• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

1983 WORDT HEILIG JAAR VAN DE VERLOSSING
Bij de sluiting van de voltallige bijeenkomst van het kardinalencollege

Eerbiedwaardige broeders, leden van het heilige college van kardinalen, 

Aan het einde van de werkzaamheden waarop u zich in deze dagen hebt toegelegd en waartoe heel het heilig college bijeen was gekomen ter behartiging van de belangrijke zaken in verband met het centrale bestuur van de kerk, komen uit mijn mond spontaan de woorden op van de psalmist: Looft, dienaren van de Heer, looft de naam van de Heer! De naam van de Heer zij gezegend van thans tot in eeuwigheid! (Ps. 113, 1-2). 

Inderdaad, zeergeliefde broeders, laten wij God prijzen die ons de kracht en volharding heeft gegeven om een nieuw getuigenis af te leggen van onze algehele aanhankelijkheid aan de kerk, een getuigenis van onze levenstaak welke erop gericht is dat zij - door voortdurend te ijveren voor een beter gebruik van de hulpmiddelen die haar ten dienste staan - op gelukkige wijze de zending kan vervullen die haar door Christus de Heer is toevertrouwd tot dienst van de mensen. Wij zijn van de kerk, wij leven voor de kerk en, met Gods hulp, willen wij al onze krachten besteden aan de kerk. Met Gods hulp hebben wij in dit korte tijdsbestek de taak kunnen vervullen die ons was opgedragen. 'Van de opgang der zon tot haar dalen zij geprezen de naam des Heren' (Ps. 113, 3). 

Maar heel speciaal moet ik u, eerbiedwaardige broeders van het heilig college, mijn gevoelens van dankbaarheid doen toekomen. Evenals drie jaar geleden bent u nu opnieuw op mijn uitnodiging hierheen gekomen, zonder acht te slaan op de ongemakken waaronder niet weinigen van u gebukt gaan, en hebt u voor een tijdlang uw plaatselijke kerken verlaten, waarvan de pastorale problemen en lasten op u drukken. Voor Gods aangezicht danken wij u voor deze bezorgdheid voor de primaire vraagstukken van de ene kerk van Christus, waartoe ook 'de zorg voor alle kerken' behoort (2 Kor. 11, 28); ik ben u eveneens dankbaar voor de ernst en ijver die u in deze dagen van werkzaamheid aan de dag hebt gelegd, voor de aandacht waarmee u de behandelde onderwerpen hebt overwogen, voor de inspanning waarvan u zich op concrete en intelligente wijze hebt gekweten, zowel afzonderlijk in woorden en geschriften, als ook bij het collegiale inzamelen van de stemmen in de taalgroepen die aan de verschillende gebieden beantwoorden waarin de kerk in de wereld aanwezig is. 

Vanzelfsprekend zal rekening gehouden worden met de opmerkingen en suggesties die u naar voren hebt gebracht alsook met opmerkingen die u binnen één maand naar hier zult opzenden; zo zal in deze bijzondere tijd zo veel mogelijk aan de noden en verwachtingen van de kerk tegemoet worden gekomen. 

Aan het einde van deze tweede bijeenkomst van het heilig college moet men inzien: 

  • dat ook nu weer duidelijk de levenskracht is bewezen en de eigen aard van het aloude instituut van het kardinalencollege als een senaat die de paus behulpzaam is bij het vervullen van zijn universele plichten, waarmee hij aan de kerk en aan zijn broeders dienstbaar is; 
  • dat opnieuw vooruitgang is geboekt op die weg van collegialiteit die door het Tweede Vaticaans Concilie is beschreven, hoewel het waar is dat het heilig college een eigen aard bezit, verschillend van het instituut van de bisschoppensynode. Die synode is de voornaamste uiting van 'collegialiteit', dat wil zeggen van die bijzondere 'verantwoordelijkheid' van de bisschoppen, zoals het concilie vaststelde. Maar ook alle kardinalen vormen tezamen een college - namelijk het heilig college, met een eigen historisch en oud karakter, zodat het niet met andere colleges verward kan worden - en daarom moeten de verschillende eigenschappen ervan in het licht worden gesteld, alsook de verschillende vormen van functioneren ervan. De toekomst zal hiervan overvloedige en tastbare bewijzen leveren. Beide instellingen bevestigen op voortreffelijke wijze de waarheid die door de dogmatische constitutie over de kerk in het licht werd gesteld: het college van de bisschoppen brengt 'voor zover het uit velen is samengesteld, de verscheidenheid en de universaliteit van het volk van God tot uitdrukking, doch voor zover het onder één hoofd geschaard is, drukt het de eenheid van de kudde van Christus uit' 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 22

Als men de zaken zo beschouwt, krijgt het op collegiale wijze volbrachte werk, waarin de centrale structuren van de Apostolische Stoel werden onderzocht, zijn diepe betekenis: in zoverre namelijk, dat - hoewel in korte tijd problemen van de huidige apostolische werkzaamheid ten bate van het gehele volk van God zijn behandeld, die een hoge graad van omzichtigheid vereisen.

De behandelde onderwerpen zullen worden samengevat en in een laatste bekendmaking worden gepubliceerd. Ik zal daarom niet bij elk afzonderlijk daarvan stilstaan. Maar toch stel ik na het afsluiten van onze bijeenkomsten opnieuw aan mijzelf en aan u de vraag die ik ook aan het begin van onze onderhandelingen en werkzaamheden van dit jaar stelde: 'is ons getuigenis op het gebied van de liefde voldoende"? 

Als we hiermee rekening houden krijgen de afzonderlijke handelingen van deze dagen hun betekenis. Wat de liefde betreft in de gehele bediening van de Romeinse curie, heb ik in mijn laatste brief aan de kardinaal voor de openbare zaken het volgende geschreven: 'het brengt een kerkelijke plicht met zich mee om te leven in een ware geest van geloof. Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Brief, Aan Kard. Casroli - over de gemeenschappelijke dienst aan de kerk, Apostolica Sedes (20 nov 1982), 5 Door het verslag aan u bent u op de hoogte gesteld van de staat van werkzaamheden aan de apostolische constitutie 'H. Paus Paulus VI - Apostolische Constitutie
Regimini Ecclesiae Universae
Over de Romeinse Curie (15 augustus 1967)
' en van het plan waaraan van dag tot dag meer belang wordt toegekend, dat de Romeinse curie volledig beantwoordt aan haar speciale zending, roeping en verantwoordelijkheid, dat wil zeggen aan de dienst die zij moet verrichten aan 'de gehele gemeenschap van liefde'. Ik breng u reeds nu mijn dank over voor de overtuigingen die u hebt uitgesproken of die u nog zult overbrengen, opdat het beslotene op voorspoedige en zekere wijze in praktijk wordt gebracht. Bovendien wordt deze dienstbaarheid betuigd in uw geheel pastorale gerichtheid, die als het ware de basis was van het geweldige werk van beraadslagen en samenstellen van de nieuwe Wetboek
Codex Iuris Canonici
Codex van het Canonieke recht
(25 januari 1983)
, en waarvan het weer de geest moet zijn die de toepassing ervan moet doordringen. De nieuwe codex die voorbereid is na veel overleg met de bisschoppen van heel de wereld, is op zich een gebeurtenis van een werk van collegiale aard. Nu is het de taak van de paus - krachtens het gezag dat hem door Christus is verleend - de slotfase door de afkondiging ervan te voltooien. Het belang van dit werk vereist echter nog wat tijd om het te bestuderen en door te zien. Die taak heb ik aan een aparte groep van ter zake deskundigen toevertrouwd. Dit alles dient slechts hiertoe, dat de nieuwe codex inderdaad aan de pastorale eisen van de huidige tijd beantwoordt en zodoende van nut is voor de kerk van deze tijd. En om van de mensen op te klimmen naar God moet de liefde alle vormen van de goddelijke eredienst bezielen en daaruit puttend haar vitale sappen van sacramentele gemeenschap met God verder leiden naar de noden die in de huidige samenleving worden gevoeld: in de pastorale actie voor het gezin, in de inspanning voor de mens volgens de richtlijnen die hier worden belicht. 

Vervolgens wil ik u heel bijzonder dank zeggen voor de aandacht die u hebt willen besteden aan de kwestie van het Instituut voor godsdienstige werken. Een groep van vijftien kardinalen heeft, zoals bekend, voordat het kardinalencollege hier zou vergaderen, de zaak bestudeerd. Het gaat namelijk over een delicate en ingewikkelde kwestie, die nog in details moet worden nagegaan; u hebt daarover een desbetreffende uiteenzetting ontvangen, die door een speciaal daarvoor uit te geven bericht vandaag nog in grote lijnen bekend zal worden gemaakt. Van deze kwestie hebt u ook kennis kunnen nemen uit nodige beraadslagingen. De Apostolische Stoel is bereid al het nodige te doen om de instemming van beide partijen te verkrijgen, in die zin dat heel de waarheid aan het licht komt. Ook hierin wil zij de liefde dienen. 

Inderdaad moet de economische situatie van de Apostolische Stoel - waarmee u zich veelvuldig hebt beziggehouden - waarvoor ik u dank zeg - in heel zijn omvang en ook er altijd in het licht van de liefde overdacht worden. Want de Apostolische Stoel leeft van de liefdadigheid die een eigen teken is van de christenen in deze wereld; ik heb daarom in de reeds genoemde brief geschreven: 'de eerste en voornaamste hulpbron ter ondersteuning van de Heilige Stoel wordt gevormd door de spontane en vrijwillige bijdragen van de katholieken in de wereld, alsmede van eventuele bijdragen van andere mensen van goede wil. Dat beantwoordt aan de gedragsregels die voortvloeien uit het evangelie en de voorschriften van de apostelen. Vgl. 1 Kor. 14 ' H. Paus Johannes Paulus II, Brief, Aan Kard. Casroli - over de gemeenschappelijke dienst aan de kerk, Apostolica Sedes (20 nov 1982), 2

De liefde van Christus die ons dringt Vgl. 2 Kor. 5, 14 , legt aan de Apostolische Stoel de plicht op een pastoraal werk uit te voeren van algemene en grote afmetingen, waartoe de uitvoering van het concilie, de evangelisatie van alle maatschappelijke standen, het juiste onderhoud van zijn medewerkers behoren. De Apostolische Stoel brengt dit alles tot stand met werkelijk heel geringe middelen, die - vergeleken met de uitgaven van instellingen van politieke, sociale en internationale aard - inderdaad eerder te vergelijken zijn met de 'penning van de weduwe.' Vgl. Luc. 21, 2 Dat vereist natuurlijk een grote, ik zou willen zeggen, uiterst nauwgezette verantwoordelijkheid bij het beheer van die middelen: daar wil de Heilige Stoel zich zo gewetensvol mogelijk aan houden, doordat hij van zijn medewerkers een geest van spaarzaamheid vraagt, alsmede een vast vertrouwen op de goddelijke voorzienigheid, waarover ik in de brief aan de kardinaal voor openbare zaken heb gesproken.

Tenslotte ben ik blij u een zaak aan te kondigen die u ongetwijfeld grote vreugde zal bereiden alsook aan heel de kerk. In het jaar 1933 heeft mijn voorganger Pius XI zaliger gedachtenis de gedachtenis aan de verlossing van het mensdom vóór 19 eeuwen plechtig gevierd door het afkondigen van een bijzonder jubeljaar. Het volgend jaar zal het 1950 jaar geleden zijn dat de verlossing werd voltooid. Ofschoon het tot nog toe niet de gewoonte was een tussenjubileum te vieren, dat wil zeggen na 50 jaar, toch wens ik vurig dat deze herdenking ook in het jaar 1983 op passende wijze zal plaatsvinden. Meerdere redenen dwingen mij namelijk tot de uitvoering van dit plan: op de eerste plaats het grote belang van die gebeurtenis, die de geesten van de mensen moet aanzetten tot groter liefde en verering van het heilbrengende werk van Christus, 'Ver losser van de mens', door het paasmysterie van zijn dood en verrijzenis. Bovendien heeft weldra de bisschoppensynode plaats, waarop over de verzoening en boete in de zending van de kerk zal worden gehandeld: een jubeljaar zal er ongetwijfeld sterk toe bijdragen dat een dieper begrip van dit gegeven zal gevestigd worden bij alle mensen en dat hun gedachten en gevoelens nadrukkelijker gericht worden op het sacrament dat Christus instelde, opdat de afzonderlijke mensen aan de schatten van de verlossing door zijn bloed deelachtig zouden worden: gij zijt duur gekocht' (1 Kor. 6, 20) 'niet met vergankelijk zilver of goud ... maar door het kostbaar bloed van Christus' (1 Pt. 1, 18). Tenslotte zal het jubileum van de verlossing ook ertoe bijdragen dat het heilig jaar 2000 op passende wijze wordt voorbereid. 

Daarom, na alles overwogen te hebben en de verschillende verzoeken te hebben gehoord die hieromtrent zijn ingediend, leek het mij nuttig het jaar 1983 als heilig jaar van de verlossing aan te wijzen; dat jaar zal dan beginnen bij de eerstvolgende veertigdagentijd. 

Wij bidden de Heer, dat deze viering een vurige aanzet tot geestelijke vernieuwing mag brengen in alle delen van de kerk. Ik vertrouw erop, dat een passende en juiste voorbereiding van het jubeljaar deze onderneming zo vruchtbaar mogelijk zal maken.

Eerbiedwaardige broeders! 

Nu wij weldra uiteengaan, breng ik vol hoop en vreugde dank aan de Heilige Geest en Helper, die ons gedurende onze werkzaamheden heeft verlicht, ons in onze nederige pogingen en onderzoekingen heeft ondersteund, en ons tenslotte geleid heeft op de weg van de liefde. En 'waar liefde is, daar is God. God was met ons. 

Als wij van hier weggaan dragen wij met ons mee de hernieuwde wil om volledig en vurig, met al onze krachten en al onze vermogens, met heel ons hart Christus en de kerk te dienen. Maria, de moeder van de kerk, de koningin van de apostelen, de moeder van de bisschoppen, die in het cenakel de gebeden van het college van de apostelen ondersteunde en door haar aanwezigheid de kerk bij de geboorte sterkte, moge door haar gebeden voor ons verkrijgen dat wij het gebod van liefde, dat ons werd opgelegd, nooit verlaten. Aan haar offeren wij ons op, tevens vragend dat zij ons nooit verlaat. 

Aan u allen, dierbare broeders, schenk ik van harte de apostolische zegen. 

Document

Naam: 1983 WORDT HEILIG JAAR VAN DE VERLOSSING
Bij de sluiting van de voltallige bijeenkomst van het kardinalencollege
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Toespraak
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 26 november 1982
Bewerkt: 22 juni 2020

Referenties naar dit document

 
Geen documenten gevonden!
 
Geen berichten gevonden!

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2020, Stg. InterKerk, Schiedam