• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
Om het algemeen welzijn te beschermen, moet de wettige publieke overheid het recht en de plicht uitoefenen om straffen op te leggen die in verhouding staan tot de ernst van de begane misdrijven Vgl. Catechismus-Compendium, Catechismus van de Katholieke Kerk (15 aug 1997), 2266. De staat heeft de dubbele verantwoordelijkheid om gedrag dat indruist tegen de mensenrechten en de fundamentele normen van het burgerlijke leven te ontmoedigen, en om de verstoring als gevolg van criminele activiteit met behulp van het penaliserend systeem te herstellen. In een rechtsstaat is de macht om straffen op te leggen terecht toevertrouwd aan de rechtbanken: "in het vastleggen van de specifieke relaties tussen de wetgevende, de uitvoerende en de rechterlijke macht, garandeert de grondwet van de moderne staten aan de rechterlijke macht de noodzakelijke onafhankelijkheid binnen het kader van de wet" H. Paus Johannes Paulus II, Toespraak, Voor de Italiaanse Vereniging van Rechters (31 mrt 2000), 4.
Straf dient niet alleen om de openbare orde en de veiligheid van de personen te garanderen; zij wordt ook een instrument ter verbetering van de schuldige, een verbetering die tevens de morele waarde van uitboeting aanneemt wanneer de schuldige vrijwillig zijn straf aanvaardt Vgl. Catechismus-Compendium, Catechismus van de Katholieke Kerk (15 aug 1997), 2266. Hier is sprake van een dubbel doel. Enerzijds het stimuleren van de reïntegratie van de veroordeelde in de maatschappij; anderzijds de bevordering van een verzoenende rechtvaardigheid, die in staat is om de door misdaad gebroken relaties van een harmonieuze samenleving te herstellen.

In dit verband is de taak waartoe gevangenisaalmoezeniers worden geroepen, van groot belang, niet alleen vanuit het oogpunt van de specifiek religieuze dimensie, maar ook in functie van de verdediging van de waardigheid van de gedetineerde personen. Spijtig genoeg zijn de omstandigheden waarin de gevangenen hun straf moeten uitzitten, niet altijd bevorderlijk voor hun waardigheid en dikwijls worden de gevangenissen plaatsen waar nieuwe misdaden worden gepleegd. Niettemin vormt de omgeving van strafinstellingen een geprivilegieerd terrein om eens te meer getuigenis af te leggen van de christelijke zorg voor sociale aangelegenheden: "Ik zat in de gevangenis en jullie kwamen naar Me toe" (Mt. 25, 35-36).

De activiteit van de organen die belast zijn met het bepalen van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid, die steeds persoonlijk van aard is, moet gericht zijn op een nauwgezette zoektocht naar de waarheid en moet met een volledig respect voor de waardigheid en de rechten van de menselijke persoon worden uitgevoerd. Dit betekent dat men zowel de rechten van de schuldigen als van de onschuldigen moet garanderen. Daarbij moet men steeds het algemeen juridisch principe dat men niet mag straffen vooraleer het misdrijf bewezen is, voor ogen houden.

Bij het voeren van onderzoeken moet de regel die het folteren verbiedt, zelfs in het geval van ernstige misdaden, altijd scrupuleus worden nageleefd: "de leerlingen van Christus verwerpen het nemen van hun toevlucht tot dergelijke methode, die op geen enkele manier kan worden gerechtvaardigd en waarbij de waardigheid van de mens zowel bij de folteraar als bij de gefolterde is gedegradeerd" H. Paus Johannes Paulus II, Toespraak, Genève, Tot het Internationaal Comité van het Rode Kruis (15 juni 1982), 5. Internationale juridische instrumenten gerelateerd aan de mensenrechten stellen terecht het verbod op foltering als een principe voorop waarvan in geen enkele omstandigheid mag worden afgeweken.

Eveneens uitgesloten is "het gebruik van opsluiting met als enig doel het proberen verkrijgen van belangrijke informatie voor het proces" H. Paus Johannes Paulus II, Toespraak, Voor de Italiaanse Vereniging van Rechters (31 mrt 2000), 4. Bovendien moet worden gegarandeerd dat "processen snel worden gevoerd: hun excessieve duur wordt voor de burgers ondraaglijk en mondt uit in een waarlijk onrecht" H. Paus Johannes Paulus II, Toespraak, Voor de Italiaanse Vereniging van Rechters (31 mrt 2000), 4.

Magistraten zijn in het bijzonder gehouden aan de discretieplicht bij het voeren van hun onderzoek opdat het recht van de beschuldigde op geheimhouding niet geschonden wordt en opdat het principe van de veronderstelde onschuld niet zou worden ondermijnd. Omdat zelfs rechters fouten kunnen maken, is het billijk dat de wet voorziet in een geschikte compensatie voor slachtoffers van gerechtelijke dwaling.

Document

Naam: COMPENDIUM VAN DE SOCIALE LEER VAN DE KERK
Soort: Pauselijke Raad "Justitia et Pax"
Datum: 26 oktober 2004
Copyrights: © 2004, Libreria Editrice Vaticana
Vert.: vatican.va, Stg. InterKerk, katholiekgezin.nl
Bewerkt: 12 april 2017

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
 
|
Pagina delen: 
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2017, Stg. InterKerk, Schiedam