• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

GEBED 10. - HET GEBED VAN DE PSALMEN (1)
Catechese reeks over het gebed - Aula Paulus VI

Dierbare broeders en zusters, goedendag!

Wanneer we de Bijbel lezen, vinden we voortdurende gebeden van allerlei slag. Tevens vinden we er een boek dat uitsluitend uit gebeden bestaat. Dit boek is voor veel biddende mensen een vaderland, een oefenschool en woning geworden. Het gaat over het Boek Psalmen. 150 psalmen om te bidden.

Het is onderdeel van de wijsheidsboeken. Het leert over “hoe bidden” vanuit de ervaring van het gesprek met God. In de Psalmen vinden we alle mogelijke menselijke gevoelens die ons leven kleuren: vreugde, droefheid, twijfel, hoop, bitterheid. De Katechismus zegt dat elke psalm spreekt “op zo’n sobere wijze dat hij in feite gebeden kan worden door mensen in alle omstandigheden en in alle tijden”; Catechismus-Compendium, Catechismus van de Katholieke Kerk (15 aug 1997), 2588 Door de Psalmen te lezen en te herlezen leren we de taal van het gebed. God Vader heeft ze inderdaad, bij middel van zijn Geest, geïnspireerd in het hart van koning David en andere bidders, met het doel aan elke man en aan elke vrouw te leren hoe Hem te loven, te danken en te smeken, hoe Hem te aanroepen in vreugde en verdriet, hoe Hem het wonder te vertellen van zijn werken en van zijn Wet. Samenvattend: de Psalmen zijn het woord van God waarvan wij mensen gebruik maken om met Hem te spreken.

In dit boek ontmoeten we geen ongrijpbare mensen, abstracte personen, lui die gebed doen verwarren met kunstzinnige of vreemde ervaring. De Psalmen zijn geen teksten die aan de schrijftafel werden bedacht. Het zijn, vaak dramatische, smeekbeden die aan het werkelijk bestaan ontspringen. Om ze te bidden volstaat het te zijn wie we zijn. We mogen nooit vergeten dat wij, om goed te bidden, moeten zijn zoals we zijn, niet gemaakt. Men moet de ziel niet opsmukken om te bidden. “Heer, zo ben ik” en verder naar de Heer gaan zoals we zijn. Met het schone en ook met het lelijke dat niemand weet dan wij alleen, vanbinnen. In de Psalmen horen we de stemmen van bidders van vlees en bloed, wier leven, zoals dat van iedereen, boordevol is met problemen, vermoeidheid en onzekerheid. De Psalmist spreekt dit lijden niet tegen: hij weet dat het bij het leven hoort. In de Psalmen echter verandert het lijden in vragen. Van lijden naar vragen.

Onder de vele vragen is er één die onbeantwoord blijft, als een onophoudelijke kreet doorheen heel het boek van voor tot achter. Een vraag die ook wij vaak herhalen: “Tot wanneer nog, Heer? Hoelang nog?” Elk lijden vraagt om verlossing, elke traan vraagt om troost, elke wonde kijkt uit naar genezing, elke beschuldiging om vrijspraak. “Tot wanneer, Heer, moet ik hieronder lijden?  Hoor mij, Heer”. Hoe vaak hebben we zo gebeden. “Hoe lang nog?”, het is genoeg Heer!

Door voortdurend dergelijke vragen te stellen, leren de Psalmen ons dat we niet mogen wennen aan het lijden en zij herinneren er ons aan dat het leven niet gered wordt tenzij het genezen wordt. Het bestaan van de mens is een zucht. Zijn geschiedenis is vluchtig. De bidder weet dat men in de ogen van God kostbaar is en dat het daarom geen zin heeft te roepen. Dat is belangrijk. Bidden doen we in het besef dat we kostbaar zijn in Gods ogen. Dat innerlijk bewustzijn, kostbaar te zijn in Gods ogen, is een genade van de Heilige Geest. Van daaruit worden we tot bidden bewogen.

Het bidden van de Psalmen is het getuigenis van deze kreet: een veelvoudige kreet, want in het leven neemt pijn duizend vormen aan en heeft de naam van ziekte, haat, oorlog, vervolging, ontmoediging…tot en met het hoogste “schandaal”, dat van de dood. In het Psalterium verschijnt de dood als de grootste onredelijke vijand van de mens. Verdient deze misdaad een wrede straf die tot vernietiging en einde voert? Wie met de Psalmen bidt, vraagt God tussenbeide te komen daar waar de menselijke inspanning nutteloos blijkt. Vandaar dat het gebed, reeds uit zichzelf, weg naar redding en begin van verlossing is.

In deze wereld lijden alle mensen, of men in God gelooft of God afwijst. In het Psalterium echter wordt lijden relatie, verband: kreet om hulp die hoopt een luisterend oor te vinden. Dat kan niet zonder zin, zonder doel zijn. Ook de pijnen die ons treffen kunnen niet slechts bijzondere gevallen zijn van een universele wet. Het zijn altijd “mijn” tranen. Weet wel: tranen zijn niet universeel, het zijn “mijn” tranen. Ieder heeft de eigen. “Mijn” tranen en “mijn” pijn brengen mij ertoe te volharden in het gebed. Het zijn “mijn” tranen die niemand vóór mij heeft vergoten. Ja, velen hebben geweend. Maar “mijn” tranen zijn de mijne, mijn “pijn” is van mij, mijn “lijden” is het mijne.

Voordat ik in de Aula kwam heb ik de ouders ontmoet van die priester uit het bisdom Como die gedood werd precies bij het uitoefenen van zijn dienstwerk om hulp te verlenen. De tranen van die ouders zijn “hun” tranen en ieder van hen weet hoeveel men geleden heeft bij het zien van die zoon die zijn leven heeft gegeven bij het dienen van de armen. Wanneer we iemand willen troosten, vinden we geen woorden. Waarom? Omdat we niet tot bij zijn of haar pijn kunnen komen. Want “zijn/haar” pijn is de zijne/hare. “Zijn/haar” tranen zijn de zijne/hare. Dat geldt ook voor ons: de tranen, “mijn” pijn is de mijne; “mijn ”tranen zijn de mijne. Met deze tranen, met deze pijn richt ik mij tot de Heer.

Voor God zijn alle pijnen van mensen heilig. Zo bidt Psalm 56: “U die de maat van mijn klagen kent, vang in uw kruik mijn tranen op en stel dat alles te boek” (Ps. 56, 9). Voor God zijn we geen onbekenden, of nummers. We hebben een gelaat en een hart, een na een gekend, bij name.

In de Psalmen vindt de gelovige een antwoord. Men weet dat, ook al zouden alle menselijke deuren gesloten zijn, de deur van God open is. Ook al zou heel de wereld een veroordeling hebben uitgesproken, in God is redding.

“De Heer luistert”. Soms volstaat het dit in het gebed te beseffen. Problemen worden niet altijd opgelost. Wie bidt is geen begoochelde. Men weet dat veel vragen over het leven hier op aarde onbeantwoord blijven. Zonder uitweg. Het lijden blijft met ons. Na elke veldslag zijn er andere die ons opwachten. Maar doordat we gehoord zijn, wordt alles dragelijker.

Het ergste dat kan gebeuren is lijden in verlatenheid. Zonder herinnerd te worden. Hiervoor behoedt ons het gebed. Want het kan, zelfs vaak, gebeuren dat men de plannen van God niet begrijpt. Maar onze smekingen blijven niet hierbeneden. Ze stijgen op tot bij Hem die een vaderhart heeft en die weent voor elke zoon en voor elke dochter die lijdt en sterft. Ik zeg jullie één ding: het doet mij goed om, op moeilijke ogenblikken, te denken aan de tranen van Jezus. Toen Hij weende om Jeruzalem, toen Hij weende bij het graf van Lazarus. God heeft om mij geweend. God weent. God weent om onze pijnen. Want, God is mens geworden - zo zegt een geestelijke schrijver – om te kunnen wenen. Beseffen dat Jezus met mij weent bij pijn, is een troost. Het helpt ons verder te gaan. Als we met Hem verbonden blijven, zal het leven ons niet voor pijnen behoeden, maar er opent zich een wijde horizon van het goede en men gaat op weg naar de voltooiing. Goede moed. Vooruit met het gebed. Jezus is altijd bij ons.

 

Document

Naam: GEBED 10. - HET GEBED VAN DE PSALMEN (1)
Catechese reeks over het gebed - Aula Paulus VI
Soort: Paus Franciscus - Audiƫntie
Auteur: Paus Franciscus
Datum: 14 oktober 2020
Copyrights: © 2020, Libreria Editrice Vaticana / Stg. InterKerk / Nederlandse Bisschoppenconferentie
Vert. uit het Italiaans: Marcel De Pauw MSC; alineaverdeling en -nummering: redactie
Bewerkt: 5 november 2020

Referenties naar dit document

 
Geen documenten gevonden!
 
Geen berichten gevonden!

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2020, Stg. InterKerk, Schiedam