• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
Volgens een telkens weer opduikende theorie wordt ook de uniekheid en de universaliteit van het heilsmysterie van Jezus Christus geloochend. Deze opvatting heeft geen enkel bijbels fundament. Het hoort immers tot het blijvende geloofsgoed van de Kerk en het moet vast geloofd worden dat Jezus Christus, de Zoon van God, de Heer en enige Verlosser is, die door zijn menswording, zijn dood en zijn verrijzenis de heilsgeschiedenis, die in Hem haar volheid en haar middelpunt vindt, tot voltooiing heeft gebracht.

Dit wordt duidelijk door de getuigenissen van het Nieuwe Testament bevestigd: "De Vader heeft de Zoon gezonden als de Redder van de wereld" (1Joh. 4,14). "Ziet het Lam Gods, dat de zonden van de wereld wegneemt" (Joh. 1, 29). Ter rechtvaardiging van de genezing, in de Naam van Jezus, van de man die vanaf zijn geboorte verlamd was Vgl. Hand. 3, 1-8 , verkondigt Petrus: "In geen ander is het heil te vinden. Want er is aan ons mensen geen andere naam onder de hemel gegeven, waardoor wij gered moeten worden" (Hand. 4, 12). Dezelfde apostel getuigt dat Jezus Christus "de Heer van allen" is, "de door God aangestelde Rechter over de levenden en de doden", om welke reden "ieder die in Hem gelooft, door zijn Naam de vergeving van de zonden ontvangt" (Hand. 10, 36.42.43).

Paulus schrijft aan de gemeente van Korinthe: "Want al zijn er ook zogenaamde goden, hetzij in de hemel hetzij op aarde - en zulke goden en heren zijn er vele - toch hebben wij maar één God, de Vader. Uit hem komt alles voort en voor Hem zijn wij bestemd. En één Heer: Jezus Christus. Door Hem is alles er, en wij zijn er door Hem" (1 Kor. 8, 5-6). Ook de apostel Johannes bevestigt: "Zozeer heeft God de wereld liefgehad, dat Hij zijn enige Zoon heeft geschonken, opdat ieder die in Hem gelooft niet verloren gaat, maar het eeuwige leven heeft. Want God heeft zijn Zoon niet in de wereld gezonden om de wereld te vonnissen, maar opdat de wereld door Hem gered wordt" (Joh. 3, 16-17). In het Nieuwe Testament wordt de universele heilswil van God nauw verbonden met het enige Middelaarschap van Christus: "Hij (God) wil dat alle mensen gered worden en tot kennis van de waarheid komen. Want: God is één, één ook Middelaar tussen God en de mensen: de mens Christus Jezus, die zich als losgeld heeft prijsgegeven voor allen" (1 Tim. 2, 4-6).

De eerste christenen waren zich bewust van deze unieke en universele, vanwege de Vader door Jezus Christus in de Geest aangeboden heilsgave. Ze wendden zich tot Israël en wezen op de voleinding van het heil, dat uitgaat boven de wet. Ze traden ook de toenmalige heidense wereld tegemoet, die door middel van een veelheid aan heil brengende goden naar verlossing streefde. Dit geloofsgoed heeft het Leergezag van de Kerk opnieuw gepresenteerd: "De Kerk gelooft dat Christus, voor allen gestorven en verrezen, door zijn Geest de mens licht en kracht kan verschaffen om aan zijn hoge roeping te beantwoorden; en dat in het ondermaanse aan de mensen geen andere naam gegeven is waardoor zij moeten worden gered. Tevens gelooft zij dat de sleutel, het centrum en de voltooiing van heel de geschiedenis van het mensdom te vinden zijn in haar Heer en Meester." Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 10 Vgl. H. Augustinus, Over de Stad Gods, De Civitate Dei. 10, 32, 2: CCL 47, 312 waar de H. Augustinus schrijft dat buiten Christus, "de universele weg tot het heil (...), die het menselijke geslacht nooit ontbroken heeft (...) heeft niemand het heil verworven, verwerft niemand het en zal niemand het ooit verwerven"

Men moet daarom als waarheid van het katholieke geloof vast geloven dat de universele wil tot heil van de ene en drievuldige God eens en voor altijd in het mysterie van de menswording, van de dood en de opstanding van de Zoon van God is aangeboden en werkelijkheid geworden.

Met inachtneming van dit geloofsgegeven wordt de theologie van onze dagen uitgenodigd na te denken over de aanwezigheid van andere religieuze ervaringen en over hun betekenis in het heilsplan van God, en te onderzoeken, of en hoe ook vormen en positieve elementen van andere religies kunnen horen tot het goddelijke heilsplan. Op dit gebied ligt er voor het theologisch onderzoek onder leiding van het Leergezag een breed werkveld. Het Tweede Vaticaans Concilie heeft namelijk vastgesteld: "Het enig Middelaarschap van Christus verhindert de menigvuldige medewerking van de schepselen niet, maar wekt deze op door ze aan de enige bron deelachtig te maken." 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 62 Er is een verhevigde inspanning nodig om te doorgronden, wat dit participerende middelaarschap betekent, dat echter altijd genormeerd moet blijven door het enige Middelaarschap van Christus: "Gedeeltelijke bemiddelingen van verschillende soort en orde zijn niet uitgesloten, maar deze ontlenen hun betekenis en waarde uitsluitend aan de bemiddeling van Christus en kunnen niet gezien worden als parallelle en complementaire bemiddelingen." H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, Over de blijvende geldigheid van de missie-opdracht, Redemptoris Missio (7 dec 1990), 5 In tegenstelling met het christelijke en katholieke geloof staan echter voorstellen tot een oplossing, die een heilshandelen van God buiten het enige Middelaarschap van Christus aannemen.

Niet zelden doet men het voorstel in de theologie uitdrukkingen als "uniciteit", "universaliteit" of "absoluutheid" te vermijden, omdat daardoor de indruk zou ontstaan dat de betekenis en de waarde van het heilsgebeuren van Jezus Christus tegenover de andere religies op overdreven wijze benadrukt zou worden. In werkelijkheid drukken deze woorden alleen de trouw aan het openbaringsgoed uit, omdat zij voortkomen uit de geloofsbron zelf. Vanaf het begin heeft de gemeenschap van de gelovigen aan Jezus een heilsbetekenis toegekend, krachtens welke Hij alleen - als mens geworden, gekruisigde en opgestane Zoon van God - door de zending die Hij van de Vader heeft ontvangen, en in de kracht van de Heilige Geest het doel heeft, aan de hele mensheid en aan iedere mens de openbaring Vgl. Mt. 11, 27 en het goddelijk leven Vgl. Joh. 1, 12 Vgl. Joh. 5, 25-26 Vgl. Joh. 17, 2 te schenken. In deze zin kan en moet men zeggen dat Jezus Christus voor het menselijke geslacht en zijn geschiedenis een bijzondere en enige, slechts Hem eigen, uitsluitende, universele en absolute betekenis en belang heeft. Jezus is namelijk het Woord van God, dat voor het heil van allen mens is geworden. Het Tweede Vaticaans Concilie drukt dit geloofsbesef uit waar het leert: "Het Woord van God, waardoor alles is geschapen, is zelf mens geworden, zodat Het als de volmaakte mens allen kon redden en alles in zich recapituleren. De Heer is het doel van de mensengeschiedenis, het punt waarnaar alle verlangens van de geschiedenis en van de beschaving convergeren, het centrum van de mensheid, de vreugde van alle harten en de vervulling van hun verlangens. Hij is het die de Vader uit de doden deed opstaan, verhief en aan zijn rechterhand deed plaatsnemen, Hem aanstellend tot Rechter over levenden en doden." 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 45. De noodzakelijke en absolute uniciteit en universaliteit van Christus in de menselijke geschiedenis wordt zeer treffend tot uitdrukking gebracht door de heilige Irenaëus in de beschouwing over het primaat van Jezus als de Eerstgeborene: "In de hemel stuurt en leidt het volmaakte Woord als de Eerstgeborene uit de gedachte van de Vader alle dingen; op de aarde is Hij als de Eerstgeborene van de Maagd de rechtvaardige en heilige, de Dienaar van God, aan God welgevallig, volmaakt in alles; doordat Hij allen die Hem volgen, uit het rijk van de dood redt, is Hij als de Eerstgeborene van de doden het Hoofd en de Bron van het goddelijk leven" (Demonstratio apostolica, 39: SC 406,138) "Het is juist deze unieke bijzonderheid van Christus, die Hem een absolute en universele betekenis verleent, waardoor Hij, terwijl Hij in de geschiedenis staat, het centrum en het doel van onze geschiedenis is: 'Ik ben de Alfa en de Omega, de eerste en de laatste, de oorsprong en het einde' (Openb. 22, 13)." H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, Over de blijvende geldigheid van de missie-opdracht, Redemptoris Missio (7 dec 1990), 6

Document

Naam: DOMINUS IESUS
Verklaring over de uniciteit en heilbrengende universaliteit van Jezus Christus en de Kerk
Soort: Congregatie voor de Geloofsleer
Auteur: Joseph Kardinaal Ratzinger
Datum: 6 augustus 2000
Copyrights: © 2000, Katholiek Nieuwsblad, 's Hertogenbosch
Bewerkt: 26 april 2018

Referenties naar dit document

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
 
|
Pagina delen: 
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam