• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

De relatie tussen de vrijheid van de mens en de wet van God, die haar diepste en levende zetel heeft in het zedelijk geweten, uit en verwerkelijkt zich in de menselijke handelingen. Juist door zijn handelingen vervolmaakt de mens zich als mens, als mens die geroepen is om uit eigen beslissing zijn Schepper te zoeken en in een toebehoren aan Hem vrij tot volle en zalige voleinding te komen. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 17

Menselijke handelingen zijn zedelijke handelingen, omdat zij het goedzijn of de slechtheid van de mens die die handelingen voltrekt, uitdrukken en bepalen. H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae. I-II, q. 1, a. 3: 'Idem sunt actus morales et actus humani'. Ze roepen niet alleen veranderingen op in het uiterlijke gedrag van de mens, maar als vrije keuzen kwalificeren zij in moreel opzicht de persoon zelf, die ze voltrekt, en bepalen haar geestelijk diepteprofiel, zoals de H. Gregorius van Nyssa indrukwekkend constateert: "Alle wezens die aan wording onderhevig zijn, blijven nooit identiek met zichzelf, maar gaan door een voortdurend actieve verandering ten goede of ten kwade steeds van de ene toestand in een andere over.. Het menselijk leven is dus onafgebroken onderhevig aan verandering: dat betekent, aangezien het niet eeuwig en onveranderlijk is, onophoudelijk geboren worden.. Maar de geboorte volgt hier niet op een ingreep van buiten, zoals het bij een lichamelijke geboorte het geval is.. Ze is het resultaat van vrije keuze, en zo zijn wij in zekere zin onze eigen ouders, aangezien wij ons zo scheppen, zoals we willen, en ons met onze keuze de vorm geven, die wij willen'. H. Gregorius van Nyssa, Over het leven van Mozes, De vita Moysis. II, 2-3: PG 44, 327-328.

De zedelijkheid van de handelingen wordt bepaald op grond van de relatie van de vrijheid van de mens tot het waarlijk goede. Dit goede is als eeuwige wet door Gods wijsheid vastgesteld, die ieder wezen afstemt op zijn einddoel: Deze eeuwige wet wordt zowel door het natuurlijke verstand van de mens gekend (vandaar de naam 'natuurwet') alsook - op alomvattende en volmaakte wijze - door de bovennatuurlijke openbaring van God (dan noemt men het 'goddelijke wet'). Het handelen is zedelijk goed, wanneer de uit de vrijheid voortkomende keuzen met het ware goed van de mensen overeenkomen en zo de uitdrukking zijn van de bewuste afstemming van de persoon op haar laatste doel, dus God zelf: het hoogste Goed, waarin de mens zijn volle en volmaakte geluk vindt. De inleidende vraag in het gesprek van de jongeman met Jezus: 'Wat voor goeds moet ik doen om het eeuwig leven te winnen?' (Mt. 19, 16), verduidelijkt rechtstreeks de wezenlijke samenhang tussen de morele waarde van een handeling en het laatste doel van de mens. Jezus bevestigt in zijn antwoord de overtuiging van zijn gesprekspartner: Het goede doen, zoals het door Hem geboden is, die 'alleen de Goede' is, is de noodzakelijke voorwaarde voor, en de weg naar de zaligheid: 'Wanneer je het Leven wilt bereiken, onderhoud dan de geboden' (Mt. 19, 17). Het antwoord van Jezus en het refereren aan de geboden maken ook duidelijk, dat de weg naar het doel uitgestippeld wordt door het opvolgen van de goddelijke geboden, die het menselijk welzijn beschermen. Alleen een handeling, die met het goede overeenkomt, kan weg ten leven zijn.

De door het verstand geleide afstemming van de menselijke handelingen op het waarlijk goede en het bewuste streven naar dit goede vormen de zedelijkheid. Het menselijk handelen kan dus niet louter daarom als zedelijk goed gekwalificeerd worden, omdat het ertoe dient dit of dat nagestreefd doel te bereiken, of simpelweg omdat de bedoeling van de handelende goed is. Vgl. H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae. I-II, q. 148, a. 3. Het menselijk handelen is dan zedelijk goed, wanneer het de bewuste afstemming van de menselijke persoon op het laatste doel en de overeenstemming van de concrete handeling met het ware menselijke goed, zoals het door het verstand in zijn waarheid herkend wordt, bevestigt en tot uitdrukking brengt. Wanneer het object van de concrete handeling niet met het ware goede van de persoon in overeenstemming is, maakt de keuze van deze handeling onze wil en ons zelf zedelijk slecht en brengt ons daarmee in tegenstelling met ons laatste doel, het hoogste goed, dat wil zeggen God zelf.

Dankzij de openbaring van God en van het geloof weet de christen van het 'nieuwe', waardoor de zedelijkheid van zijn daden gekenmerkt wordt; aan die daden komt het toe uitdrukking te geven aan de bestaande of niet bestaande consequente overeenstemming met die waardigheid en roeping, die hem door genade geschonken zijn: In Jezus Christus en zijn Geest is de christen een 'nieuwe schepping', kind van God en door zijn handelingen getuigt hij van zijn overeenstemming met of zijn afwijken van het beeld van de Zoon, die de Eerstgeborene onder vele broeders is Vgl. Rom. 8, 9 , beleeft hij zijn trouw of ontrouw tegenover het geschenk van de Geest en opent zich, of sluit hij zich af, voor het eeuwig leven, de gemeenschap van aanschouwing, liefde en zaligheid met God de Vader, Zoon en heilige Geest. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 22. Het Tweede Vaticaans concilie verklaart in de pastorale constitutie over de Kerk in de wereld van deze tijd: 'Dit geldt niet alleen voor de christengelovigen, maar ook voor alle goedwillende mensen, in wier hart de genade op een onzichtbare wijze werk. Daar Christus immers voor allen is gestorven en daar er voor alle mensenslechts één uiteindelijke roeping is, namelijk een goddelijke, moeten wij eraan vasthouden, dat de Heilige Geest aan allen de mogelijkheid schenkt om, op een wijze die aan God bekend is, aan dit paasmysterie deel te hebben.' Christus 'vormt ons zo naar zijn beeld - schrijft de H. Cyrillus van Alexandrië -, dat door de heiliging en de gerechtigheid en het goede en deugdzame leven de trekken van zijn goddelijke natuur in ons tot schittering komen.. De schoonheid van dit beeld straalt in ons door, die in Christus zijn, wanneer wij ons in de werken goede mensen betuigen'.Tractatus ad Tiberium Diaconum sociosque, II. Responsiones ad Tiberium Diaconum sociosque: H. Cyrillus van Alexandrië, In D. Johannis Evangelium, vol. III, ed. Philip Edward Pusey, Bruxelles, Culture et Civilisation (1965), 590.

In deze zin bezit het zedelijk leven een wezenlijk 'teleologisch' karakter, omdat het uit de vrije en bewuste afstemming van het menselijk handelen op God, het hoogste goed en laatste doel (telos) van de mens, bestaat. Dat bevestigt weer de vraag van de jongeman aan Jezus: 'Wat voor goeds moet ik doen om het eeuwig leven te winnen?' Maar deze afstemming op het laatste doel beweegt zich niet in een louter subjectivistische dimensie, die alleen van de bedoeling zou afhangen. Zij veronderstelt, dat aan deze handelwijzen uit zichzelf de eigenschap toekomt, op dit doel afgestemd te kunnen worden, omdat zij namelijk overeenkomen met het authentieke door de geboden beschermde zedelijke goed van de mensen. Juist dat snijdt Jezus aan in het antwoord aan de rijke jongeling: 'Wanneer je het eeuwig leven wilt bereiken, onderhoud dan de geboden!' (Mt. 19, 17).

Blijkbaar gaat het om een door het verstand geleide en vrije, bewuste en overwogen afstemming, krachtens welke de mens voor zijn handelingen 'verantwoordelijk' is en onderworpen aan het oordeel van God, de rechtvaardige en goede Rechter, die het goede beloont en het kwade straft, zoals de apostel Paulus uiteenzet: 'Want wij allen moeten voor Christus' rechterstoel verschijnen, opdat ieder het loon ontvangt voor wat hij in dit leven heeft gedaan, goed of kwaad' (2 Kor. 5, 10).

Maar waar hangt de morele waardering van het vrije handelen van de mens vanaf? Waarvan krijgt deze afstemming van de menselijke handelingen op God een waarborg? Van de intentie van het handelend subject, van de omstandigheden - en in het bijzonder van de gevolgen - van zijn handelen, van het object van zijn handelen zelf?

Dat is het, traditioneel zo genoemde, probleem van de 'bronnen van de moraliteit'. En juist met het oog op dit probleem hebben zich in de laatste decennia nieuwe - of weer vernieuwde -culturele en theologische stromingen geopenbaard, die een zorgvuldige verheldering van de kant van het leergezag van de Kerk vereisen.

Enkele 'teleologisch' genoemde ethische theorieën richten hun aandacht op de overeenstemming van de menselijke handelingen met de door de handelende nagestreefde doelen en met de waarden die hij voorheeft te realiseren. De criteria voor de morele beoordeling van een handeling worden gehaald uit de afweging van de niet-zedelijke en voor-morele bona die men wil bereiken en de daarmee overeenstemmende niet-zedelijke en voor-morele waarden die men wil respecteren. Voor sommigen zou het concrete gedrag juist, resp. verkeerd zijn, naar gelang het voor alle betrokken personen een betere toestand kan bewerken of niet: juist zou het gedrag zijn, dat in staat is de bona 'zeer groot' en de mala 'zeer klein te maken'.

Velen onder de katholieke moraaltheologen die deze opvatting volgen, zouden niets van doen willen hebben met utilitarisme en pragmatisme, waarbij de moraliteit van de menselijke handelingen beoordeeld wordt zonder betrekking met het laatste ware doel van de mens. Terecht zijn zij zich bewust van de noodzakelijkheid, om voor het verstand inzichtelijke, steeds steekhoudender argumenten te vinden, om de eisen van het zedelijk leven te rechtvaardigen en hun normen vast te stellen. En het onderzoek naar deze argumenten is legitiem en noodzakelijk, aangezien de in de natuurwet vastgelegde zedelijke orde voor kennis van het menselijk verstand toegankelijk is. Dit zoeken strookt overigens met de eisen van dialoog en samenwerking met de niet-katholieken en de niet-gelovigen, speciaal in zgn. pluralistische maatschappijen.

Maar bij het pogen een dergelijke redelijke moraal - soms ook 'autonome moraal' genoemd - uit te werken, zijn er valse oplossingen, die vooral met een gebrekkig begrip van wat men het 'object' van het zedelijk handelen noemt, samenhangen. Sommigen geven niet genoeg aandacht aan het feit, dat de wil in de concrete keuzen, die hij voltrekt, inbegrepen is: deze zijn voorwaarde voor zijn zedelijk goedzijn en voor zijn afstemming op het laatste doel van de mens. Anderen daarentegen laten zich inspireren door een opvatting van de vrijheid, die van de feitelijke voorwaarden voor haar uitoefening, van haar objectieve betrekking tot de waarheid van het goede en van haar bestemming door de keuze van concrete gedragswijzen, afziet. Volgens deze theorieën zou de vrije wil dus noch zedelijk onderworpen zijn aan bepaalde verplichtingen, noch zou hij door zijn keuzen gevormd worden, ook al blijft hij voor zijn handelingen en hun gevolgen verantwoordelijk. Dit 'teleologisme', als methode van de ontdekking van de morele norm, kan dus - volgens de aan verschillende denkstromingen ontleende terminologieën en geesteshoudingen - 'consequentialisme' of 'proportionalisme' genoemd worden. Het eerste tracht criteria voor de juistheid van een bepaald handelen te voorschijn te brengen, die enkel en alleen voortkomen uit de berekenbare gevolgen van een gemaakte keuze. Het tweede - onder afweging van de waarden en de beoogde bona - oriënteert zich eerder op de erkende evenredigheid tussen de goede en slechte effecten, met het oog op het 'hogere goed' of het 'kleinere kwaad', die in een bijzondere situatie werkelijk mogelijk zijn.

De teleologische ethische doctrines (proportionalisme, consequentialisme) erkennen wel dat de zedelijke waarden door verstand en openbaring aangetoond worden; maar zij houden eraan vast, dat met betrekking tot concreet bepaalbare gedragswijzen, die onder alle omstandigheden en in alle culturen in tegenspraak zouden zijn met deze zedelijke waarden, nooit een absolute verbodsnorm geformuleerd kan worden. Het handelende subject zou vanzelfsprekend voor het verkrijgen van de nagestreefde waarden verantwoordelijk zijn, maar dit in dubbel opzicht: De door een menselijke handeling nagestreefde waarden of bona zouden enerzijds van morele aard zijn (betrokken op eigenlijk zedelijke waarden als liefde tot God, welwillendheid jegens medemensen, gerechtigheid enz.) en, in een ander opzicht, van voor-morele aard, een niveau, dat ook niet-zedelijk, fysisch, of ontisch wordt genoemd (betrokken op nuttigheden en schadelijkheden, die zowel voor de handelende als ook voor andere, vroeger of later erbij betrokken personen merkbaar zijn, zoals bijvoorbeeld: Gezondheid en haar aantasting, psychische ongeschondenheid, leven, dood, het verlies van materiële goederen, enz.). In een wereld waarin het goede altijd vermengd zou zijn met het kwaad en iedere goede werking met andere slechte effecten verbonden, zou men de zedelijkheid van de handeling gedifferentieerd moeten beoordelen: haar zedelijk 'goedzijn' op grond van de op zedelijke bona gerichte bedoeling van het subject, haar 'juistheid' op grond van haar voorzienbare werkingen of gevolgen en hun verhouding tot elkaar (proportio). Concrete gedragswijzen zouden daarom als 'juist' resp. 'verkeerd' gewaardeerd moeten worden, zonder dat het daarom al mogelijk zou zijn, de wil van de persoon die ze kiest, als zedelijk 'goed' of 'slecht' te bestempelen. Op deze wijze zou een handeling die, in tegenspraak met een universele verbodsnorm, als voor-moreel bestempelde bona direct kwetst, als zedelijk toelaatbaar beoordeeld worden, als de bedoeling van het subject, volgens een 'verantwoordelijke' afweging van de bij de concrete handeling op het spel staande bona, zich richt op de zedelijke waarden die in de gegeven situatie voor beslissend worden gehouden.

De beoordeling van de gevolgen van de handeling op grond van de evenredigheid van de daad met zijn effecten en de onderlinge effecten zou enkel en alleen de voor-morele orde betreffen. Over de zedelijke soortbepaaldheid van de handelingen, dat wil zeggen over hun goedheid of slechtheid, zou alleen de trouw van de persoon jegens de hoogste waarden van liefde en wijsheid beslissen, zonder dat zulke trouw noodzakelijkerwijze onverenigbaar zou zijn met beslissingen, die ingaan tegen bepaalde afzonderlijke zedelijke geboden. Ook in het geval van een ernstige materie zouden deze laatste als steeds relatieve en aan uitzonderingen onderhevige handelingsnormen beschouwd worden.

Volgens deze visie zou dan de bewuste instemming met bepaalde gedragswijzen, die in de traditionele moraal als ongeoorloofd gelden, ook niets objectief zedelijk slechts insluiten.

Document

Naam: VERITATIS SPLENDOR
Over kerkelijke moraalleer
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Encycliek
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 6 augustus 1993
Copyrights: © 1995, Katholiek Nieuwsblad
Bewerkt: 3 mei 2020

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2020, Stg. InterKerk, Schiedam