• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

Dezelfde tekst uit de Romeinenbrief die ons het wezen van de natuurwet begrijpelijk maakt, wijst ook op de bijbelse zin van het geweten, bijzonder in zijn specifieke verbinding met de wet: 'Wanneer de heidenen, die de wet niet hebben, uit zichzelf doen wat de wet verlangt, zijn zij zichzelf tot wet, al bezitten zij de wet dan niet. Door hun daden tonen zij, dat de wet in hun hart geschreven staat, waarbij komt het getuigenis van hun geweten, terwijl hun gedachten hen over en weer beschuldigen of ook wel vrijspreken' (Rom. 2, 14-15).

Naar de woorden van de H. Paulus plaats het geweten de mens in zekere zin tegenover de wet, waardoor het zelf tot 'getuige' voor de mens wordt: Getuige van zijn trouw of ontrouw jegens de wet, dat wil zeggen van zijn natuurlijke zedelijke rechtschapenheid of slechtheid. Het geweten is de enige getuige: wat in het binnenste van de menselijke persoon zich afspeelt, blijft voor de ogen van iedereen buiten verborgen. Het richt zich met zijn getuigenis alleen tot de persoon zelf. En alleen de persoon op haar beurt kent het eigen antwoord op de stem van het geweten.

De betekenis van de innerlijke dialoog van de mens met zichzelf zal men nooit ten volle kunnen waarderen. In werkelijkheid is het echter de dialoog van de mens met God, de Auteur van de wet, het eerste Voorbeeld en het laatste Doel van de mens. 'Het geweten - schrijft de H. Bonaventura - is als het ware de heraut van God en de bode, en wat het zegt, beveelt het niet uit zichzelf, maar als boodschap die van God komt, zoals een heraut, wanneer hij het decreet van de koning afkondigt. En daar komt de bindende kracht van het geweten vandaan'. H. Bonaventura, In libros Sententiarum. dist. 39, a. 1, q. 3, concl.: Ed. Ad Claras Aquas, II, 907 b.

Men kan dus zeggen, dat het geweten tegen de mens zelf getuigt van de rechtschapenheid, resp. de slechtheid van de mens, maar tegelijk, ja nog eerder, is het getuigenis van God zelf, wiens stem en wiens oordeel het innerlijk van de mens tot aan de wortels van zijn ziel doordringen, wanneer ze hem fortiter et suaviter tot gehoorzaamheid oproepen: 'Het zedelijk geweten sluit de mens niet op in een onontkoombare en ondoordringbare eenzaamheid, maar maakt hem open voor de roep, voor de stem van God. Daarin en nergens anders in ligt het hele geheim en de hele waardigheid van het zedelijk geweten: dat het namelijk de plaats is, de heilige ruimte, waarin God tot de mens spreekt'. H. Paus Johannes Paulus II, Audiƫntie, Audientie (17 aug 1983), 2

De H. Paulus beperkt zich niet tot de erkenning van het geweten als 'getuige', maar hij onthult ook, hoe het zijn functie uitoefent. Het gaat om 'gedachten' die de heidenen met betrekking tot tot hun gedrag aanklagen of verdedigen Vgl. Rom. 2, 15 . De uitdrukking 'gedachten' maakt het eigenlijke karakter van het geweten duidelijk, namelijk dat het een zedelijk oordeel over de mens en zijn handelingen is: Het is een oordeel, dat vrijspreekt of veroordeelt, al naargelang de menselijke handelingen overeenkomen met de in het hart geschreven wet van God of daarvan afwijken. En juist over het oordeel over de handelingen en tegelijk over hun initiator alsook over het tijdstip van de uiteindelijke vervulling van het oordeel spreekt de apostel Paulus in dezelfde tekst, als over 'die dag, waarop God volgens mijn evangelie over de verborgen daden van de mens zal oordelen, door Christus Jezus' (Rom. 2, 16).

Het oordeel van het geweten is een praktisch oordeel, dat wil zeggen een oordeel, dat meedeelt, wat de mens moet doen of laten, of dat een door hem reeds uitgevoerde daad beoordeelt. Het is een oordeel dat de verstandige overtuiging, dat men het goede moet liefhebben en het kwade vermijden, op een concrete situatie toepast. Dit eerste principe van het praktische verstand hoort tot de natuurwet, ja, het geeft haar eigenlijke grondslag weer, voorzover het dat oorspronkelijke licht ter onderscheiding van goed en kwaad tot uitdrukking brengt, dat als weerschijn van de scheppende wijsheid Gods als een onvernietigbare vonk (scintilla animae) in het hart van iedere mens straalt. Terwijl echter de natuurwet de objectieve en universele aanspraken van het zedelijk goede uiteenzet, is het geweten de toepassing van de wet op het individuele geval en wordt zo voor de mens tot een innerlijk gebod, tot een oproep om in de concrete situatie het goede te doen. Het geweten drukt dus de zedelijke verplichting in het licht van de natuurwet uit: het is de verplichting om dat te doen, wat de mens door het oordeel van zijn geweten als een goed herkent, dat hem hier en nu gegeven is. Het universele karakter van de wet en van de verplichting wordt niet uitgewist, maar veeleer erkend, wanneer het verstand hun toepassingen in de concrete actuele situatie bepaalt. Het oordeel van het geweten bevestigt 'afsluitend' de overeenstemming van een bepaald concreet gedrag met de wet; het legt de meest nabije norm van de moraliteit van een bewuste handeling voor en verwezenlijkt 'de toepassing van de objectieve wet op een individueel geval'. Heilig Officie, Instructie over de "Situatiemoraal", Contra doctrinam (2 feb 1956), 2. AAS 48 (1956), 144.

Zoals de natuurwet zelf en iedere praktische kennis, heeft ook het oordeel van het geweten een bevelend karakter: de mens moet in overeenstemming daarmee handelen. Wanneer de mens tegen dit oordeel handelt of ook, wanneer hij bij ontbrekende zekerheid over de juistheid en goedheid van een bepaalde daad deze alsnog uitvoert, wordt hij door het eigen geweten, dat de laatste maatgevende norm van de persoonlijke zedelijkheid is, veroordeeld.

De waardigheid van deze intellectuele instantie en de autoriteit van haar stem en van haar oordeel komen voort uit de waarheid over zedelijk goed en kwaad: ze is ertoe geroepen om die te horen en uit te drukken. Op deze waarheid wordt door de 'goddelijke wet', de universele en objectieve norm van de zedelijkheid, gewezen. Het oordeel van het geweten maakt de wet niet, maar het bevestigt de autoriteit van de natuurwet en van de praktische verhouding tot het hoogste goed, waarvan de menselijke persoon de aantrekkingskracht ervaart en waarvan zij de geboden aanneemt: Het geweten is geen autonome en exclusieve instantie om te beslissen wat goed en wat slecht is; veeleer is daarin een principe van gehoorzaamheid jegens de objectieve norm diep ingegrift, die de overeenstemming van zijn beslissingen met de geboden en verboden staaft en vereist, die aan het menselijk gedrag ten grondslag liggen'. H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, Over de Heilige Geest in het leven van de Kerk en de wereld, Dominum et vivificantem (18 mei 1986), 43 Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 16 Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Verklaring, Over de godsdienstvrijheid - Het recht van de persoon en van de gemeenschappen op sociale en burgerlijke vrijheid in godsdienstige aangelegenheden, Dignitatis Humanae (7 dec 1965), 3

De in de wet van het verstand uitgesproken waarheid over het zedelijk goede wordt door het oordeel van het geweten praktisch en concreet erkend, wat leidt tot het aanvaarden van de verantwoordelijkheid voor het volbrachte goed en het bedreven kwaad. Wanneer de mens kwaad doet, blijft het juiste gewetensoordeel in hem getuige van de universele waarheid van het goede zoals ook van de slechtheid van zijn ene beslissing. Maar het oordeel van het geweten blijft in hem ook zoiets als een onderpand van de hoop en van het erbarmen: terwijl het het begane kwaad bevestigt, maant het ook, om vergeving te vragen, het goede te doen en onophoudelijk met Gods genade de deugd te beoefenen.

Zo openbaart zich in het praktische oordeel van het geweten, dat aan de mens de verplichting oplegt om een bepaalde handeling uit te voeren, de band tussen vrijheid en waarheid. Daarom drukt het geweten zich uit in 'oordeels'-daden, die de waarheid over het goede weerspiegelen, en niet in willekeurige 'beslissingen'. En de rijpheid en verantwoordelijkheid van deze oordelen - en in laatste instantie van de mens, die hun subject is - laat zich niet afmeten aan de bevrijding van het geweten van de objectieve waarheid, ten gunste van een veronderstelde autonomie van de eigen beslissingen, maar integendeel aan het hardnekkige zoeken naar de waarheid en aan de bereidheid om zich bij zijn handelen door haar te laten leiden.

Document

Naam: VERITATIS SPLENDOR
Over kerkelijke moraalleer
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Encycliek
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 6 augustus 1993
Copyrights: © 1995, Katholiek Nieuwsblad
Bewerkt: 29 oktober 2020

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2021, Stg. InterKerk, Schiedam