• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

Ware zedelijke autonomie van de mens betekent zeker niet afwijzing, maar aanvaarding van de zedenwet, het gebod van God: 'God de Heer gebood de mens..' (Gen. 2, 16). De vrijheid van de mens en de wet van God ontmoeten elkaar en hebben de opdracht, om elkaar in de zin van de vrije gehoorzaamheid van de mens aan God en van de onverdiende welwillendheid van God jegens de mens, wederzijds te doordringen. De gehoorzaamheid aan God is dus niet, zoals sommigen menen, een heteronomie, alsof het morele leven onderworpen zou zijn aan een absolute almacht buiten de mens, die in tegenspraak zou zijn met de handhaving van zijn vrijheid. Als heteronomie van de moraal werkelijk ontkenning van de zelfbestemming van de mens of oplegging van normen zou betekenen, die met zijn welzijn niets van doen hebben, dan stond ze in tegenstelling met de openbaring van het Verbond en de verlossende Menswording van God. Een dergelijke heteronomie zou alleen een vorm van vervreemding zijn, tegengesteld aan de goddelijke wijsheid en aan de waardigheid van de menselijke persoon.

Sommigen spreken met recht van theonomie of gedeelde theonomie, omdat de vrije gehoorzaamheid van de mens aan de wet van God inderdaad de deelneming van het menselijke verstand en van de menselijke wil aan de wijsheid en de voorzienigheid van God insluit. Wanneer God de mens verbiedt om 'van de boom van kennis van goed en kwaad te eten', zegt Hij daarmee, dat de mens deze 'kennis' niet als een oorspronkelijk eigen bezit in zich draagt, maar alleen door het licht van het natuurlijke verstand en van de goddelijke openbaring, die hem de eisen en oproepen van de eeuwige wijsheid bekendmaken, daaraan deel heeft. De wet moet als uitdrukking van de goddelijke wijsheid begrepen worden: terwijl de vrijheid zich daaraan onderwerpt, onderwerpt zij zich aan de waarheid van de schepping. Daarom moeten wij in de vrijheid van de menselijke persoon het beeld en de nabijheid van God erkennen, die 'in allen aanwezig is' Vgl. Ef. 4, 6 ; tegelijk moeten we de majesteit van de God van het Al belijden en de heiligheid van de wet van de oneindig transcendente God vereren. Deus semper maior. H. Augustinus, Enarrationes in Psalmos. LXII, 16: CCL 39, 804.

Document

Naam: VERITATIS SPLENDOR
Over kerkelijke moraalleer
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Encycliek
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 6 augustus 1993
Copyrights: © 1995, Katholiek Nieuwsblad
Bewerkt: 29 oktober 2020

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2021, Stg. InterKerk, Schiedam