• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

“In de nacht waarin Hij werd overgeleverd heeft de Heer Jezus” (1 Kor. 11, 23) het eucharistische Offer van Zijn Lichaam en Zijn Bloed ingesteld. De woorden van de heilige apostel Paulus voeren ons terug naar de dramatische omstandigheden waarin de Eucharistie is ontstaan. De gebeurtenis van het lijden en van de dood van de Heer staan onuitwisbaar in haar geschreven. Zij is niet slechts een in-herinnering-roepen, maar het sacramenteel opnieuw tegenwoordig stellen van deze gebeurtenis. Het is het offer van het kruis dat de eeuwen door voortduurt. Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de heilige liturgie, Sacrosanctum Concilium (4 dec 1963), 47. "Salvator noster ... Sacrificium Eucharisticum Corporis et Sanguinis sui instituit, quo Sacrificium Crucis saecula, donec veniret, perpetuaret." "Onze Verlosser heeft bij het laatste Avondmaal, in de nacht, waarin Hij werd verraden, het eucharistisch Offer van Zijn Lichaam en Bloed ingesteld, om hierdoor het kruisoffer door de eeuwen heen voort te zetten tot aan Zijn komst" Deze waarheid wordt goed uitgedrukt door de woorden waarmee het gelovige volk in de Latijnse ritus de verkondiging van de priester “Mysterie van het geloof” beantwoordt: “Heer, wij verkondigen Uw dood!

De Kerk heeft de Eucharistie van Christus haar Heer niet ontvangen als een gave, hoe kostbaar ook, temidden van zovele andere, maar als de gave bij uitstek, want het is de gave van Hemzelf, van zijn persoon in zijn heilige mensheid, alsook de gave van zijn verlossingswerk. Het blijft ook niet beperkt tot het verleden, immers: “Alles wat Christus is en alles wat Hij voor de mensen gedaan en geleden heeft, maakt deel uit van de goddelijke eeuwigheid en overkoepelt dus alle tijden.” Catechismus-Compendium, Catechismus van de Katholieke Kerk (15 aug 1997), 1085

Wanneer de Kerk de heilige Eucharistie, de gedachtenis van de dood en de verrijzenis van haar Heer, viert, wordt dit centrale geheim van het heil werkelijk tegenwoordig gesteld, en “wordt het werk van onze verlossing voltrokken”. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 3 Dit offer is voor de verlossing van het mensengeslacht zo beslissend, dat Jezus Christus het pas toen heeft voltooid en naar de Vader is teruggekeerd, nadat Hij ons het middel heeft nagelaten om eraan deel te nemen, alsof wij erbij aanwezig waren geweest. Iedere gelovige kan aldus eraan deelnemen en er onuitputtelijk de vruchten van verkrijgen. Dat is het geloof waaruit de christelijke generaties in de loop van de eeuwen geleefd hebben. Dit geloof heeft het Leergezag van de Kerk onophoudelijk met blijde dankbaarheid voor het onschatbare geschenk bevestigd. Z. Paus Paulus VI, Motu Proprio, Sollemnis Professio Fidei - Ter afsluiting van het jaar van het geloof, Credo van het Volk van God (30 juni 1968), 32 Ik zou nog eenmaal aan deze waarheid willen herinneren en mij met u, mijn zeergeliefde broeders en zusters, willen verenigen in aanbidding vóór dit mysterie: een groot mysterie, het mysterie van de barmhartigheid. Wat had Jezus nog meer kunnen doen voor ons? Waarachtig, in de Eucharistie toont Hij ons een liefde die “tot het uiterste” (Joh. 13, 1) gaat, een liefde die geen maat kent.

Dit aspect van de universele liefde van het eucharistische offer is gebaseerd op de woorden van de Verlosser zelf. Toen Hij het instelde zei Hij niet slechts: “Dit is Mijn lichaam”, “dit is Mijn bloed”, maar voegde er vervolgens aan toe: “Dat voor u gegeven wordt”, “Dat voor u vergoten wordt” (Lc. 22, 19-20). Jezus verklaarde niet eenvoudigweg dat hetgeen Hij hun te eten en te drinken gaf Zijn lichaam en Zijn bloed was; Hij drukte bovendien het offerkarakter ervan uit en stelde zijn offer sacramenteel tegenwoordig dat spoedig gebracht zou worden aan het kruis voor de redding van allen. “De Mis is tegelijk en onscheidbaar de gedachtenis van het offer, waarin het Kruisoffer vereeuwigd wordt, en van het heilig gastmaal dat bestaat in de gemeenschap met het lichaam en bloed van de Heer.” Catechismus-Compendium, Catechismus van de Katholieke Kerk (15 aug 1997), 1382

De Kerk leeft onophoudelijk van het offer van de Verlossing en zij benadert het niet alleen door een van geloof vervulde herinnering maar ook als een werkelijk contact, aangezien dit offer telkens opnieuw tegenwoordig wordt gesteld, sacramenteel voortduurt, in iedere gemeente die het brengt door de handen van de gewijde priester. Op deze wijze reikt de Eucharistie aan de mensen van vandaag de verzoening aan die Christus eens en voorgoed heeft verkregen voor de mensheid van alle tijden. “Het offer van Christus vormt met het offer van de Eucharistie één enkel offer.” Catechismus-Compendium, Catechismus van de Katholieke Kerk (15 aug 1997), 1367 De heilige Johannes Chrysostomus verwoordde het goed: “Wij offeren altijd hetzelfde Lam, niet vandaag het ene en morgen een ander maar altijd hetzelfde. Daarom is er altijd slechts één offer ... Ook vandaag offeren wij dat slachtoffer dat eens werd geofferd en dat nooit op zal raken.” H. Johannes Chrysostomos, Preken over de Brief aan de Hebreën, In epistulam ad Hebraeos. 17,3: PG 63, 131

De Mis stelt het offer van het Kruis tegenwoordig; zij voegt zich er niet aan toe en vermenigvuldigt het niet. Vgl. Concilie van Trente, 22e Zitting - Over het allerheiligst Misoffer, Sessio XXII - Doctrina de sanctissimo Missae sacrificio (17 sept 1562), 6. "De offergave (hostia) is immers één en dezelfde, diezelfde, die zichzelf aan het kruis heeft geofferd, offert zich nu door het dienstwerk (ministerium) van de priester; alleen de wijze van offeren is verschillend." Wat herhaald wordt is het vieren ter gedachtenis, het herinnerende tegenwoordigstelling (memorialis demonstratio), Paus Pius XII, Encycliek, Over de Heilige Liturgie, Mediator Dei et hominum (20 nov 1947) hetgeen Christus’ ene, definitieve verlossende offer steeds tegenwoordig stelt in de tijd. De offernatuur van het eucharistische geheim kan dientengevolge niet begrepen worden als iets op zichzelf staands, onafhankelijk van het Kruis of slechts indirect verwijzend naar het offer van Calvarië.

Krachtens haar innige relatie met het offer van Golgotha, is de Eucharistie offer in de eigenlijke betekenis en niet slechts in een algemene zin, alsof het om een loutere zelfgave van de Heer ging als geestelijk voedsel voor de gelovigen. De gave van zijn liefde en van zijn gehoorzaamheid tot aan het laatste moment van zijn leven Vgl. Joh. 10, 17-18 is in de eerste plaats een geschenk aan zijn Vader. Natuurlijk is het een gave ter wille van ons, ja, van de hele mensheid Vgl. Mt. 26, 28 Vgl. Mc. 14, 24 Vgl. Lc. 22, 20 Vgl. Joh. 10, 15 , maar toch is het eerst en vooral een geschenk aan de Vader: “de Vader heeft deze totale zelfgave van zijn Zoon, die ‘gehoorzaam (werd) tot de dood’ (Fil. 2, 8), aanvaard en er Hem de gave voor geschonken die Hem als Vader eigen is: het nieuwe en onsterfelijke leven in de verrijzenis.” H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, De Verlosser van de mensen, Redemptor Hominis (4 mrt 1979), 20

Doordat Christus aan de Kerk zijn offer heeft geschonken heeft Christus ook het geestelijk offer van de Kerk tot het zijne gemaakt, de Kerk die geroepen is om zichzelf te offeren in vereniging met het offer van Christus. Dit is de leer van het Tweede Vaticaans Concilie betreffende alle gelovigen: “Deelnemend aan het eucharistisch offer, dat de oorsprong en het hoogtepunt van heel het christelijk leven is, dragen zij het goddelijk Offerlam en zichzelf met Hem op aan God.” 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 11

Het Pasen van Christus omvat met het lijden en de dood ook zijn opstanding. Daaraan herinnert de acclamatie van het volk na de consecratie: “Wij belijden dat Gij verrezen zijt.” Het eucharistische offer stelt niet alleen het geheim van het lijden en de dood van de Verlosser tegenwoordig, maar ook het geheim van de verrijzenis die zijn offer bekroonde. Juist als de Levende en de Verrezene kan Christus zich in de Eucharistie tot het “brood des levens” (Joh. 6, 35.48), tot “levend brood” (Joh. 6, 51) maken. De heilige Ambrosius prentte dit de pasgedoopten als toepassing van de verrijzenisgebeurtenis voor hun eigen leven in: “Wanneer Christus vandaag de uwe is, dan staat Hij voor u iedere dag op uit de doden.” H. Ambrosius van Milaan, Over de Sacramenten, De Sacramentis. V,4,26: CSEL 73, 70 De heilige Cyrillus van Alexandrië maakt ook duidelijk dat het deelnemen aan de heilige Mysteriën “een echte belijdenis en een echte gedachtenis zijn, dat de Heer gestorven is en tot het leven is teruggekeerd voor ons en voor ons heil”. H. Cyrillus van Alexandrië, Commentaar op het Evangelie volgens Johannes, Commentarium in Joannis Evangelium. XII, 20: PG 74, 726

Het opnieuw sacramenteel tegenwoordig stellen van het offer van Christus in de heilige Mis die bekroond wordt door zijn opstanding houdt een heel bijzondere aanwezigheid in, die – om met de woorden van Paulus VI te spreken – “ ‘werkelijk’ genoemd wordt, niet in uitsluitende zin, alsof de andere niet ‘werkelijk’ waren, maar benadrukkend, omdat zij substantieel is, want zij brengt de aanwezigheid van de gehele en volledige Christus, de God-Mens, mee”. Z. Paus Paulus VI, Encycliek, Over de leer en de verering van de Heilige Eucharistie, Mysterium Fidei (3 sept 1965), 39 Daarmee wordt de altijd geldige leer van het Concilie van Trente: “Door de consecratie van het brood en de wijn vindt een verandering plaats van de hele substantie van het brood in de substantie van het Lichaam van onze Heer, en van de hele substantie van de wijn in de substantie van zijn bloed. Deze verandering is door de Heilige Katholieke Kerk treffend en in de eigenlijke betekenis transsubstantiatie genoemd.” Concilie van Trente, 13e Zitting - Decreet over het Sacrament van de Eucharistie, Sessio XIII - Decretum de SS. Eucharistia (11 okt 1551), 8 De Eucharistie is werkelijke een Mysterium fidei, een mysterie dat ons begrip te boven gaat en dat alleen kan worden gevat in geloof, zoals dikwijls naar voren is gebracht in de catechese van de Kerkvaders met betrekking tot dit goddelijke sacrament: “Zie niet” – spoort de heilige Cyrillus van Jeruzalem ons aan – “in het brood en de wijn louter natuurlijke elementen, aangezien de Heer uitdrukkelijk zei dat zij zijn lichaam en zijn bloed zijn: het geloof verzekert het je, ook al suggereren de zintuigen je iets anders”. H. Cyrillus van Jeruzalem, Tweede mystagogische catechese. IV,6: SCh 126, 138

Adoro te devote, latens Deitas, zullen we blijven zingen met de Engelachtige Leraar. Vóór dit geheim van de liefde aanvaardt de menselijke rede volledig haar beperkingen. Men begrijpt hoe de eeuwen door deze waarheid de theologie heeft geprikkeld om ernaar te streven er een steeds dieper begrip van te krijgen.

Dit zijn prijzenswaardige pogingen, die des te nuttiger en indringender zijn, naarmate zij de kritische inbreng van het denken meer verbinden met het “geloofsleven” van de Kerk, dat zich in het bijzonder bevindt het “zekere charisma van de waarheid” van het Leergezag en in het “innerlijk begrip van geestelijke waarheden” 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Goddelijke openbaring, Dei Verbum (18 nov 1965), 8 dat vooral de heiligen bereiken. Blijft de grens die door Paus Paulus VI is aangegeven: “Elke theologische verklaring, die zich bezighoudt met het begrip van dit geheim, moet om overeen te kunnen stemmen met ons geloof, eraan vasthouden dat brood en wijn in de objectieve werkelijkheid, onafhankelijk van ons denken, na de consecratie opgehouden hebben te bestaan, zodat van nu af het aanbiddenswaardige lichaam en het aanbiddenswaardige bloed van onze Heer voor ons tegenwoordig zijn onder de sacramentele gedaanten van brood en wijn.” Z. Paus Paulus VI, Motu Proprio, Sollemnis Professio Fidei - Ter afsluiting van het jaar van het geloof, Credo van het Volk van God (30 juni 1968), 32

In haar volheid wordt de heilbrengende werking van het offer gerealiseerd, wanneer wij in de Communie het lichaam en het bloed van de Heer ontvangen. Het eucharistische offer is uit zichzelf gericht op de innige gemeenschap van ons gelovigen met Christus door de communie: wij ontvangen Hem zelf die zich voor ons geofferd heeft, zijn lichaam dat Hij voor ons heeft prijsgegeven aan het Kruis, zijn bloed dat Hij heeft “vergoten voor velen tot vergeving van zonden” (Mt. 26, 28). Herinneren we ons zijn worden: “Zoals Ik leef uit de Vader, de Levende, die Mij gezonden heeft, zo zal ook hij die Mij eet, leven uit Mij” (Joh 6,57). Het is Jezus zelf die ons verzekert dat een dergelijke vereniging die door Hem wordt voorgesteld in analogie met die van het leven van de Drie-eenheid, zich waarlijk realiseert. De Eucharistie is een echte maaltijd, waarin Christus zichzelf aanbiedt als ons voedsel. Toen Jezus voor de eerste keer sprak van dit voedsel, waren Zijn toehoorders verbijsterd en verward, zodat de Meester zich gedwongen zag de objectieve waarheid van Zijn woorden te onderstrepen: “Waarachtig, Ik verzeker u: als u het vlees van de Mensenzoon niet eet, als u zijn bloed niet drinkt, is er geen leven in u” (Joh. 6, 53). Het gaat niet om een figuurlijke voeding: “Mijn vlees is echt voedsel, Mijn bloed is echte drank” (Joh. 6, 55).

Doordat wij deelhebben aan zijn lichaam en zijn bloed, deelt Christus ons ook zijn Geest mee. Sint Efraïm schrijft: “Hij noemde het brood Zijn levende lichaam, Hij vulde het met zichzelf en met zijn Geest. ... En degene die het met geloof eet, eet Vuur en Geest. ... Neemt daarvan, eet allen daarvan, en eet daarmee de heilige Geest. Het is werkelijk Mijn lichaam en degene die het eet zal leven in eeuwigheid.” H. Efrem de Syriër, Sermones in hebdomadam sanctam. IV: CSCO 413/Syr. 182, 55 In de eucharistische epiclese vraagt de Kerk deze goddelijke Gave, bron van elke andere gave. In de Goddelijke Liturgie van de heilige Johannes Chrysostomus staat bijvoorbeeld te lezen: “Wij roepen U aan, wij bidden U en wij smeken U: zend uw heilige Geest over ons allen en over deze gaven, ... opdat zij die eraan deelnemen reiniging van de ziel verkrijgen, de vergeving van de zonden en de gaven van de heilige Geest.” Anafora En in het Z. Paus Paulus VI - Apostolische Constitutie
Missale Romanum
ex Decr. Sacr. Oec. Conc. Vat. II instauratum, auctoritate Pauli PP. VI promulgatum, ed. typica (3 april 1969)
vraagt de celebrant: “Geef dat wij mogen worden verkwikt door het nuttigen van zijn Lichaam en Bloed. Vervul ons van Zijn Heilige Geest opdat men ons in Christus zal zien worden tot één lichaam en één geest.” Eucharistisch Gebed III Aldus doet Christus door de gaven van zijn Lichaam en zijn Bloed in ons de gave van Zijn Geest toenemen, die wij reeds hebben ontvangen in het Doopsel en die als een ‘zegel’ is aangeboden in het Sacrament van het Vormsel.

De acclamatie die het volk uitspreekt na de consecratie vindt een gepast slot door het uitdrukken van de eschatologische dimensie die de viering van de Eucharistie kenmerkt Vgl. 1 Kor. 11, 26 : "Tot Gij wederkeert". De Eucharistie betekent spanning naar het doel toe, voorsmaak van de door Christus beloofde volkomen vreugde Vgl. Joh. 15, 11 ; in zekere zin is zij een vooruitlopen op het Paradijs, "onderpand van de toekomstige heerlijkheid". Hoogfeest van het Lichaam en Bloed van Christus (Sacramentsdag), Tweede Vespers, Antifoon bij het Magnificat In de Eucharistie spreekt alles van een vertrouwvol wachten "hoopvol wachtend op de komst van Jezus, Messias, uw Zoon". Z. Paus Paulus VI, Apostolische Constitutie, ex Decr. Sacr. Oec. Conc. Vat. II instauratum, auctoritate Pauli PP. VI promulgatum, ed. typica, Missale Romanum (3 apr 1969). Embolisme volgend op het Gebed van de Heer Degenen die zich voeden met Christus in de Eucharistie hoeven niet te wachten tot het hiernamaals om het eeuwige leven te ontvangen: zij bezitten het reeds op aarde, als de eerste vruchten van een toekomstige volheid die de mens in zijn totaliteit zal omvatten. Want in de Eucharistie ontvangen wij ook de verzekering van onze lichamelijke verrijzenis bij het einde van de wereld: "Wie mijn vlees en bloed eet en drinkt, die bezit eeuwig leven: op de laatste dag laat Ik hem opstaan" (Joh. 6, 54). Deze verzekering van de toekomstige verrijzenis komt voort uit het feit dat het vlees van de Mensenzoon, gegeven als voedsel, zijn lichaam is in zijn verheerlijkte staat na de verrijzenis. Met de Eucharistie nemen wij, om zo te zeggen, het 'geheim' van de verrijzenis in ons op. Daarom definieert de heilige Ignatius van Antiochië terecht het eucharistische brood als "medicijn van de onsterfelijkheid, tegengif tegen de dood". H. Ignatius van Antiochië, Brief aan de Efesiërs, Epistula ad Ephesios. 20: PG 5, 661

De eschatologische spanning die de Eucharistie oproept drukt de gemeenschap met de hemelse Kerk uit en versterkt die. Het is niet toevallig dat in de oosterse anaforen en in de eucharistische gebeden van de Latijnse ritus in verering aan Maria, de altijd maagdelijke Moeder van onze Heer en God Jezus Christus, aan de engelen, de heilige apostelen, de roemrijke martelaren en alle heiligen wordt gedacht. Dit is een aspect van de Eucharistie dat het verdient om naar voren te worden gehaald: terwijl wij het offer van het Lam vieren, verenigen wij ons met de hemelse Liturgie, en sluiten wij ons aan bij die geweldige menigte die roept: "De redding komt van onze God, die op de troon zetelt, en van het Lam!" (Openb. 7, 10). De Eucharistie is werkelijk een opening van de hemel die zich over de wereld spreidt. Ze is een straal van de heerlijkheid van het hemelse Jeruzalem, die de wolken van onze geschiedenis doorbreekt en die met zijn licht onze weg beschijnt.

Een betekenisvolle consequentie van de eschatologische spanning binnen de Eucharistie bestaat in het feit dat zij onze weg door de geschiedenis een impuls geeft, doordat zij een zaadje van levendige hoop legt in de dagelijkse toewijding van ieder afzonderlijk aan de vervulling van zijn eigen plichten. Wanneer de christelijke kijk op de dingen er werkelijk toe leidt dat wij kijken naar "de nieuwe hemel" en "de nieuwe aarde" Vgl. Openb. 21, 1 , dan verzwakt dit niet, maar stimuleert juist ons verantwoordelijkheidsgevoel voor de huidige wereld. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 39 Ik wil dit graag met kracht herhalen bij het begin van het nieuwe millennium opdat de christenen zich meer dan ooit betrokken voelen bij het nauwgezet nakomen van hun plichten als burgers van de aarde. Het is hun opdracht met het licht van het Evangelie bij te dragen aan de opbouw van een wereld naar de maatstaf van de mens en in volkomen harmonie met het plan van God.

Veel problemen verduisteren de horizon van onze tijd. Het mag volstaan te denken aan de noodzaak om te werken voor de vrede, om degelijke voorwaarden van gerechtigheid en solidariteit in de betrekkingen tussen de volkeren te brengen, en om het menselijk leven vanaf de ontvangenis tot aan zijn natuurlijke einde te verdedigen. En wat moet men denken van de duizend ongerijmdheden van een 'gemondialiseerde' wereld, waarin de zwaksten, de kleinsten en de armsten schijnbaar weinig te verwachten hebben? Juist in deze wereld moet de christelijke hoop oplichten! Ook daarom wilde de Heer in de Eucharistie bij ons blijven en heeft Hij in zijn heilige tegenwoordigheid bij de offermaaltijd de belofte van een door zijn liefde vernieuwde mensheid gegraveerd. Daar waar de synoptische evangeliën verslag doen van de instelling van de Eucharistie, biedt het Johannesevangelie, aldus de diepe betekenis aangevend, het verhaal van de "voetwassing", waarin Jezus zich tot Heer van de gemeenschap en de dienst maakt Vgl. Joh. 13, 1-20 , om zo de diepe betekenis van de instelling duidelijk te maken. De heilige apostel Paulus noemt van zijn kant de deelname van de christelijke gemeente aan de maaltijd van de Heer 'onwaardig', wanneer er verdeeldheid be-staat en de gemeente onverschillig staat tegenover de armen. Vgl. 1 Kor. 11, 17-22.27-34 Vgl. H. Johannes Chrysostomos, Preek over het Evangelie volgens Mattheüs, In Matthaeum Homilia. 50,3-4: PG 58,508-509; “Wilt gij het lichaam van Christus eren? Negeer Hem niet als Hij naakt is. Bewijs Hem geen eer in de tempel als Hij in zijde gekleed gaat, om Hem daarna buiten te negeren als Hij het koud heeft in schamele kleding. Hij die zei: "Dit is Mijn Lichaam" is dezelfde die zei: "Ik had honger en gij hebt Mij niet te eten gegeven" en "Wat gij voor de minste van Mijn broeders hebt gedaan, hebt gij voor Mij gedaan..." Wat baat het als de Eucharistische tafel vol staat met gouden kelken, terwijl uw broeder sterft van de honger? Stil eerst zijn honger en met wat er over is kunt gij het altaar versieren" Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, De ontwikkeling van de mens en de samenleving
Twintig jaar na Populorum Progressio van Paus Paulus VI, Sollicitudo Rei Socialis (30 dec 1987), 31

De dood des Heren verkondigen "totdat Hij komt" (1 Kor. 11, 26) betekent dat allen die deelnemen aan de Eucharistie bereid moeten zijn hun leven te veranderen en het in zekere zin helemaal "Eucharistisch" te maken. Deze vrucht van een omgevormd leven en een toewijding aan de omvorming van de wereld in overeenstemming met het Evangelie laat schitterend de eschatologische spanning zien die inherent is aan het vieren van de Eucharistie en het christelijk leven als geheel: "Kom, Heer Jezus" (Openb. 22, 20).

Document

Naam: ECCLESIA DE EUCHARISTIA
De Kerk leeft van de Eucharistie
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Encycliek
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 17 april 2003
Copyrights: © 2003, SRKK
Vert.: drs. W.L.P.M. Peeters
Bewerkt: 10 december 2017

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
Trefwoordenlijst voor dit document
 
|
Pagina delen: 
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2018, Stg. InterKerk, Schiedam