• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

Met de woorden uit het boek Jezus Sirach verheldert Vaticanum II de 'ware vrijheid' die een 'verheven kenmerk van het beeld van God' in de mens is: 'God wilde namelijk de mens 'aan de macht van de eigen beslissing overlaten', zodat hij zijn Schepper uit eigen initiatief zoekt en vrij tot volle en zalige voleinding in eenheid met God komt'. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 17 Deze woorden wijzen op de wonderbare diepte van de deelname aan de goddelijke heerschappij, waartoe de mens geroepen is: ze geven aan, dat de heerschappij van de mens in zekere zin aan de mens zelf raakt. Dat is een gezichtspunt, dat in het theologische denken over de als een soort van koningschap uitgelegde menselijke vrijheid steeds naar voren gehaald wordt. Zo schrijft bv. de H. Gregorius van Nyssa: 'De geest openbaart zijn koningschap en zijn voortreffelijkheid.. daarin, dat hij zonder iemand als heer te kennen, vrij alles doet: hij regeert zichzelf naar eigen believen autocratisch. Wie anders past dat dan een koning?.. Zo werd de menselijke natuur, die geschapen is om heerseres over de andere schepsels te zijn, door de gelijkenis met de Heer van het heelal voor een levend beeld bestemd, dat deelheeft aan de waardigheid en aan de naam van het Oerbeeld." H. Gregorius van Nyssa, Over de schepping van de mens, De hominis opificio. c. 4: PG 44, 135-136.

Reeds het regeren van de wereld betekent voor de mens een grote en verantwoordelijke opgave, die een beroep doet op zijn vrijheid in gehoorzaamheid aan de Schepper: "Bevolkt de aarde en onderwerpt haar aan u' (Gen. 1, 28). Vanuit dit gezichtspunt heeft de individuele mens zoals ook de menselijke gemeenschap recht op een passende autonomie, waaraan de concilie-constitutie 2e Vaticaans Concilie - Constitutie
Gaudium et Spes
Over de Kerk in de wereld van deze tijd
(7 december 1965)
bijzondere aandacht besteedt. Dit is de autonomie van de aardse werkelijkheden, hetgeen betekent, dat 'de geschapen dingen en ook de samenlevingen hun eigen wetten en waarden hebben, die de mens stap voor stap moet leren kennen, gebruiken en vormen'. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 36

Maar niet alleen de wereld, doch ook de mens zelf werd aan zijn eigen zorg en verantwoordelijkheid toevertrouwd. God heeft hem 'de macht over de eigen beslissing' gelaten (Sir. 15, 14), zodat hij zijn Schepper zoekt en uit eigen beweging tot volmaaktheid komt. Tot volmaaktheid komen betekent, persoonlijk in zichzelf deze volmaaktheid opbouwen. Want zoals de mens, wanneer hij de wereld regeert, haar vormt naar zijn verstand en wil, zo bevestigt, ontwikkelt en verstevigt de mens in zichzelf de gelijkenis met God, wanneer hij zedelijk goede handelingen voltrekt.

Het Concilie verlangt echter waakzaamheid tegenover een vals begrip van autonomie der aardse werkelijkheden, zo een namelijk dat meent, dat 'de geschapen dingen niet van God afhangen en dat de mens ze zonder verwijzing naar de Schepper zou kunnen gebruiken'. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 36 Wat de mens betreft, leidt een dergelijk begrip van autonomie tot bijzonder schadelijke uitwerkingen, en neemt ten laatste een atheïstisch karakter aan: 'Want het schepsel zinkt zonder de Schepper in het niets.. bovendien wordt het schepsel zelf door God te vergeten onbegrijpelijk'. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 36

De leer van het Concilie onderstreept enerzijds de actieve rol van het menselijk verstand bij de ontdekking en toepassing van de zedenwet: Het zedelijk leven vereist creativiteit en inventiviteit, die de persoon eigen zijn, en die bron en grond van haar vrije en bewuste handelen zijn. Anderzijds put het verstand zijn waarheid en zijn gezag uit de eeuwige wet, die niets anders dan de goddelijke Wijsheid is. H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae. I-II, q. 93, a. 3, ad 2 Aan het zedelijk leven ligt dus het principe van een 'juiste autonomie' 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 41 van de mens als persoon en subject van zijn handelingen ten grondslag. De zedenwet komt van God en vindt altijd in Hem haar bron: Op grond van het natuurlijke verstand, dat uit de goddelijke Wijsheid voortkomt, is zij tegelijk de wet die de mens eigen is. De natuurwet is namelijk, zoals we gezien hebben, 'niets anders dan het ons door God ingegeven licht van het verstand. Dankzij dat licht weten we wat men doen en wat men mijden moet. Dit licht en deze wet heeft God ons bij de schepping geschonken'. H. Thomas van Aquino, In duo praecepta caritatis et in decem legis praecepta expositio. Prologus: Opuscula theologica, II, n. 1129, Ed. Taurinens. (1954), 245. De juiste autonomie van het praktische verstand betekent, dat de mens een hem eigen, van de Schepper ontvangen wet als eigen bezit in zich draagt. Maar de autonomie van het verstand kan niet de schepping van de waarden en van de zedelijke normen door het verstand betekenen. Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Toespraak, Tot een groep bisschoppen uit de Verenigde Staten van Amerika bij gelegenheid van hun 'ad limina'-bezoek (15 okt 1988). 6 Zou een dergelijke autonomie inhouden dat men de deelname van het praktische verstand aan de wijsheid van de goddelijke Schepper en Wetgever loochent of dat men een pleidooi houdt voor een creatieve vrijheid die al naar gelang van de historische omstandigheden of van de verscheidenheid van culturen, zedelijke normen voortbrengt, dan zou een in dier voege bevochten autonomie in tegenstelling zijn met de leer van de Kerk over de waarheid van de mens. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 47 Ze zou de dood betekenen van de ware vrijheid: 'Maar van de boom van de kennis van goed en kwaad zult ge niet eten; want als je daarvan eet, zul je sterven' (Gen. 2, 17).

Ware zedelijke autonomie van de mens betekent zeker niet afwijzing, maar aanvaarding van de zedenwet, het gebod van God: 'God de Heer gebood de mens..' (Gen. 2, 16). De vrijheid van de mens en de wet van God ontmoeten elkaar en hebben de opdracht, om elkaar in de zin van de vrije gehoorzaamheid van de mens aan God en van de onverdiende welwillendheid van God jegens de mens, wederzijds te doordringen. De gehoorzaamheid aan God is dus niet, zoals sommigen menen, een heteronomie, alsof het morele leven onderworpen zou zijn aan een absolute almacht buiten de mens, die in tegenspraak zou zijn met de handhaving van zijn vrijheid. Als heteronomie van de moraal werkelijk ontkenning van de zelfbestemming van de mens of oplegging van normen zou betekenen, die met zijn welzijn niets van doen hebben, dan stond ze in tegenstelling met de openbaring van het Verbond en de verlossende Menswording van God. Een dergelijke heteronomie zou alleen een vorm van vervreemding zijn, tegengesteld aan de goddelijke wijsheid en aan de waardigheid van de menselijke persoon.

Sommigen spreken met recht van theonomie of gedeelde theonomie, omdat de vrije gehoorzaamheid van de mens aan de wet van God inderdaad de deelneming van het menselijke verstand en van de menselijke wil aan de wijsheid en de voorzienigheid van God insluit. Wanneer God de mens verbiedt om 'van de boom van kennis van goed en kwaad te eten', zegt Hij daarmee, dat de mens deze 'kennis' niet als een oorspronkelijk eigen bezit in zich draagt, maar alleen door het licht van het natuurlijke verstand en van de goddelijke openbaring, die hem de eisen en oproepen van de eeuwige wijsheid bekendmaken, daaraan deel heeft. De wet moet als uitdrukking van de goddelijke wijsheid begrepen worden: terwijl de vrijheid zich daaraan onderwerpt, onderwerpt zij zich aan de waarheid van de schepping. Daarom moeten wij in de vrijheid van de menselijke persoon het beeld en de nabijheid van God erkennen, die 'in allen aanwezig is' Vgl. Ef. 4, 6 ; tegelijk moeten we de majesteit van de God van het Al belijden en de heiligheid van de wet van de oneindig transcendente God vereren. Deus semper maior. H. Augustinus, Enarrationes in Psalmos. LXII, 16: CCL 39, 804.

Document

Naam: VERITATIS SPLENDOR
Over kerkelijke moraalleer
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Encycliek
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 6 augustus 1993
Copyrights: © 1995, Katholiek Nieuwsblad
Bewerkt: 3 mei 2020

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2020, Stg. InterKerk, Schiedam