• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

GEBED 11. - HET GEBED VAN DE PSALMEN (2)
Catechesereeks over het gebed - Aula Paulus VI

Dierbare broeders en zusters, goedendag!

Vandaag zullen we, omwille van het coronavirus, op een enigszins ongewone wijze deze audiëntie moeten beleven. Jullie met een mondmasker op en afstand houdend. Ik van jullie verwijderd, zodat ik niet kan doen wat ik gewoonlijk doe: dichtbij jullie komen en handen schudden. Het spijt mij, maar dit gebeurt omwille van jullie veiligheid. Maar weet dat ik met het hart dicht bij jullie ben. Terwijl de schriftlezing gebeurde werd mijn aandacht getrokken door een wenend kindje. Het werd door zijn/ haar moeder gewiegd en kreeg de borst. Ik dacht “zo doet God met ons, zoals die mama”. Met heel veel tederheid wiegde ze het kind en gaf het de borst. Dat zijn schitterende beelden. Wanneer dat in de kerk gebeurt weten we: er is de tederheid van een mama zoals vandaag. En we weten: de tederheid van de moeder is symbool van de tederheid van God voor ons. Een kind dat in de kerk weent, mag je niet doen ophouden want het is de stem die de tederheid van God wekt. Dank voor je getuigenis.

Vandaag vervolledigen we de catechese over het bidden van de Psalmen. Laten we op de eerste plaats vaststellen dat in de Psalmen vaak een negatief personage optreedt, genaamd de “goddeloze”, iemand die leeft alsof God niet bestaat. Een persoon zonder enige band met het transcendente, zonder rem op zijn aanmatiging, zonder vrees voor het oordeel over zijn denken en doen.

Om die reden benadert het Psalterium het gebed als de fundamentele werkelijkheid van het leven. De verwijzing naar het absolute en naar het transcendente – door de meesters der ascese “de heilige vreze Gods” genoemd – is dat wat ons ten volle menselijk maakt. Het is de grens die ons voor onszelf behoedt door te verhinderen dat we met dit leven op een vraatzuchtige en verslindende wijze omgaan. Het gebed is de redding van het menselijk wezen.

Zeker, er bestaat ook het valse gebed, een gebed gedaan uitsluitend om door de anderen bewonderd te worden. Het gaat dan om hen die naar de Mis gaan alleen om te laten zien dat men katholiek is of om de laatste mode te showen, of om een goed figuur te slaan. Ze gaan naar een loos gebed. De waarschuwing van Jezus is op dit punt heel sterk. Vgl. Mt. 6, 5-6 Vgl. Lc. 9, 14 Maar als de ware geest van het gebed aanvaard wordt en in het hart neerdaalt, dan doet het ons de werkelijkheid bekijken met de ogen van God zelf.

Als men bidt, krijgt alles “dichtheid”. Dat is het eigenaardige in het gebed. Misschien begint het als een doorzichtige zaak, maar die zaak krijgt dichtheid, krijgt gewicht, alsof God ze ter hand neemt en omvormt. De slechtste dienst die men kan bewijzen, zowel aan God als aan de mens, is vermoeid te bidden, als een gewoonte. Bidden als papegaaien. Neen, je bidt met je hart. Het gebed is het centrum van het leven. Door het gebed wordt de broeder, de zuster, ook de vijand belangrijk. Een oude spreuk van de eerste christelijke monniken zegt het zo: “Zalig de monnik die, na God, alle mensen als God beschouwt” Evagrius van Pontus, De oratione (1 jan 399). 123 Wie God aanbidt, houdt van Zijn kinderen. Wie God eerbiedigt, eerbiedigt de mensen.

Daarom ook is het gebed geen pijnstiller om de angsten van het leven te verzachten of, een dergelijk gebed is zeker niet christelijk. Het gebed maakt eerder ieder van ons verantwoordelijk. Dat zien we duidelijk in het “Onze Vader” dat Jezus zijn leerlingen leerde.

Om deze wijze van bidden te leren is het Psalterium een grote leerschool. We hebben gezien dat de Psalmen nooit gezochte of zoete woorden gebruiken. Vaak zijn ze getekend met littekens van het bestaan. En toch werden al deze gebeden eerst gebruikt in de Tempel van Jeruzalem en daarna in de synagogen. Ook de meest innerlijke en persoonlijke. De Catechismus-Compendium
Catechismus van de Katholieke Kerk
(15 augustus 1997)
zegt het als volgt: “De veelvormige uitdrukkingen van het Psalmgebed komen zowel in de tempelliturgie als in het hart van de mens tot leven” Catechismus-Compendium, Catechismus van de Katholieke Kerk (15 aug 1997), 2588 En zo ontspringt en voedt het persoonlijke gebed zich aan dat van het volk en van de Kerk later.

Ook de Psalmen in eerste persoon enkelvoud die de gedachten en problemen vertolken van een enkeling, zijn collectieve erfenis, zodat ze door allen voor allen gebeden worden. Het gebed van de christen heeft de “adem”, de spirituele “spanning” die tijd en wereld samenhoudt. Het gebed kan beginnen in het schemerdonker van een kerkbeuk, maar vervolgt dan zijn weg door de straten van de stad. En omgekeerd, het kan ontstaan tijdens de dagelijkse bezigheden en zijn voltooiing vinden in de liturgie. De deuren van de kerken zijn geen schermen, maar doordringbare “vliezen”, in staat om de kreet van allen op te vangen.

In het gebed van het Psalterium is de wereld steeds aanwezig. De Psalmen geven bijvoorbeeld stem aan de goddelijke belofte van verlossing van de meest zwakken: “Ik zal mij nu oprichten – zegt de Heer – om de verdrukking van de armen, omwille van het zuchten van de misdeelden” (Ps. 12, 6). Of ze waarschuwen voor het gevaar van de wereldse bezittingen, want “Wie dit niet begrijpt, hoe rijk hij ook is: hij is als de dieren, gedoemd om te sterven” (Ps. 49, 21). Of nog, ze openen voor de blik van God op de geschiedenis: “De Heer doorkruist wat de volken beramen, verijdelt wat naties ontwerpen. Wat Hijzelf beraamt, gebeurt altijd, wat zijn hart bedenkt, geldt voor elke generatie” (Ps. 33, 10-11).

Besluitend, waar God is daar moet ook de mens zijn. De Heilige Schrift is uitdrukkelijk: “Wij hebben lief, omdat Hij ons het eerst heeft liefgehad. Maar als iemand zegt dat hij God liefheeft, terwijl hij zijn broeder haat, is hij een leugenaar. Want als hij zijn broeder die hij ziet niet liefheeft, kan hij God niet liefhebben die hij nooit heeft gezien. Dit gebod hebben wij dan ook van Hem gekregen: wie God liefheeft moet ook zijn broeder liefhebben.” (1 Joh. 4, 19-21). De Schrift kent het geval van iemand die God oprecht zoekt, maar Hem toch niet ontmoet. De Schrift zegt ook dat men de tranen van de armen nooit mag negeren op straffe God niet te ontmoeten. God verdraagt het “atheïsme” niet van wie het goddelijk beeld ontkent dat in elke mens aanwezig is. Dat is het dagelijks atheïsme: ik geloof in God maar van de anderen houd ik mij ver en durf ze zelfs haten. Dat is praktisch atheïsme. De mens niet erkennen als beeld van God is heiligschennis en iets afschuwelijks. Het is de ergste belediging tegenover tempel en altaar.

Geliefde broeders en zusters, het gebed van de Psalmen behoedt er ons voor in de bekoring te vallen van de “goddeloosheid”. Dat wil zeggen: te leven, en misschien zelfs te bidden, alsof God niet bestaat, alsof de armen niet bestaan.

Document

Naam: GEBED 11. - HET GEBED VAN DE PSALMEN (2)
Catechesereeks over het gebed - Aula Paulus VI
Soort: Paus Franciscus - Audiƫntie
Auteur: Paus Franciscus
Datum: 21 oktober 2020
Copyrights: © 2020, Libreria Editrice Vaticana / Stg. InterKerk / Nederlandse Bisschoppenconferentie
Vert. uit het Italiaans: Marcel De Pauw MSC; alineaverdeling en -nummering: redactie
Bewerkt: 5 november 2020

Referenties naar dit document

 
Geen documenten gevonden!
 
Geen berichten gevonden!

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2020, Stg. InterKerk, Schiedam