• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
De fundamentele boodschap van de heilige Schrift verkondigt dat de menselijke persoon een schepsel van God is Vgl. Ps. 139, 14-18 en beschouwt het feit dat hij beeld van God is als zijn specifiek en distinctief element: “En God schiep de mens als zijn beeld; als het beeld van God schiep Hij hem, mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen” (Gen. 1, 27). God plaatst het menselijk schepsel in het centrum en aan de top van de geschapen orde. De mens (“adam” in het Hebreeuws) is gevormd uit de aarde (“adamah”) en God blies hem de levensadem in zijn neusgaten Vgl. Gen. 2, 7 . “Omdat het menselijk individu is als het beeld van God, heeft het de waardigheid van een persoon: hij is niet alleen iets, maar ook iemand. Hij is in staat zichzelf te kennen, zichzelf te bezitten en zichzelf in vrijheid te geven en in contact te treden met andere personen, en hij is door genade geroepen tot een verbond met zijn Schepper, om aan Hem een antwoord van geloof en liefde te geven, dat niemand in zijn plaats kan geven” Catechismus-Compendium, Catechismus van de Katholieke Kerk (15 aug 1997), 357.
De gelijkenis met God toont dat de essentie en het bestaan van de mens op de diepst mogelijke manier constitutief verbonden zijn met God Vgl. Catechismus-Compendium, Catechismus van de Katholieke Kerk (15 aug 1997), 356.358. Deze relatie bestaat op zichzelf en is dus niet iets dat achteraf of van buitenaf wordt toegevoegd. Gans het leven van de mens is een vraag en een zoektocht naar God. Deze relatie met God kan ontkend of zelfs vergeten of verworpen worden. Ze kan echter nooit worden geëlimineerd. Inderdaad, onder alle zichtbare schepselen in de wereld is alleen de mens “bekwaam door God aangesproken te worden” (“homo est Dei capax”) Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 12 Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, Over de waarde en de onaantastbaarheid van het menselijk leven, Evangelium Vitae (25 mrt 1995), 34. Het menselijk wezen is een persoonlijk wezen door God geschapen om met Hem in relatie te staan; de mens vindt slechts leven en kan zich alleen uitdrukken in deze relatie, en hij is van nature uit gericht naar God Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, Over de waarde en de onaantastbaarheid van het menselijk leven, Evangelium Vitae (25 mrt 1995), 35 Vgl. Catechismus-Compendium, Catechismus van de Katholieke Kerk (15 aug 1997), 1721.
De relatie tussen God en de mens wordt weerspiegeld in de relationele en sociale dimensie van de menselijke natuur. De mens is in feite geen solitair wezen, maar een “sociaal wezen, en zonder band met anderen kan hij niet leven en zijn talenten niet ontplooien” 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 12. In dit perspectief is het feit dat God menselijke wezens schiep als man en vrouw Vgl. Gen. 1, 27 betekenisvol: Vgl. Catechismus-Compendium, Catechismus van de Katholieke Kerk (15 aug 1997), 369 “de onvoldaanheid die zich van het leven van de mens in de tuin van Eden meester maakt, zolang zijn enig referentiepunt zich in de wereld van planten en dieren bevindt Vgl. Gen. 2, 20 , is dan ook veelzeggend. Enkel het verschijnen van de vrouw, been van zijn gebeente en vlees van zijn vlees Vgl. Gen. 2, 23 , in wie eveneens de geest van God-Schepper leeft, kan voldoen aan de vraag naar interpersoonlijke dialoog, levensnoodzakelijk voor het menselijk bestaan. In de ander, man of vrouw, bevindt zich een weerspiegeling van God, het einddoel dat elke mens ten diepste vervult” H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, Over de waarde en de onaantastbaarheid van het menselijk leven, Evangelium Vitae (25 mrt 1995), 35.
De man en de vrouw hebben dezelfde waardigheid en zijn gelijkwaardig, Vgl. Catechismus-Compendium, Catechismus van de Katholieke Kerk (15 aug 1997), 2334 niet alleen omdat ze beiden in hun verscheidenheid beeld zijn van God, maar dieper nog, omdat de dynamiek van wederkerigheid die het “wij” van het menselijk echtpaar bezielt, beeld van God is Vgl. Catechismus-Compendium, Catechismus van de Katholieke Kerk (15 aug 1997), 371. In een relatie van wederzijdse gemeenschap vervullen man en vrouw zichzelf op een diepe wijze en herontdekken zij zichzelf als personen door de eerlijke gave van zichzelf Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Brief, Brief aan de Gezinnen - Bij gelegenheid van het Internationaal Jaar van het Gezin, Gratissimam sane (2 feb 1994), 6.8.14.16.19-20. Hun verbond van eenheid wordt in de heilige Schrift voorgesteld als een beeld van het verbond van God met de mensen Vgl. Hos. 1-3 en tegelijk, als een dienst aan het leven Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 50-51. Het menselijk echtpaar kan immers deelnemen aan Gods scheppingsact: “God zegende hen, en God sprak tot hen: ‘Wees vruchtbaar en word talrijk, bevolk de aarde” (Gen. 1, 28).

Man en vrouw staan bovenal in relatie met de anderen als zij aan wie het leven van anderen werd toevertrouwd. Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, Over de waarde en de onaantastbaarheid van het menselijk leven, Evangelium Vitae (25 mrt 1995), 19 “Ook uw eigen bloed zal ik terugeisen (...) van de mensen onderling zal Ik het leven van de mens terugeisen” (Gen. 9, 5), vertelt God aan Noach na de zondvloed. In dit perspectief vereist de relatie met God dat het leven van de mens heilig en onaantastbaar is Vgl. Catechismus-Compendium, Catechismus van de Katholieke Kerk (15 aug 1997), 2258. Het vijfde gebod, “U zult niet doden” (Ex. 20, 13)(Deut. 5, 17), heeft geldingskracht omdat alleen God Heer is van leven en dood Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 27 Vgl. Catechismus-Compendium, Catechismus van de Katholieke Kerk (15 aug 1997), 2259-2261. Het verschuldigde respect voor de onschendbaarheid en de integriteit van het fysieke leven vindt zijn hoogtepunt in het positieve gebod: “U zult uw naaste liefhebben als uzelf” (Lev. 19, 18), waarmee Jezus verplicht om rekening te houden met de noden van de naaste Vgl. Mt. 22, 37-40 Vgl. Mc. 12, 29-31 Vgl. Lc. 10, 27-28 .

Met deze specifieke roeping tot leven, bevinden de man en de vrouw zich eveneens tegenover alle andere schepselen. Zij kunnen en moeten hen aan hun dienst onderwerpen en er van genieten, maar hun heerschappij over de wereld vereist het uitoefenen van verantwoordelijkheid; het is geen vrijheid voor willekeurige en zelfzuchtige uitbuiting. Gans de schepping heeft immers waarde en is “goed” Vgl. Gen. 1, 4.10.12.18.21.25 in de ogen van God, die er de auteur van is. De mens moet haar waarde leren kennen en respecteren. Dit vormt een schitterende uitdaging voor zijn intellect, dat hem als vleugels Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, Over de verhouding van Geloof en Rede, Fides et Ratio (14 sept 1998) moet verheffen om de waarheid omtrent alle schepselen Gods te aanschouwen, dit wil zeggen de aanschouwing van wat God als goed in hen aanziet. Het Boek Genesis leert dat het beheersen van de wereld door de mens bestaat uit het geven van een naam aan de dingen Vgl. Gen. 2, 19-20 : door hen te benoemen moet de mens de dingen zoals ze zijn erkennen en moet hij ten opzichte van elk van hen een relatie van verantwoordelijkheid opbouwen Vgl. Catechismus-Compendium, Catechismus van de Katholieke Kerk (15 aug 1997), 373.
De mens staat ook in relatie met zichzelf en is in staat om over zichzelf te reflecteren. De heilige Schrift spreekt in dit opzicht van het hart van de mens. Het hart duidt de spirituele innerlijkheid van de mens aan, die hem onderscheidt van elk ander schepsel. “Alles wat Hij doet, is goed op zijn tijd; ook heeft Hij de mens besef van duur ingegeven, maar toch blijft Gods werk voor hem vanaf het begin tot aan het einde ondoorgrondelijk” (Pred. 3, 11). Het hart geeft tenslotte de geestelijke kenmerken aan die eigen zijn aan de mens, die zijn prerogatieven zijn voor zover hij geschapen is naar het beeld van zijn Schepper: de rede, het onderscheid tussen goed en kwaad, de vrije wil Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, Over de waarde en de onaantastbaarheid van het menselijk leven, Evangelium Vitae (25 mrt 1995), 34. Wanneer hij luistert naar de diepste aspiraties van zijn hart, kan geen enkele mens zich niet de woorden van waarheid van de heilige Augustinus eigen maken: “U heeft ons geschapen voor U, en (...) ons hart is ongerust tot wanneer het rust in U” H. Augustinus, Belijdenissen, Confessiones. I, 1: PL 32, 661: "Tu excitas, ut laudare te delectet; quia fecisti nos ad te, et inquietum est cor nostrum, donec requiescat in te".

Document

Naam: COMPENDIUM VAN DE SOCIALE LEER VAN DE KERK
Soort: Pauselijke Raad "Justitia et Pax"
Datum: 26 oktober 2004
Copyrights: © 2004, Libreria Editrice Vaticana
Vert.: vatican.va, Stg. InterKerk, katholiekgezin.nl
Bewerkt: 7 november 2019

Referenties naar dit document

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
Trefwoordenlijst voor dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2020, Stg. InterKerk, Schiedam