand die ons van dit doel scheidt zou verzwakken en tweeduidigheden met zich zou brengen of aanscherpen over een of andere geloofswaarheid. De weg naar de volle eenheid kan alleen in de waarheid worden afgelegd. In dit domein laten de verboden van het kerkelijk recht geen ruimte voor onzekerheid, Vgl. Wetboek, Codex van het Canonieke recht, Codex Iuris Canonici (25 jan 1983), 908 Vgl. Wetboek, Codex van Canoniek Recht van de Oosterse Kerken, Codex Canonum Ecclesiarum Orientalium (1 okt 1991), 702 Vgl. Pauselijke Raad ter bevordering vd Eenheid vd Christenen, Richtlijnen voor de toepassing van de beginselen en normen inzake de oecumenische beweging, Oecumenisch Directorium (25 mrt 1993), 122-125.129-131 Vgl. Congregatie voor de Geloofsleer, Aan de Bisschoppen van de Katholieke Kerk en andere Ordinarii en Verantwoordelijken die het aanbelangt over de meest zware delicten voorbehouden aan dezelfde Congregatie voor de Geloofsleer, Ad exsequendam - De delictis gravioribus (18 mei 2001) in trouw aan de morele norm die door het Tweede Vaticaans Concilie is vastgesteld. 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over de Oosterse Kerken, Orientalium Ecclesiarum (21 nov 1964), 26. "Deelneming aan elkaars eredienst die inbreuk maakt op de eenheid van de Kerk, of een formele instemming met dwaling of gevaar van geloofsafval, ergernis of onverschilligheid inhoudt, is door de goddelijke wet verboden"

Niettemin zou ik willen herbevestigen wat ik in mijn Encycliek H. Paus Johannes Paulus II - Encycliek
Ut Unum Sint
Over de inzet voor de oecumene
(25 mei 1995)
heb gezegd na de onmogelijkheid van wederzijdse eucharistische deelname te hebben vastgesteld: "En toch verlangen ook wij vurig samen de éne Eucharistie van de Heer te vieren; alleen al dit verlangen is een gemeenschappelijke lofzang en eenzelfde smeekbede. Samen keren wij ons tot de Vader en doen dat steeds meer 'één van hart'." H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, Over de inzet voor de oecumene, Ut Unum Sint (25 mei 1995), 45

Terwijl het nooit geoorloofd is om te concelebreren bij afwezigheid van volledige communio, is datzelfde niet waar met betrekking tot het toedienen van de Eucharistie onder bijzondere omstandigheden en jegens individuele personen die behoren tot Kerken of Kerkelijke Gemeenschappen die niet in volle gemeenschap zijn met de katholieke Kerk. In dit geval is het feitelijke doel om tegemoet te komen aan een ernstige geestelijke behoefte met het oog op het eeuwige heil van afzonderlijke gelovigen, maar niet om een intercommunie te praktiseren, die onmogelijk blijft zolang de zichtbare banden van de kerkelijke communio niet zijn bevestigd.

In deze zin heeft het Tweede Vaticaans Concilie zich uitgesproken toen het de te volgen praktijk tegenover Oosterse christenen heeft bepaald die, geheel te goeder trouw gescheiden van de katholieke Kerk levend, spontaan om het ontvangen van de Eucharistie uit handen van een katholieke gewijde ambtsdrager vragen en die daarop op de juiste wijze zijn voorbereid. 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over de Oosterse Kerken, Orientalium Ecclesiarum (21 nov 1964), 27 Deze handelwijze is vervolgens bevestigd door de beide Codices, waarin ook voorzien is, met de noodzakelijke aanpassingen, in het geval van de andere, niet-oosterse Christenen, die niet in volledige gemeenschap met de katholieke Kerk staan. Vgl. Wetboek, Codex van het Canonieke recht, Codex Iuris Canonici (25 jan 1983), 844. §§ 3-4 Vgl. Wetboek, Codex van Canoniek Recht van de Oosterse Kerken, Codex Canonum Ecclesiarum Orientalium (1 okt 1991), 671. §§ 3-4

In de Encycliek H. Paus Johannes Paulus II - Encycliek
Ut Unum Sint
Over de inzet voor de oecumene
(25 mei 1995)
heb ik zelf laten blijken hoezeer ik deze normen waardeer die het mogelijk maken met de juiste onderscheiding zorg te dragen voor het heil van de zielen: "In deze samenhang is het een reden tot vreugde dat de katholieke ambtsdragers in bepaalde bijzondere gevallen de sacramenten van Eucharistie, biecht en ziekenzalving kunnen toedienen aan andere christenen die niet in volledige communio zijn met de R.-K. Kerk, maar die vurig verlangen ze te ontvangen, uit vrije wil erom vragen, en het geloof delen dat de R.-K. Kerk in die sacramenten belijdt. Omgekeerd kunnen in bepaalde gevallen en vanwege bijzondere omstandigheden ook de katholieken zich voor deze sacramenten wenden tot de ambtsdragers van de Kerken waarin deze sacramenten geldig zijn." H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, Over de inzet voor de oecumene, Ut Unum Sint (25 mei 1995), 46

Deze voorwaarden - waarin niet gedispenseerd kan worden - moeten goed in acht worden genomen, ook al gaat het om specifieke afzonderlijke gevallen. Want de afwijzing van één of meer geloofswaarheden met betrekking tot deze sacramenten en, daaronder, de loochening van de waarheid die het voor de geldigheid ervan noodzakelijke vereiste van het gewijde priesterschap betreft, maakt dat degene die erom vraagt niet in de juiste gesteldheid is om ze rechtmatig te ontvangen respectievelijk toegediend te krijgen. En ook omgekeerd zal een katholieke gelovige de heilige communie niet kunnen ontvangen in een gemeenschap waarin het geldige wijdingssacrament niet aanwezig is. 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over de oecumene, Unitatis Redintegratio (21 nov 1964), 22

Het trouw in acht nemen van het geheel van normen met betrekking tot deze materie Vgl. Wetboek, Codex van het Canonieke recht, Codex Iuris Canonici (25 jan 1983), 844 Vgl. Wetboek, Codex van Canoniek Recht van de Oosterse Kerken, Codex Canonum Ecclesiarum Orientalium (1 okt 1991), 671 vormt een uitdrukking en tegelijkertijd een garantie van liefde, zowel jegens Jezus Christus in het Allerheiligste Sacrament alsook jegens de broeders van een andere christelijke confessie, aan wie wij het getuigenis van de waarheid verschuldigd zijn, alsook jegens de zaak zelf van de bevordering van de eenheid.

Document

Naam: ECCLESIA DE EUCHARISTIA
De Kerk leeft van de Eucharistie
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Encycliek
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 17 april 2003
Copyrights: © 2003, SRKK
Vert.: drs. W.L.P.M. Peeters
Bewerkt: 13 juni 2018

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
Trefwoordenlijst voor dit document
 
|
Pagina delen: 
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2018, Stg. InterKerk, Schiedam