• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

Velen eisen in deze dagen het recht op geslachtelijke vereniging voor het aangaan van het huwelijk, tenminste wanneer de vaste wil om te trouwen aanwezig is en de in zekere zin echtelijke liefde bij beiden deze voltooiing vraagt welke zijzelf in overeenstemming met de natuur achten; en dit vooral als de huwelijkssluiting door uiterlijke omstandigheden wordt verhinderd of deze innige vereniging noodzakelijk wordt geacht om de liefde zelf te bewaren.

Een dergelijke opvatting is tegen de Christelijke leer welke bepaalt, dat elke geslachtsdaad van de mens binnen de grenzen van het huwelijk dient te worden gehouden. Want hoe vast het voornemen ook is van hen die zich door deze voortijdige betrekkingen binden, toch waarborgen deze verbintenissen niet, dat de oprechtheid en trouw van de wederzijdse betrekking tussen mannen en vrouwen worden gewaarborgd, vooral niet dat deze betrekking tegen de onbestendigheid van de begeerte en willekeur wordt beschermd. Maar Christus de Heer heeft deze verbintenis duurzaam gewild en haar in haar oorspronkelijke toestand hersteld welke in het verschil van de geslachten gefundeerd is. "Hebt gij niet gelezen, dat de Schepper in het begin hem als man en vrouw gemaakt heeft en gezegd heeft: Daarom zal de man zijn vader en moeder verlaten om zich te binden aan zijn vrouw en deze twee zullen worden één vlees? Zo zijn zij dus niet langer twee, één vlees als zij geworden zijn. Wat God derhalve heeft verbonden, mag een mens niet scheiden." Vgl. Mt. 19, 4-6 De heilige Paulus spreekt in nog duidelijker bewoordingen, wanneer hij leert, dat, als ongehuwden of weduwen niet in onthouding kunnen leven, er geen andere keuze voor hen overblijft dan de duurzame verbintenis van het huwelijk: "...Het is beter te trouwen dan van begeerte te branden." (1 Kor. 7, 9). Door het huwelijk wordt de liefde tussen de echtgenoten namelijk opgenomen in de liefde waarmee Christus op onherroepelijke wijze de Kerk bemint Vgl. Ef. 5, 25 - 32 een lichamelijke vereniging echter in ontucht Geslachtelijke vereniging buiten het huwelijk is formeel afgewezen: 1 Kor. 5, 1; 6, 9; 7, 2; 10, 8 en Ef. 5, 5 en 1 Tim. 1, 10 en Heb. 13, 4; en met redenen omkleed: 1 Kor. 6, 12-20 bezoedelt de tempel van de Heilige Geest die een Christen zelf is geworden. Een lichamelijke vereniging is niet wettig tenzij een blijvende levensgemeenschap tussen man en vrouw tot stand wordt gebracht.

Dit heeft de Kerk altijd begrepen en geleerd Vgl. Paus Innocentius IV, Brief, Aan de bisschop van Tusculum, Sub catholicae professione (6 mrt 1254), 18 Vgl. Paus Pius II, Brief, Cum sicut accepimus (13 nov 1459), 7 Vgl. Heilig Officie, Diverse dwalingen aangaande de moraal, Errores doctrinae moralis laxioris (24 sept 1665), 25 Vgl. Heilig Officie, Diverse dwalingen aangaande de moraal, Errores varii de rebus moralibus (2 mrt 1679), 48 Paus Pius XI, Encycliek, Over het Christelijk huwelijk, met inachtneming der in gezin en maatschappij heersende toestanden, noden, dwalingen en misbruiken, Casti Connubii (31 dec 1930), 61-62 die overigens de grootste overeenstemming met haar leer in de opvattingen van de menselijke wijsheid vindt en in de getuigenissen van de geschiedenis.

De ervaring leert, dat de liefde door de duurzaamheid van het huwelijk moet worden beschermd, opdat de geslachtelijke vereniging werkelijk aan de eisen van haar eigen finaliteit en van de menselijke waardigheid voldoet. Deze eisen vragen echter een huwelijksverbond dat door de gemeenschap is bekrachtigd en beschermd; dit verbond brengt een levensstaat tot stand die zowel voor de uitsluitende verbintenis van man en vrouw alsook voor het welzijn van hun gezin en de hele menselijke samenleving van het hoogste belang is. En inderdaad sluiten geslachtelijke verenigingen die aan het wettige huwelijk voorafgaan meestal de verwachting van een kind uit. Deze liefde, die ten onrechte als echtelijk wordt voorgesteld, zal niet tot vader- en moederliefde kunnen uitgroeien zoals ongetwijfeld behoort; als dat soms gebeurt, valt dat ongetwijfeld in het nadeel van de kinderen uit, daar zij immers de blijvende samenleving missen waarin zij naar behoren opgroeien, hun weg vinden en hulp om zich in de hele samenleving in te voegen.

De instemming derhalve van hen die zich in het huwelijk wensen te verbinden, moet uiterlijk te kennen worden gegeven en op zo'n manier, dat het ook tegenover de gemeenschap van kracht kan zijn. De gelovigen moeten volgens de wetten van de Kerk hun instemming uitspreken om een huwelijksgemeenschap aan te gaan, welke namelijk bewerkt, dat het huwelijk een sacrament van Christus wordt.

Document

Naam: PERSONA HUMANA
Over enkele vraagstukken van de seksuele ethiek
Soort: Congregatie voor de Geloofsleer
Auteur: Franjo Kardinaal Seper
Datum: 29 december 1975
Copyrights: © Archief van de Kerken, 31e jrg (1976) nr. 4, p. 142 - 154
Bewerkt: 7 november 2019

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
Trefwoordenlijst voor dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2020, Stg. InterKerk, Schiedam