• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
Het streven naar vrijheid in de tweede helft van de twintigste eeuw heeft niet alleen veel geëist van de individuele mens, maar ook van de naties. Vijftig jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog is het belangrijk, eraan te herinneren, dat dit conflict is ontstaan vanwege de schending van de rechten van de naties. Velen van hen hebben verschrikkelijk geleden om de simpele reden, dat zij als 'anders' werden bestempeld. Vreselijke misdaden werden begaan in de naam van desastreuze ideologieën, die de 'minderwaardigheid' van sommige naties en culturen predikten. In bepaald opzicht zou men kunnen zeggen, dat de Verenigde Naties voortkomen uit de overtuiging, dat deze ideologieën onverenigbaar zijn met de vrede. En bij de verplichting van het Handvest, "toekomstige geslachten te behoeden voor de gesel van de oorlog" (Preambule), hoorde met zekerheid ook de morele verplichting, elke natie en cultuur te beschermen tegen onterechte en gewelddadige aanvallen.

Helaas ging de schending van de rechten van de naties ook na het einde van de Tweede Wereldoorlog door. Om slechts enkele voorbeelden te noemen: de Sovjetunie nam de Baltische landen en grote delen van de Oekraïne en Wit-Rusland in bezit, zoals dat ook al was gebeurd bij Armenië, Azerbeidzjan, Georgië en de Kaukasus. Tegelijkertijd verloren de zogenaamde 'volksdemocratieën' van Midden- en Oost-Europa in werkelijkheid hun soevereiniteit en zij werden gedwongen, zich te onderwerpen aan de wil, die het hele blok beheerste. Het resultaat van die kunstmatige deling van Europa was de 'Koude Oorlog', dat wil zeggen, een situatie van internationale spanning, waarbij de dreiging van een nucleaire 'holocaust' de mensheid boven het hoofd hing. Pas toen de vrijheid voor de naties van Midden- en Oost-Europa weer was hersteld, begon de beloofde vrede, die had moeten beginnen met het einde van de oorlog, voor veel slachtoffers van dat conflict daadwerkelijk gestalte te krijgen.

De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, die in 1948 werd aangenomen, heeft de rechten van de persoonlijkheid in sprekende bewoordingen behandeld. Maar er bestaat nog geen vergelijkbare internationale overeenkomst, die zich op adequate wijze bezighoudt met de rechten der naties. Het gaat hierbij om een situatie, die aandachtig overwogen dient te worden vanwege de dringende vragen, die zij opwerpt over rechtvaardigheid en vrijheid in onze huidige wereld. In werkelijkheid heeft het geweten van de mensheid al herhaaldelijk te kampen gehad met het probleem van de volledige erkenning van de rechten van de naties, en het heeft ook een aanzienlijke ethisch-juridische reflectie op gang gebracht. Ik denk aan het debat tijdens het Concilie van Konstanz in de I5e eeuw, toen de afgevaardigden van de Academie van Krakov onder aanvoering van Pavel Wlodkovic moedig het recht van bestaan en autonomie van verschillende Europese bevolkingsgroepen verdedigden. Beter bekend is ook uit dezelfde periode de reflectie met betrekking tot de volkeren van de nieuwe wereld, die op gang werd gebracht door de universiteit van Salamanca. Hoe kan men daarom in onze eeuw niet denken aan de profetische woorden van mijn voorganger Benedictus XV, die tijdens de Eerste Wereldoorlog allen eraan herinnerde, dat" de naties niet sterven", en ertoe opriep, "met een rustig geweten de rechten en de rechtmatige inspanningen van de volkeren af te wegen" Paus Benedictus XV, Aan de volkeren die oorlog voeren en hun leiders, 28 juli 1915 ?

Tegenwoordig dient het probleem van de nationaliteiten zich aan in de nieuwe situatie waarin de wereld zich bevindt, die wordt gekenmerkt door een sterke 'mobiliteit' en die, gedreven door een veelsoortige dynamiekmigraties, massamedia en wereldeconomie -, de etnisch -culturele grenzen van de verschillende volkeren steeds meer doet vervagen. Maar juist tegen die horizon van de universaliteit zien we, hoe er nadrukkelijk weer etnischculturele particularismen ontstaan, een opwellende behoefte aan identiteit en overleving als het ware, een soort tegenwicht tegen 'homologerende' tendensen. Het is een gegeven, dat niet mag worden onderschat, alsof het slechts een overblijfsel uit het verleden zou zijn. Het moet juist systematisch worden ontleed door een intensievere reflectie op antropologisch en ethisch-juridisch niveau.

Deze spanning tussen particulier en universeel kan inderdaad worden beschouwd als iets, wat in de mens aanwezig is. Op grond van de gemeenschappelijkheid van hun aard worden de mensen als zodanig gedwongen, zich leden van een grote familie te voelen. Maar door de concrete historiciteit van die gelijke aard zijn zij sterker gebonden aan bepaalde menselijke groepen, vooral aan de familie, vervolgens aan verschillende groepen die gevormd worden door een onderlinge verbondenheid, tot aan het totaal van de desbetreffende etnisch-culturele groep, die niet voor niets 'natie' wordt genoemd, wat doet denken aan nascere (geboren worden), terwijl de benaming patria (vaderland) herinnert aan de realiteit van de familie zelf. De mens is gebonden aan deze beide polen - universaliteit en particulariteit -, polen waartussen een levendige spanning bestaat, een onvermijdelijke spanning, die echter uiterst vruchtbaar is, als zij wordt beleefd in rustige evenwichtigheid.

Op deze antropologische grondslag berusten ook de 'rechten van de naties', die op dit specifieke niveau van het gemeenschapsleven niets anders zijn dan een equivalent van de 'mensenrechten'. Een reflectie over deze rechten is bepaald niet gemakkelijk als men bedenkt hoe moeilijk het al is, het begrip 'natie' te definiëren, dat niet zonder meer en niet noodzakelijkerwijze identiek is met de staat. Maar het is een overweging die geen uitstel duldt, als het erom gaat, de vergissingen van het verleden te vermijden en voorzorgsmaatregelen te treffen voor een rechtvaardige wereldorde.

Een voorwaarde voor de andere rechten van een natie is zeker haar recht van bestaan: niemand - noch een staat, noch een andere natie, noch een internationale organisatie - heeft dus ooit het recht van mening te zijn, dat een bepaalde natie niet waard is te bestaan. Voor dit fundamentele recht van bestaan is niet noodzakelijkerwijze een soevereiniteit van de staat nodig, omdat er immers verschillende vormen van een rechtmatige vereniging tussen verschillende naties mogelijk zijn, zoals bijvoorbeeld gebeurt bij bondsstaten, confederaties of bij staten, die worden gekenmerkt door een verregaande regionale autonomie. Er kunnen historische omstandigheden bestaan, waaronder het zelfs raadzaam kan zijn, tot verschillende vormen van vereniging onder die ene soevereiniteit van de staat te komen, vooropgesteld, dat dat gebeurt in een atmosfeer van werkelijke vrijheid, die wordt gegarandeerd door de praktische zelfbeschikking van de volkeren. Bij het recht van bestaan is voor elke natie natuurlijk ook het recht op eigen taal en cultuur inbegrepen, waarin een volk zich uitdrukt en waarmee datgene bevorderd wordt, wat ik zou willen noemen de geestelijke 'soevereiniteit', die dat volk eigen is. De geschiedenis laat zien, dat het onder extreme omstandigheden (zoals die, die er in mijn geboorteland hebben geheerst) juist de eigen cultuur is die het voor een natie mogelijk maakt te overleven bij het verlies van haar politieke en economische onafhankelijkheid. Elke natie heeft dus ook het recht haar leven volgens de eigen overleveringen vorm te geven, met uitzondering natuurlijk van elke vorm van schending van de fundamentele mensenrechten en in het bijzonder de onderdrukking van minderheden. Elke natie heeft het recht haar eigen toekomst op te bouwen en te zorgen voor een passende opleiding van haar jongere generaties.

Als echter de 'rechten van de naties' de vitale voorwaarden van het 'particularisme' tot uitdrukking brengen, dan is het minstens zo belangrijk, de eisen van de universaliteit te onderstrepen door een sterk bewustzijn met betrekking tot de plichten, die de naties hebben tegenover de andere naties en de gehele mensheid. De eerste van die plichten bestaat natuurlijk uit het leven met andere naties in een geest van vrede, respect en solidariteit. Op deze wijze bevordert de uitoefening van de rechten van de naties, in evenwicht met de erkenning en de inachtneming van de plichten, een vruchtbare 'uitwisseling van gaven', die de eenheid versterkt onder alle mensen.

Document

Naam: VOOR DE ALGEMENE VERGADERING VAN DE VERENIGDE NATIES TER GELEGENHEID VAN HET 50-JARIG BESTAAN VAN DE WERELDORGANISATIE
De mensheid heeft moed nodig voor de toekomst
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Toespraak
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 5 oktober 1995
Copyrights: © 1995, RKKerk.nl
Vert.drs. M. Schemkes
Bewerkt: 7 november 2019

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2021, Stg. InterKerk, Schiedam