• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

BEANTWOORDEN WIJ AAN DE VRAAG OM RECHTVAARDIGHEID WELKE DE ARME LANDEN VAN DE WERELD ONS STELLEN
Tot de 21e algemene vergadering van de wereldvoedsel- en landbouworganisatie (FAO)

Meneer de voorzitter,
meneer de directeur-generaal van de voedsel- en landbouworganisatie,
eminente afgevaardigden en waarnemers,

Terwijl ik een gelukkige in voorafgaande jaren ingestelde traditie onderhoud, doet het me vandaag het genoegen u allen hartelijk welkom te heten, die de 21e zitting van de FAO-conferentie uitmaken.

Het belang van uw organisatie is vanzelfsprekend, daar haar doelstelling is de landbouwontwikkeling te bevorderen en het verschaffen van voldoende voedsel voor ieder menselijk wezen.

In dit opzicht is de wereldsituatie vandaag verre van bevredigend hoewel er ook factoren van hoop zijn. Honger en ondervoeding zijn nog al te werkelijk voor miljoenen mensen. De strijd tegen honger en ondervoeding kan en moet worden voortgezet door de vasthoudende en eensgezinde inspanningen van allen: van enkelingen, groepen en vrijwillige verenigingen, van particuliere en openbare instellingen, van regeringen en internationale organisaties, vooral die welke programma's en activiteiten uitvoeren die multilateraal zijn of zelfs volledig altruïstisch, terwille van die landen die het zwakst zijn en het meest hulp nodig hebben.

De krachtige inspanningen van allen moeten, met absolute voorrang, worden gericht op de uitroeiing van 'absolute armoede', die armoede welke de bevolkingen van vele ontwikkelingslanden teistert. Absolute armoede is een situatie waarin het leven zo beperkt is door gebrek aan voedsel, door ondervoeding, ongeletterdheid, hoge kindersterfte en levensvooruitzicht van de lagere standen dat het beneden iedere redelijke bepaling van menselijke welvoeglijkheid is. Het voortduren van een dergelijke vernederende armoede, en vooral het ontbreken van het absolute basisminimum aan voedsel, is een schandaal van de moderne wereld waarin enorme tegenstellingen worden gevonden van inkomens en levensstandaards tussen rijke landen en landen die materieel arm zijn.

De situaties van onderontwikkeling en werkelijke afhankelijkheid welke de ontwikkelingslanden kenmerken, kunnen niet alleen worden toegeschreven aan een gebrek aan wil en inzet van de kant van de betreffende bevolkingen noch aan de corruptie en overdreven verrijking van de kant van enkele mensen binnen gemeenschappen die onlangs de onafhankelijkheid hebben verkregen. Want deze situaties worden ook gehandhaafd en bevorderd door starre en achterlijke zowel nationale als internationale economische en sociale structuren, structuren die niet plotseling veranderd kunnen worden, maar die door een lang en geleidelijk proces dienen te worden veranderd, de vrucht van een langdurige en gezamenlijke inspanning volgens de normen van de rechtvaardigheid in de betrekkingen tussen de volkeren van heel de wereld.

Nooit mag worden vergeten, dat het ware doel van ieder economisch, sociaal en politiek systeem en van elk ontwikkelingsmodel de algehele vooruitgang van de menselijke persoon is. Ontwikkeling is duidelijk iets veel fundamentelers dan een louter economische vooruitgang gemeten naar het bruto nationaal product. Echte ontwikkeling neemt de menselijke persoon als haar norm met alle behoeften, rechtmatige verwachtingen en fundamentele rechten die hem of haar toekomen. Dit is het centrale denkbeeld, dat ik in mijn onlangs gepubliceerde encycliek "H. Paus Johannes Paulus II - Encycliek
Laborem Exercens
Op de negentigste verjaardag van de encycliek Rerum Novarum
(14 september 1981)
" voorstelde.

Haar doel is de nadruk te leggen op 'de mens die werkt' en dus bijdraagt aan de economische ontwikkeling en de burgerlijke vooruitgang van zijn eigen land en van de hele wereld.

Menselijke arbeid vormt in feite de 'wezenlijke sleutel' van heel de sociale kwestie. Het is een fundamentele norm voor een kritische waardering van de keuzen van binnenlands en internationaal beleid, welke u geroepen bent op deze algemene vergadering van de FAO uit te voeren. Het is een norm voor de hervorming van de economische betrekkingen en systemen op wereldomspannend niveau, altijd vanuit het gezichtspunt van het welzijn van de mens. Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, Op de negentigste verjaardag van de encycliek Rerum Novarum, Laborem Exercens (14 sept 1981), 3

Deze 21e zitting van de conferentie van de FAO onderzoekt en probeert, onder andere agendapunten, de slotresoluties van de wereldconferentie over landhervorming en plattelandsontwikkeling van kracht te doen worden. Ik heb reeds de gelegenheid gehad in dit opzicht H. Paus Johannes Paulus II - Toespraak
Tot de deelnemers aan de wereldconferentie over landhervorming en plattelandsontwikkeling (14 juli 1979)
.

Op dit moment wil ik alleen met de woorden van H. Paus Johannes Paulus II - Encycliek
Laborem Exercens
Op de negentigste verjaardag van de encycliek Rerum Novarum
(14 september 1981)
bevestigen, dat 'in talrijke situaties ... radicale en dringende veranderingen noodzakelijk zijn om de landbouw - en aan de landbouwers - hun rechtmatige waarde terug te geven als basis van een gezonde economie, in het geheel van de ontwikkeling van de sociale gemeenschap' H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, Op de negentigste verjaardag van de encycliek Rerum Novarum, Laborem Exercens (14 sept 1981), 21 Daarom waardeer ik op bijzondere wijze de oproep, welke uw vergadering van plan is te doen voor de erkenning van de voorrang van de landbouwontwikkeling en voedselproductie op nationaal, regionaal en wereldomspannend niveau. Dit is bijzonder belangrijk voor deze tijd, wanneer wij proberen een strategie te bedenken voor een wereldomspannende ontwikkeling in de tachtiger jaren.

Bovendien moet groot belang worden toegekend aan de huidige politieke planning voor wereldomspannende ontwikkeling, waardoor men de ontwikkelingslanden wil aanmoedigen zelfbetrouwend te worden, en hun eigen nationale strategie voor ontwikkeling te bepalen en van kracht te doen worden, met een model dat aangepast is aan de actuele omstandigheden, mogelijkheden en de unieke cultuur van elk land. Maar dit mag de welvarender landen geen gemakkelijke verontschuldiging verschaffen om hun verantwoordelijkheden te ontwijken, alsof zij de ontwikkelingslasten aan de behoeftige landen alleen kunnen overlaten: deze laatsten moet integendeel een soort evenredige buitenlandse steun worden gewaarborgd welke hun waardigheid en zelfstandigheid van initiatief eerbiedigt.

Er kan geen twijfel over bestaan, dat de ontwikkelingslanden technische en financiële hulp nodig hebben om onafhankelijk te worden in landbouwproductie en zo in staat te zijn hun eigen mensen te voeden.

Een paar ontwikkelingslanden beginnen een niveau van onafhankelijkheid te bereiken tenminste in enkele basisproducten, dankzij dikwijls hun eigen inspanningen, geholpen door meer welvarende landen. Dit is een bemoedigend teken; maar er zijn vele andere landen met geringe hulpmiddelen en ernstige voedseltekorten, die op grote schaal en dringend hulp nodig hebben om hun armoede te overwinnen.

De steeds duidelijker onderlinge afhankelijkheid onder de verschillende landen van deze wereld vraagt, dat de verschillen van economische en politieke belangen worden overwonnen en dat grotere uitdrukking wordt gegeven aan de solidariteit welke alle volkeren verbindt in het ene gezin.

Maar de vragen van rechtvaardigheid in wereldsolidariteit kunnen niet louter voldaan worden door de verdeling van 'overschotten', zelfs als deze evenredig en tijdelijk zijn. Want de vragen naar solidariteit roepen om een steeds groter en doeltreffender bereidwilligheid om voor alle mensen, vooral voor degenen die het meest hulp nodig hebben voor hun ontwikkeling, 'de verschillende rijkdommen van de natuur' beschikbaar te stellen: 'van onder de grond, van de zee, van de aarde, van de ruimte'. H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, Op de negentigste verjaardag van de encycliek Rerum Novarum, Laborem Exercens (14 sept 1981), 12 De allereerste bestemming van de hulpbronnen van de aarde voor het algemeen welzijn eist, dat in de levensbehoeften voor alle menselijke wezens wordt voorzien voordat enkelingen of groepen voor zichzelf de rijkdommen van de natuur of de produkten van menselijke kundigheid toeëigenen.

Vandaar de noodzaak doeltreffende samenwerking tot stand te brengen tussen hoog ontwikkelde landen en landen die nodig hebben dat hun beperkte capaciteiten en hulpbronnen van buitenaf worden aangevuld. Daarom moeten vormen van hulp worden gezocht die een voortdurende toevlucht vermijden tot investeringen die verworven zijn door drukkende leningen uit particuliere bronnen, of uit bronnen die niet zo belangeloos zijn als de multilaterale methoden van de intergouvernementele organisaties.

Ik wil vooral het ernstigst mogelijke beroep doen op het morele geweten van de mensen voor de concrete bekrachtiging van de objectieve normen van rechtvaardigheid welke de betrekkingen moeten regelen tussen de subjecten van de burgerlijke gemeenschap, hetzij dat enkelingen zijn of groepen en ondernemingen, of soevereine landen. In deze zin moeten de verplichtingen worden erkend die op de eerste plaats vanuit ethisch standpunt de meer gevorderde landen binden, zoals die van het zogenaamde 'noorden' ten aanzien van de ontwikkelingslanden van het zogenaamde 'zuiden'. De rechtvaardigheid eist dat iedere natie zijn verantwoordelijkheidsdeel moet aanvaarden voor de ontwikkeling van de behoeftige naties in ware internationale solidariteit, terwijl ze zich bewust zijn dat alle volkeren een gelijke waardigheid bezitten en dat alle naties samen een wereld omspannende gemeenschap vormen. Moeilijke beslissingen moeten worden genomen wat betreft het aandeel dat de economisch rijke naties zullen hebben ten aanzien van de structuren die gezamenlijk moeten worden gevormd om nieuwe en rechtvaardige verhoudingen te scheppen in alle ontwikkelingsgebieden. Alle naties hebben aanspraak op de solidariteit van alle anderen, maar de naties die heel het bestaan en de waardigheid van hun mensen bedreigd Zien, hebben een voorrangsaanspraak. Beantwoorden aan deze aanspraak is geen luxe. Het is een plicht.

Terwijl ik u deze gedachten ter overweging geef, wil ik u nogmaals verzekeren van mijn achting voor uw personen en van mijn volledige steun voor uw werk. Als iemand wiens gehele bediening bestaat in het vertegenwoordigen van Christus op aarde ~ de historisch medelijdende Christus die bezorgd was voor de behoeftigen en de hongerigen te eten gaf kan ik niet anders dan getuigen van mijn diepe bewondering voor de bijdrage die u door eensgezinde inspanningen levert voor de zaak van de mensheid. Moge de almachtige God u ondersteunen in uw taak.

Met verwijzing naar het agendapunt, dat handelt over de energie in de landbouw en voor de plattelandsontwikkeling, heb ik het genoegen de voorzitter van deze conferentie en de directeur-generaal van de FAO een afschrift aan te bieden van de handelingen van de H. Paus Johannes Paulus II - Toespraak
Energie en mensheid
Studieweek georganiseerd door de Pauselijke Academie van Wetenschappen (14 november 1980)
.

Document

Naam: BEANTWOORDEN WIJ AAN DE VRAAG OM RECHTVAARDIGHEID WELKE DE ARME LANDEN VAN DE WERELD ONS STELLEN
Tot de 21e algemene vergadering van de wereldvoedsel- en landbouworganisatie (FAO)
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Toespraak
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 13 november 1981
Copyrights: © 1982, Archief van de Kerken, jrg. 37, p. 87-90
Bewerkt: 20 maart 2021

Referenties naar dit document

 
Geen documenten gevonden!
 
Geen berichten gevonden!

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2021, Stg. InterKerk, Schiedam