• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

Het antwoord over de geboden bevredigt de jongeman niet, die Jezus vraagt: 'Al deze geboden heb ik in acht genomen. Wat ontbreekt mij nu nog?' (Mt. 19, 20). Het is niet gemakkelijk om met een goed geweten te zeggen: 'Al deze geboden heb ik opgevolgd', wanneer het gewicht van de in Gods wet opgesloten eisen juist en nauwkeurig gewogen wordt. En, ofschoon het hem mogelijk is, zulk een antwoord te geven, en ofschoon hij van jongsaf het zedelijke ideaal met ernst en edelmoedigheid heeft nagestreefd, weet de rijke jongeling, dat hij nog ver van het doel verwijderd is oog in oog met Jezus wordt hij gewaar, dat hem nog iets ontbreekt. Op het besef van dit tekort gaat Jezus in zijn laatste antwoord in: Terwijl de goede Meester het verlangen naar een volheid, die boven de legalistische uitleg van de geboden uitstijgt, oppakt, nodigt Hij de jongeman uit de weg der volmaaktheid in te slaan: 'Wanneer je volmaakt wilt zijn, ga dan, verkoop je bezit en geef het geld aan de armen; zo zul je een blijvende schat in de hemel hebben; kom dan en volg Mij' (Mt. 19, 21).

Zoals reeds de voorgaande passage uit het antwoord van Jezus, zo moet ook deze passage in de samenhang van de hele zedelijke boodschap van het evangelie en vooral in de samenhang van de Bergrede, de zaligsprekingen Vgl. Mt. 5, 3-12 begrepen en geïnterpreteerd worden, waarvan de eerste immers de zaligspreking van de armen is, van hen 'die arm zijn van geest', zoals de H. Mattheus preciseert (Mt. 5, 3), dat wil zeggen de deemoedigen. In deze zin kan men zeggen, dat ook de zaligsprekingen horen in het antwoord dat Jezus op de vraag van de jongeman geeft: 'Wat voor goeds moet ik doen om het eeuwig leven te winnen? '. Iedere zaligspreking belooft immers na een telkens bijzondere visie juist dit 'goede' dat de mens opent voor het eeuwige leven, ja, dat het eeuwige leven zelf is.

De zaligsprekingen hebben eigenlijk geen concrete gedragsnormen tot voorwerp, maar spreken van innerlijke houdingen en existentiële, fundamentele strevingen en vallen daarom niet precies samen met de geboden. Anderzijds bestaat er geen scheiding of discrepantie tussen de zaligsprekingen en de geboden: beide hebben betrekking op het goede, op het eeuwige leven. De Bergrede begint met de verkondiging van de zaligsprekingen, bevat echter ook een relatie tot de geboden. Vgl. Mt. 5, 20-48 Tegelijk toont de Bergrede de opening en oriëntering van de geboden op de perspectieven van de volmaaktheid, die tot de zaligsprekingen hoort. Dit zijn allereerst beloften, waaruit indirect ook normatieve aanwijzingen voor het zedelijk leven voortvloeien. In hun oorspronkelijke diepte zijn ze zo iets als een zelfportret van Christus en juist daarom uitnodigingen tot zijn navolging en tot levensgemeenschap met Hem. Vgl. Catechismus-Compendium, Catechismus van de Katholieke Kerk (15 aug 1997), 1717

We weten niet, in hoeverre de jongeman van het evangelie de diepe en veeleisende inhoud van het antwoord begrepen heeft, dat hem door Jezus gegeven werd: 'Als je het leven wilt bereiken, onderhoud dan de geboden!'; het is niettemin zeker, dat de ijver, die de jongeman tegenover de zedelijke eisen van de geboden laat kennen, de onontbeerlijke bodem is, waarop het verlangen naar volmaaktheid kan kiemen en rijpen, dus naar de verwerkelijking van hun betekenis in de navolging van Christus.

Het gesprek van Jezus met de jongeman helpt ons de voorwaarden voor de zedelijke groei van de tot volmaaktheid geroepen mens te begrijpen: de jongeman, die alle geboden heeft opgevolgd, blijkt niet in staat om op eigen kracht de volgende stap te zetten. Om dat te doen is een rijpe menselijke vrijheid nodig: 'Als je wilt', en het goddelijke geschenk van de genade: 'Kom en volg Mij'.

De volmaaktheid vraagt die rijpheid in de zelfgave, waartoe de vrijheid van de mens geroepen is. Jezus wijst de jongeman op de geboden als de eerste, onopgeefbare voorwaarde, om het eeuwige leven te bereiken; het opgeven van alles wat de jongeman bezit en de navolging van de Heer nemen daarentegen het karakter aan van een aanbod: 'Wanneer je.. wilt'. Het woord van Jezus onthult de bijzondere dynamiek van de groei der vrijheid tot rijpheid en verklaart bovendien de fundamentele betrekking van de vrijheid tot de goddelijke wet. De vrijheid van de mens en de wet van God zijn niet in tegenspraak met elkaar, doch integendeel, ze verwijzen naar elkaar. De leerling van Christus weet, dat zijn roeping een roeping tot vrijheid is. 'Jullie zijn tot vrijheid geroepen, broeders' (Gal. 5, 13), verkondigt de apostel Paulus met vreugde en trots. Maar tegelijk preciseert hij: 'Alleen: neem de vrijheid niet als uitvlucht voor het vlees, maar dient elkaar in liefde!' (ibid). De stevigheid waarmee de apostel zich teweerstelt tegen degene die zijn rechtvaardiging toevertrouwt aan de wet, heeft niets gemeen met de 'bevrijding' van de mens van de geboden, die integendeel in dienst staan van de in de praktijk beoefende liefde: 'Wie immers de anderen liefheeft, heeft de wet vervuld. Want de geboden: Gij zult niet echtbreken, gij zult niet doden, gij zult niet stelen, gij zult niet begeren! en alle andere geboden zijn in deze zin samengevat: Gij zult uw naaste beminnen als uzelf' (Rom. 13, 8-9). Nadat de H. Augustinus over het opvolgen van de geboden als de eerste onvolkomen vrijheid gesproken heeft, gaat hij verder: 'Waarom nog niet volmaakt? Omdat 'ik merk dat in mijn ledematen een andere wet in conflict is met de wet van mijn verstand'.. Deels vrijheid, deels knechtschap: nog niet volmaakt, nog niet rein, nog niet volledig is de vrijheid, omdat wij nog niet in de eeuwigheid zijn. Deels behouden wij de zwakheid en deels hebben we de vrijheid bereikt. Al onze zonden zijn in de doop vernietigd, maar is soms alle zwakheid verdwenen, omdat de hele ongerechtigheid is geschrapt? Zou ze verdwenen zijn, dan zouden wij op aarde zonder zonde leven. Wie zal dat durven beweren, behalve iemand die aanmatigend en daarom de barmhartigheid van de Bevrijder onwaardig is?.. Omdat er dus een zwakheid in ons gebleven is, waag ik het te zeggen, dat wij in de mate waarin we God dienen, vrij zijn, terwijl we in de mate waarin we de wet van de zonde volgen, slaven zijn'. H. Augustinus, In Iohannis Evangelium Tractatus. 41, 10: CCL 36, 363.

Wie 'naar het vlees leeft' ervaart de wet van God als een last, ja als een ontkenning of in elk geval een inperking van de eigen vrijheid. Wie daarentegen bezield is door de liefde en 'zich door God laat leiden' (Gal. 5, 16) en de anderen wil dienen, vindt in de wet van God de fundamentele en noodzakelijke weg tot de praktische oefening van de vrij gekozen en geleefde liefde. Ja, hij merkt de innerlijke drang - een echte en bijzondere 'behoefte' en niet zoiets als dwang - om niet bij de minimumeisen van de wet te blijven staan maar deze eisen in hun volheid te beleven. Het is een nog onzekere en ongewisse weg, zolang als we op aarde zullen zijn, die echter mogelijk wordt gemaakt door de genade die het ons toestaat de volle vrijheid van de kinderen Gods te bezitten Vgl. Rom. 8, 21 , en zo in het zedelijk leven op de verheven roeping te antwoorden, zonen in de Zoon te zijn.

Deze roeping tot volmaakte liefde is niet aan uitverkoren groepen voorbehouden. De oproep: 'Ga, verkoop je bezit en geef het geld aan de armen', met de belofte: 'zo zul je een blijvende schat in de hemel hebben', betreft allen, want het is een fundamentele vernieuwing van het gebod van de naastenliefde, net zoals de volgende uitnodiging: 'Kom en volg Mij' de nieuwe concrete vorm van het gebod van de liefde tot God is. De geboden en de uitnodiging van Jezus aan de rijke jongeling staan in dienst van een enige, ondeelbare liefde, die uit eigen impuls naar volmaaktheid streeft en waarvan de maat alleen God is: 'Jullie moeten volmaakt zijn, zoals ook jullie hemelse Vader het is' (Mt. 5, 48). In het Lucas-evangelie preciseert Jezus de betekenis van deze volmaaktheid verder: 'Weest barmhartig, zoals ook jullie Vader barmhartig is!' (Lc. 6, 36).

Document

Naam: VERITATIS SPLENDOR
Over kerkelijke moraalleer
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Encycliek
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 6 augustus 1993
Copyrights: © 1995, Katholiek Nieuwsblad
Bewerkt: 3 mei 2020

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2020, Stg. InterKerk, Schiedam