• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
Voor de lekengelovigen is de activiteit in de politiek een waardevolle en veeleisende uitdrukking van het christelijke engagement ten dienste van anderen Vgl. H. Paus Paulus VI, Apostolische Brief, Aan Maurice Kardinaal Roy, bij gelegenheid van de 80ste verjaardag van Rerum Novarum, Octogesima Adveniens (14 mei 1971), 46. Het nastreven van het algemeen welzijn in een geest van dienstbaarheid, de bevordering van de rechtvaardigheid met een bijzondere aandacht voor situaties van armoede en lijden, respect voor de autonomie van de aardse realiteiten, het subsidiariteitsbeginsel, de bevordering van de dialoog en de vrede in de context van solidariteit: dit zijn de criteria die de christelijke leek moeten inspireren in zijn politieke activiteit. Alle gelovigen, voor zover zij beschikken over rechten en plichten als burgers, zijn verplicht om deze richtsnoeren te respecteren. Zij die institutionele posities bekleden in de omgang met de complexe problemen van de publieke sfeer — hetzij in lokale administraties hetzij in nationale en internationale instituties — moeten speciale aandacht besteden aan de observantie van deze principes.
De taken die verantwoordelijkheid in de sociale en politieke instituties inhouden, vereisen een ernstig en uitgesproken engagement dat in staat is om, door middel van doordachte bijdragen tot het politieke debat, door planning en operationele keuzes, duidelijk de absolute noodzaak aan te tonen van een morele kwalificatie van het sociale en politieke leven. Een ontoereikende aandacht voor de morele dimensie leidt tot de ontmenselijking van het leven in de maatschappij en van sociale en politieke instituties en consolideert de “zondige structuren” Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, De ontwikkeling van de mens en de samenleving
Twintig jaar na Populorum Progressio van Paus Paulus VI, Sollicitudo Rei Socialis (30 dec 1987), 36
: “Leven en handelen in overeenstemming met zijn eigen geweten inzake politieke vraagstukken, betekent geen slaafse aanvaarding van houdingen die vreemd zouden zijn aan de politiek of een soort van confessionalisme; dit is veeleer de weg waarmee christenen hun concrete bijdrage leveren zodat door het politieke leven de maatschappij rechtvaardiger wordt en meer in overeenstemming met de waardigheid van de menselijke persoon” Congregatie voor de Geloofsleer, Activiteiten en het gedrag van de Katholieken op het gebied van de politiek (24 nov 2002), 6 .
In het kader van het politieke engagement van de leken, moet een bijzondere aandacht worden besteed aan de voorbereiding van de gelovigen om hun gezag uit te oefenen, in het bijzonder wanneer dergelijke plichten volgens de democratische regels door hun medeburgers aan hen werden toevertrouwd. Zij moeten waardering tonen voor het democratische systeem “voor zover het de medezeggenschap van de burgers in de politieke keuzen verzekert en aan de onderdanen de mogelijkheid waarborgt om hun bestuurder te kiezen en te controleren, evenals de mogelijkheid hen op vreedzame wijze te vervangen waar dit wenselijk blijkt” H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, Ter gelegenheid van de honderdste verjaardag van de encycliek Rerum Novarum, Centesimus Annus (1 mei 1991), 46. Zij moeten eveneens alle geheime organisaties verwerpen die streven naar het beïnvloeden of het ontwrichten van het functioneren van de legitieme instellingen. Het uitoefenen van gezag moet het karakter van dienstbaarheid aannemen die altijd moet worden betoond in het kader van de morele wet ter wille van de realisatie van het algemeen welzijn Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 74. Zij die het politieke gezag waarnemen, moeten erop toezien dat de energie van al de burgers gericht wordt op het algemeen welzijn; zij moeten dit niet op een autoritaire manier doen, maar wel door gebruik te maken van moreel gezag gevoed door vrijheid.
De lekengelovige is geroepen om te zoeken naar mogelijke stappen die in concrete politieke situaties kunnen worden gezet om de principes en de morele waarden, die eigen zijn aan het sociale leven, in de praktijk om te zetten. Dit vereist een methode van onderscheiding Vgl. Congregatie Katholieke Vorming (seminaries en universiteiten), Richtlijnen voor de studie en het onderricht van de sociale leer van de Kerk bij de vorming van priesters (30 dec 1988), 8, zowel op het persoonlijke als op het gemeenschappelijke niveau, gestructureerd rond bepaalde kernpunten: kennis van de situaties, geanalyseerd met behulp van de sociale wetenschappen en andere geschikte instrumenten; de systematische reflectie over deze realiteiten in het licht van de onveranderde boodschap van het Evangelie en de sociale leer van de Kerk; de identificatie van keuzes die gericht zijn op het garanderen van een positieve ontwikkeling van deze situaties. Wanneer de realiteit het voorwerp uitmaakt van zorgvuldige aandacht en juiste interpretatie, kunnen er concrete en effectieve keuzes worden gemaakt. Nochtans mag men nooit een absolute waarde toekennen aan deze keuzes, omdat geen enkel probleem eens en voorgoed kan worden opgelost. “Het christelijke geloof heeft nooit de bedoeling gehad om sociale en politieke vraagstukken in een strak keurslijf te dwingen, in het bewustzijn dat de historische dimensie waarin de mens leeft, oplegt dat hij in onvolmaakte omstandigheden leeft, die ook onderhevig zijn aan snelle verandering” Congregatie voor de Geloofsleer, Activiteiten en het gedrag van de Katholieken op het gebied van de politiek (24 nov 2002), 7.

Een uitgelezen context voor het maken van de onderscheiding is het functioneren van het democratische systeem, dat tegenwoordig door velen in agnostische en relativistische termen begrepen wordt, wat leidt tot het geloof dat waarheid iets is dat door de meerderheid bepaald wordt en afhankelijk is van politieke evenwichten Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, Ter gelegenheid van de honderdste verjaardag van de encycliek Rerum Novarum, Centesimus Annus (1 mei 1991), 46. In dergelijke omstandigheden is het maken van onderscheid bijzonder moeilijk, vooral in domeinen zoals dat van de objectiviteit en de juistheid van informatie, van wetenschappelijk onderzoek of van economische keuzes die het leven van de armen beïnvloeden. Het maken van onderscheid is evenzeer bijzonder veeleisend wanneer het gaat over realiteiten die betrekking hebben op fundamentele en onvermijdelijke morele plichten, zoals de heiligheid van het leven, de onontbindbaarheid van het huwelijk, de bevordering van het gezin gebaseerd op een huwelijk tussen man en vrouw.

In dergelijke situaties zijn bepaalde fundamentele criteria nuttig: het onderscheid én tegelijk het verband tussen de wettelijke en de zedelijke orde; trouw aan de eigen identiteit én tegelijk de bereidheid tot dialoog met iedereen; de noodzaak voor de christen om bij het beoordelen en bij het sociale engagement te verwijzen naar de observantie van drie onscheidbare waarden: natuurlijke waarden, met respect voor de legitieme autonomie van de tijdelijke realiteiten; morele waarden, die een bewustzijn bevorderen van de intrinsiek ethische dimensie van elk sociaal en politiek vraagstuk; bovennatuurlijke waarden, gericht op het vervullen van zijn plichten in de geest van het Evangelie van Jezus Christus.

Wanneer — in domeinen of realiteiten die betrekking hebben op fundamentele ethische plichten — legislatieve of politieke keuzes worden voorgesteld die in strijd zijn met de christelijke principes en waarden, leert het magisterium dat “een goed gevormd christelijk geweten niet toelaat om te stemmen voor een politiek programma of een individuele wet die de fundamentele inhoud van het geloof en de zeden tegenspreektCongregatie voor de Geloofsleer, Activiteiten en het gedrag van de Katholieken op het gebied van de politiek (24 nov 2002), 4. In gevallen waar het niet mogelijk is om de implementatie van dergelijke politieke programma’s te vermijden of om dergelijke wetten te blokkeren of te abrogeren, leert het magisterium dat een parlementaire vertegenwoordiger, van wie de persoonlijke absolute oppositie tegen deze programma’s of wetten duidelijk en bij iedereen bekend is, op een legitieme wijze voorstellen mag steunen die gericht zijn op het beperken van de schade veroorzaakt door dergelijke programma’s of wetten en op het inperken van hun negatieve gevolgen op het vlak van de cultuur en de publieke moraal. Een typisch voorbeeld van dergelijk geval is een wet die abortus zou toelaten H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, Over de waarde en de onaantastbaarheid van het menselijk leven, Evangelium Vitae (25 mrt 1995), 73. De stem van de vertegenwoordiger kan in geen geval worden geïnterpreteerd als een ondersteuning van een onrechtvaardige wet maar enkel als een bijdrage tot het reduceren van de negatieve gevolgen van een legislatieve maatregel waarvan de volledige verantwoordelijkheid ligt bij hen die deze maatregel in het leven hebben geroepen.

Geplaatst voor de talrijke situaties waarin fundamentele en onontkoombare morele plichten een rol spelen, moet in herinnering worden gebracht dat het christelijke getuigenis moet worden beschouwd als een fundamentele plicht die zelfs kan leiden tot het opofferen van zijn eigen leven, tot martelaarschap in de naam van de liefde en de menselijke waardigheid Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Postsynodale Apostolische Exhortatie, Over de roeping en de zending van de leken in de Kerk, Christifideles laici (30 dec 1988), 39 . De geschiedenis van de voorbije twintig eeuwen, evenals dat van de laatste eeuw, staat bol van martelaars voor de christelijke waarheid, getuigen van het geloof, de hoop en de liefde gebaseerd op het Evangelie. Martelaarschap is het getuigenis van iemand die persoonlijk gelijkvormig is geworden met de gekruisigde Jezus, uitgedrukt in de hoogste vorm van het vergieten van zijn bloed volgens de leer van het Evangelie: indien “een graankorrel (...) op de akkergrond valt en sterft (...) brengt hij rijke vruchten voort” (Joh. 12, 24).

Het politieke engagement van katholieken wordt dikwijls geplaatst in de context van het “laïcisme”, namelijk. het onderscheid tussen het politieke en godsdienstige terrein Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 92. Dit onderscheid “is een waarde die bereikt en erkend werd door de katholieke kerk en behoort tot het erfgoed van de hedendaagse beschaving” Congregatie voor de Geloofsleer, Activiteiten en het gedrag van de Katholieken op het gebied van de politiek (24 nov 2002), 6. De katholieke morele leer verwerpt echter duidelijk het perspectief van een laïcisme begrepen als een autonomie ten opzichte van de zedelijke wet: “in feite verwijst dergelijk ‘laïcisme’ op de eerste plaats naar de houding van de menselijke persoon die de waarheden respecteert die afgeleid zijn van de natuurlijke kennis in verband met het leven van de mens in de maatschappij, zelfs indien dergelijke waarheden door een specifieke religie worden hooggehouden, aangezien waarheid één is” Congregatie voor de Geloofsleer, Activiteiten en het gedrag van de Katholieken op het gebied van de politiek (24 nov 2002), 6. Een eerlijke zoektocht naar waarheid, die gebruik maakt van legitieme middelen om de morele waarheden betreffende het sociale leven — rechtvaardigheid, vrijheid en respect voor het leven en voor andere mensenrechten — te bevorderen en te verdedigen, is een recht en een plicht voor alle leden van een sociale en politieke gemeenschap.

Wanneer het magisterium van de Kerk tussenkomt in vraagstukken over het sociale en het politieke leven, houdt zij niet op met de vereisten na te leven voor een juist begrepen laïcisme, omdat “het Magisterium van de Kerk niet wenst om politieke macht uit te oefenen of om de vrijheid van mening van katholieken over contingente vragen te elimineren. Zij wil integendeel — in overeenstemming met haar eigen functie — het geweten van de gelovigen, in het bijzonder van hen die betrokken zijn in het politieke leven, instrueren en verlichten, zodat hun acties steeds de integrale bevordering van de menselijke persoon en het algemeen welzijn mogen dienen. De sociale leer van de Kerk is geen inmenging in de regering van de afzonderlijke landen. Zij vestigt wel de plicht van de katholieke lekengelovigen om moreel consistent te zijn, in het binnenste van hun geweten, dat enig en ondeelbaar is” Congregatie voor de Geloofsleer, Activiteiten en het gedrag van de Katholieken op het gebied van de politiek (24 nov 2002), 6.

Het principe van het laïcisme houdt het respect van de staat voor elke godsdienstige overtuiging in, die “de vrije uitoefening van de rituele, spirituele, culturele en caritatieve activiteiten van gelovige gemeenschappen verzekert. In een pluralistische maatschappij is het laïcisme een plaats voor communicatie tussen de verschillende spirituele tradities van de natie” H. Paus Johannes Paulus II, Toespraak, Tot het bij de Heilige Stoel geaccrediteerde Corps Diplomatique (2004) (12 jan 2004), 3. Spijtig genoeg blijven er zelfs in democratische maatschappijen nog steeds uitdrukkingen van onverdraagzaam laïcisme over die vijandig staan tegenover het toekennen van elk soort van politieke of culturele relevantie aan gelijk welke vorm van geloof, door het discrediteren van het sociale en politieke engagement van christenen omdat zij zich herkennen in de door de Kerk onderwezen waarheden en omdat zij gehoorzamen aan de morele plicht om te handelen volgens hun geweten. Deze houdingen gaan zelfs zo ver dat zij radicaal de grond voor een natuurlijke moraal loochenen. Deze ontkenning, die de voorloper is van een morele anarchie die als logisch gevolg heeft dat de sterken heersen over de zwakken, kan onder geen enkel beding door een legitiem pluralisme worden aanvaard, aangezien dit de grondslag zelf van de menselijke samenleving ondermijnt. In het licht van deze toestand “kan de marginalisering van het christendom niet dienstig zijn voor de toekomst van een maatschappij of voor een consensus onder de volken; meer nog, dit zou de culturele en spirituele fundamenten van de beschaving ondermijnen” Congregatie voor de Geloofsleer, Activiteiten en het gedrag van de Katholieken op het gebied van de politiek (24 nov 2002), 6.
Een particulier domein voor de onderscheiding door de lekengelovigen betreft de keuzes van de politieke instrumenten, namelijk het lidmaatschap van een partij of van andere types van politieke participatie. Men moet een keuze maken die in overeenstemming is met de waarden en door rekening te houden met de effectieve omstandigheden. In elk geval moet iedere keuze geworteld zijn in de liefde en gericht zijn op het bereiken van het algemeen welzijn Vgl. Paus Leo XIII, Encycliek, Over de viering van de oktobermaand (Rozenkransgebed), Octobre Mense (22 sept 1891), 46. Het is moeilijk om de belangen van het christelijke geloof gerealiseerd te zien in één enkele politieke entiteit; beweren dat één partij of politieke coalitie volledig beantwoordt aan de eisen van het geloof of aan het christelijke leven, zou aanleiding geven tot gevaarlijke fouten. Christenen kunnen geen partij vinden die volledig correspondeert met de ethische vereisten van het geloof en van het lidmaatschap van de Kerk. Hun aanhang aan een politieke partij zal nooit ideologisch maar steeds kritisch zijn; op die manier zal de partij en haar politiek platform worden aangespoord om steeds meer plichtsgetrouw het echte algemeen welzijn na te streven, inclusief het spirituele doel van de menselijke persoon. Vgl. Paus Leo XIII, Encycliek, Over de viering van de oktobermaand (Rozenkransgebed), Octobre Mense (22 sept 1891), 46
Het onderscheid dat moet worden gemaakt tussen aan de ene kant de vereisten van het geloof en sociaal-politieke opties, en aan de andere kant tussen de keuzes gemaakt door individuele christenen en door de christelijke gemeenschap als zodanig, impliceert dat het aanhangen van een partij of van een politieke beweging wordt beschouwd als een persoonlijke keuze die legitiem is voor zover de partijen en hun posities niet incompatibel zijn met het christelijk geloof en met de christelijke waarden Vgl. Paus Leo XIII, Encycliek, Over de viering van de oktobermaand (Rozenkransgebed), Octobre Mense (22 sept 1891), 46. Nochtans kan de keuze van een partij, een politieke alliantie, de personen aan wie het openbare leven wordt toevertrouwd — hoewel er een beroep wordt gedaan op het geweten van elke persoon — nooit een exclusieve individuele keuze zijn. “Het komt toe aan de christelijke gemeenschap om objectief de situatie van haar land te analyseren, om door het licht van de onveranderlijke woorden van het Evangelie klaarheid te brengen en om principes voor reflectie, oordeelscriteria en richtlijnen voor het handelen gesteund op de sociale leer van de Kerk te formuleren” Vgl. Paus Leo XIII, Encycliek, Over de viering van de oktobermaand (Rozenkransgebed), Octobre Mense (22 sept 1891), 4. In elk geval “mag niemand in genoemde gevallen voor zijn eigen mening de garantie van het kerkelijk gezag exclusief (...) opeisen” 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 43; gelovigen moeten veeleer “pogen in een open gesprek elkaar te verlichten, met behoud van de wederzijdse liefde en in bezorgdheid vooral voor het algemeen welzijn” 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 43.

Document

Naam: COMPENDIUM VAN DE SOCIALE LEER VAN DE KERK
Soort: Pauselijke Raad "Justitia et Pax"
Datum: 26 oktober 2004
Copyrights: © 2004, Libreria Editrice Vaticana
Vert.: vatican.va, Stg. InterKerk, katholiekgezin.nl
Bewerkt: 1 juli 2020

Referenties naar dit document

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
Trefwoordenlijst voor dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2020, Stg. InterKerk, Schiedam