• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

De Kerk heeft zich vaak beroepen op de leer van St. Thomas over de natuurwet en haar in haar moraalverkondiging opgenomen. Zo heeft Onze Voorganger Leo XIII de ingeschapen onderschikking van het menselijk verstand en van de menselijke wil aan Gods wijsheid en wet op de voorgrond geplaatst. Nadat hij uiteengezet heeft, dat 'de natuurwet in de harten van de afzonderlijke mensen geschreven en gebeiteld is, daar zij het menselijke verstand zelf is, waar het ons gebiedt, het goede te doen en ons verbiedt om te zondigen', verwijst Leo XIII naar het 'hogere intellect' van de goddelijke Wetgever: 'Maar dit voorschrift van het menselijke verstand zou geen kracht van wet hebben, als het niet de stem en de uitleg van een hoger verstand was, waaraan onze geest en onze vrijheid zich moeten onderwerpen'. De kracht van de wet berust inderdaad op zijn autoriteit om verplichtingen op te leggen, rechten te verlenen en bepaalde gedragingen te belonen of te bestraffen: 'Dat alles zou in de mens niet aanwezig zijn, als hijzelf als opperste wetgever zich de norm voor zijn handelen zou stellen'. En hij zegt afsluitend: 'Daaruit volgt dat de natuurwet de eeuwige wet zelf is, die hun is ingeplant die het verstand gebruiken, en die hen voert tot het verschuldigde handelen en het verschuldigde doel; dit is het eeuwige intellect van de Schepper zelf en van de God die de hele wereld regeert'. Paus Leo XIII, Encycliek, Over de menselijke vrijheid, Libertas praestantissimum (20 juni 1888), 20

De mens kan goed en kwaad kennen dankzij dat onderscheid van goed en kwaad, dat hij zelf met behulp van zijn verstand maakt, in het bijzonder het door de goddelijke openbaring en door het geloof verlichte verstand, krachtens de wet die God aan het uitverkoren volk, te beginnen bij de geboden van de Sinaï, geschonken heeft. Israël was ertoe geroepen, de wet van God als bijzonder geschenk en teken van de uitverkiezing en van het goddelijk verbond en tegelijk als garantie voor de zegen van God te ontvangen en te beleven. Zo kon Mozes zich tot de zonen van Israël wenden en hun vragen: 'Immers, welke grote natie heeft wel goden, die haar zo nabij zijn, als Jahwe, onze God ons nabij is, waar we Hem ook aanroepen? Of welke grote natie bezit wel wetten en rechtsnormen, die zo doelmatig zijn als alles in deze instructie, die ik u vandaag voorleg?' (Deut. 4, 7-8). In de Psalmen kunnen we de gevoelens van lof, dankbaarheid en verering vinden, die het uitverkoren volk tegenover de wet Gods moet koesteren, samen met de vermaning, om haar te leren kennen, te overdenken en in praktijk te brengen te brengen: 'Gelukkig de man die niet treedt in het overleg van de bozen, op de weg van de schenders geen voet zet, niet zit in de kring van de spotters; die veeleer in de wet van de Heer zich vermeit, zijn wet overpeinst dag en nacht' (Ps. 1, 1-2). 'De wet van Jahwe is volmaakt: en behoedt de ziel voor verdwalen, Jahwe's getuigenis waarachtig, het schenkt onwetenden wijsheid; wat Jahwe bepaalt, dat is recht, een verheugenis is het des harten; het gebod van Jahwe is onaantastbaar: het schept verheldering van ogen' (Ps. 19, 8-9).

Document

Naam: VERITATIS SPLENDOR
Over kerkelijke moraalleer
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Encycliek
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 6 augustus 1993
Copyrights: © 1995, Katholiek Nieuwsblad
Bewerkt: 29 oktober 2020

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2021, Stg. InterKerk, Schiedam