• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

Het antwoord van Jezus is voor de jonge man niet voldoende, en hij vraagt de Meester verder over de geboden die onderhouden moeten worden; 'Daarna vroeg hij Hem: Welke?' (Mt. 19, 18). Hij vraagt wat hij in het leven zou moeten doen om de erkenning van de heiligheid van God te verkondigen. Nadat Jezus de blik van de jongeman op God heeft gebracht, herinnert Hij hem aan de geboden van de Catechismus-Compendium
Tien Geboden
()
, die betrekking hebben op de naaste; 'Jezus antwoordde: Je zult niet doden, je zult niet echtscheiden, je zult niet stelen, je zult niet vals getuigen, eer je vader en je moeder! En: Je zult je naaste liefhebben als jezelf' (Mt. 18-19).

Uit de samenhang van het gesprek, en vooral uit de vergelijking van de tekst bij Mattheus met de parallelplaatsen bij Marcus en Lucas blijkt dat Jezus niet de bedoeling heeft, alle geboden, die nodig zijn om 'het leven te bereiken', één voor één op te sommen; maar dat het er Hem veeleer om gaat, de jonge man te wijzen op de 'centrale plaats' van de tien geboden voor alle andere geboden om aan te geven wat voor de mens 'Ik ben de Heer uw God' betekent. Het kan dus niet aan onze aandacht ontsnappen, aan welke geboden van de wet de Heer de jongeman herinnert: het zijn enkele geboden, die tot de zogenaamde 'tweede tafel' van de Decaloog horen, waarvan de samenvatting Vgl. Rom. 13, 8-10 en het fundament het gebod van de naastenliefde is: 'Bemin uw naaste als uzelf' (Mt. 19, 19) Vgl. Mc. 12, 31 . In dit gebod komt heel duidelijk de unieke waarde van de menselijke persoon tot uitdrukking, die 'het enige schepsel is, dat God omwille van zichzelf gewild heeft'. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 24 De verschillende geboden van de Catechismus-Compendium
Tien Geboden
()
weerspiegelen inderdaad slechts dat ene dat de menselijke persoon betreft, op de zelfde wijze als waarop de veelvoudige bona de identiteit van de menselijke persoon als geestelijk en lichamelijk wezen in zijn betrekking met God, met de naaste en met de wereld van de dingen aanduiden. Zoals wij in de Catechismus-Compendium
Catechismus van de Katholieke Kerk
(15 augustus 1997)
lezen 'zijn de tien geboden deel van de openbaring van God. Tegelijkertijd leren zij ons de ware natuur van de mens. Zij brengen zijn wezenlijke plichten naar voren en daarmee, indirect, ook de grondrechten die eigen zijn aan de natuur van de menselijke persoon'. Catechismus-Compendium, Catechismus van de Katholieke Kerk (15 aug 1997), 2070

De geboden waaraan Jezus zijn jonge gesprekspartner herinnert zijn ervoor bestemd het welzijn van de persoon, evenbeeld van God, door de bescherming van zijn bona te garanderen. 'Je zult niet doden, je zult niet echtbreken, je zult niet stelen, je zult niet vals getuigen', zijn zedelijke regels die als verboden zijn geformuleerd. De negatieve voorschriften drukken bijzonder krachtig de absolute eis uit om het menselijk leven, de gemeenschap van personen in het huwelijk, het privé-eigendom, de waarachtigheid en de goede naam te beschermen.

De geboden bieden dus de grondvoorwaarden voor de naastenliefde; tegelijkertijd dienen ze als controle daarvoor. Zij vormen de eerste noodzakelijke etappe op de weg naar de vrijheid, haar begin: 'De eerste vrijheid - schrijft de heilige Augustinus -bestaat in het vrij zijn van schuldige daden: dat zouden bv. moord zijn, echtbreuk, ontucht, diefstal, bedrog, Godslastering enz. Wanneer iemand begint niets met deze wandaden van doen te hebben (en geen christen mag iets daarmee van doen hebben), begint hij het hoofd op te heffen naar de vrijheid, maar dat is pas het begin van de vrijheid, niet de volkomen vrijheid..'. H. Augustinus, In Iohannis Evangelium Tractatus. 41, 10: CCL 36, 363.

Men kan nu de ware betekenis van de natuurwet begrijpen: Ze heeft betrekking op de eigenlijke en oorspronkelijke natuur van de mens, op de natuur van de 'menselijke persoon', 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 15 die de persoon zelf in de eenheid van ziel en lichaam is in de eenheid van haar zowel geestelijke als biologische voorkeuren en van alle andere specifieke kenmerken, die voor het bereiken van haar eindbestemming noodzakelijk zijn. 'De natuurlijke zedenwet drukt uit en schrijft voor de doelstellingen, rechten en plichten, die steunen op de lichamelijke en geestelijke natuur van de menselijke persoon. Ze kan dus niet als louter biologisch maatgevend begrepen worden, maar moet als de orde van het verstand gedefinieerd worden, volgens welke de mens door de Schepper ertoe geroepen is, zijn leven en zijn handelingen te sturen en te regelen en in het bijzonder van zijn lichaam gebruik te maken en daarover te beschikken'. Congregatie voor de Geloofsleer, Over het beginnend menselijk leven en waardigheid van de voortplanting, Donum Vitae (22 feb 1987), 3 Vgl. H. Paus Paulus VI, Encycliek, Het menselijk leven en geboorteregelingen, Humanae Vitae (25 juli 1968), 10 Bijvoorbeeld: oorsprong en fundament van de verplichting tot absoluut respect voor het menselijk leven liggen in de waardigheid die de menselijke persoon eigen is, en niet louter in de natuurlijke neiging om zijn fysieke leven te behouden. Zo wint het menselijk leven, dat een fundamenteel goed van de mens is, aan morele betekenis met het oog op het welzijn van de persoon, dat zich steeds omwille van zichzelf moet doen gelden: terwijl het moreel altijd ongeoorloofd is, een onschuldige mens te doden, kan het toegestaan, prijzenswaardig en zelfs geboden zijn, uit naastenliefde of als getuigenis voor de waarheid het eigen leven te geven Vgl. Joh. 15, 13 . In werkelijkheid kan men alleen met betrekking tot tot de menselijke persoon in haar 'verenigde totaliteit', dat wil zeggen 'als ziel die zich uitdrukt in het lichaam en als lichaam dat van een onsterfelijke geest doorleefd wordt', H. Paus Johannes Paulus II, Postsynodale Apostolische Exhortatie, Over de taken van het christelijk gezin in de wereld van deze tijd, Familiaris Consortio (22 nov 1981), 11 de specifiek menselijke betekenis van het lichaam begrijpen. De natuurlijke neigingen winnen immers alleen aan zedelijke betekenis, voorzover ze betrekking hebben op de menselijke persoon en haar authentieke verwerkelijking, die van de andere kant altijd en uitsluitend binnen het kader van de menselijke natuur tot stand kan komen. Wanneer de Kerk manipulaties van de lichamelijkheid, die haar menselijke betekenis vervalsen, afwijst, dan dient zij de mens en wijst hem de weg van de ware liefde, waarop alleen hij de ware God kan vinden.

De zo begrepen natuurwet laat geen ruimte voor een scheiding van vrijheid en natuur: ze zijn werkelijk harmonisch met elkaar verweven en ten diepste met elkaar verbonden.

Daarom moet men de opvatting, die typisch is voor teleologische en proportionalistische theorieën, afwijzen, dat het onmogelijk is om de bewuste keuze van enkele gedragswijzen resp. concrete handelingen naar hun species - hun 'object' - als zedelijk slecht te beoordelen zonder de bedoeling, waarmee deze keuze gemaakt werd, of zonder het geheel van voorzienbare gevolgen van die handelingen voor alle betrokken personen te respecteren.

Het element dat voorrang heeft en beslissend is voor het morele oordeel is het object van de menselijke handeling dat erover beslist, of zij op het goede en op het laatste doel, dat God is, afgestemd kan worden. Of dit zo is, herkent het verstand in het zijn van de mens zelf, begrepen in zijn waarheid in volle omvang, en daarmee met inachtneming van zijn natuurlijke neigingen, zijn impulsen en doelgerichtheden, die altijd ook een geestelijke dimensie bezitten: Precies die zaken vormen de inhoud van de natuurwet en daarmee het geordende geheel van 'bona voor de menselijke persoon' die zich in dienst stellen van het 'goede van de persoon', het goede, dat zij zelf en dat haar voltooiïng is. dat zijn de door de geboden (van de Decaloog) beschermde bona, die volgens de H. Thomas de hele natuurwet bevat. Vgl. H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae. I-II, q. 100, a. 1

Document

Naam: VERITATIS SPLENDOR
Over kerkelijke moraalleer
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Encycliek
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 6 augustus 1993
Copyrights: © 1995, Katholiek Nieuwsblad
Bewerkt: 29 oktober 2020

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2021, Stg. InterKerk, Schiedam