• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

TOT DE LEDEN VAN DE INTERNATIONALE THEOLOGISCHE COMMISSIE
Bij gelegenheid van hun eerste oriënterende bijeenkomst

Eerbiedwaardige broeders en beminde zonen,

'De genade van de Heer Jezus Christus, de liefde van God en de gemeenschap van de Heilige Geest zij met u allen!' (2 Kor. 13, 13).

U, die in de Kerk Gods een verheven taak verricht en die, wat wij u graag toewensen, moogt delen in het charisma van leraren te zijn 'om de heiligen toe te rusten voor het werk der bediening tot opbouw van het lichaam van Christus' (Ef. 4, 12) en die daarom reeds zeer goed op de hoogte zijt van de aard, het belang en de doelstelling van deze Internationale Theologische Commissie, tot het oprichten waarvan wij u bijeen hebben geroepen: u, zeggen wij, willen wij niets anders voorhouden dan de gevoelens waarmee wij u nu bij ons ontvangen en de uitvoering toevertrouwen van de taken die u door dit nieuw opgerichte instituut worden opgedragen.

Vooreerst zijn wij blij, dat is voldaan aan het verlangen dat ons op 27 oktober 1967 door de bisschoppensynode kenbaar is gemaakt, die dit nieuwe instituut opportuun achtte als hulp voor de Heilige Stoel en vooral voor de Heilige Congregatie voor de geloofsleer. Gedreven door het verlangen om tegemoet te komen aan een stern die zo'n groot gezag heeft, de stem namelijk van de bisschoppensynode, zijn wij blij met deze gelegenheid om ons verlangen kenbaar te maken om ten uitvoer te brengen, wat in het onlangs gehouden oecumenisch concilie zijn eerste uitgangspunt heeft, en ook om werkelijk ter harte te nemen het rechtmatig advies van onze broeders in het bisschopsambt, om het bestuur van de Kerk effectiever te doen zijn.

Nog iets houdt ons bezig, namelijk de hoop die wij koesteren, dat uw hulp verlichting zal brengen in de zeer zware taak van het leergezag dat door de apostolische opvolging aan ons is toevertrouwd. En werkelijk, meer dan allen gaan wij gebukt onder de last van het gezag dat ons is toevertrouwd; meer dan allen ervaren wij de zwakheid van onze krachten, vergeleken bij de volheid van wijsheid en waarheid die vereist is voor het uitoefenen van een dergelijk leerambt; meer dan allen huiveren wij, nederig en in gebed, wanneer onze apostolische taak ons gebiedt ofwel om dit gezag uit te oefenen en het onderwerp te meten aan het woord Gods en te vergelijken met het geloof van de Kerk, ofwel om onze geest te versterken door het vrome en wijze onderzoek van geleerde mannen, ofwel tenslotte om de eensgezinde mening te vragen van onze broeders in het bisschopsambt. Zoals gij goed weet, berust het gezag en de zekerheid van dit leerambt op Christus, die alleen onze hoogste Leraar is, en zijn zij hoogst noodzakelijk voor het bestuur, de zekerheid, de vrede en de eenheid van de Kerk. Wie dit leerambt af. wijst of ontkent, verzet zich tegen de ene en ware Kerk, vermindert haar apostolische kracht en streeft er niet naar om de eenheid van alle christenen op te bouwen in de waarheid en de liefde, maar eerder om de kudde van Christus te verstrooien, en daardoor geeft hij ernstig aanstoot aan diegenen die het geloof hebben of ernaar zoeken, en zij moeten de verantwoording voor deze afschuwelijke daad op zich nemen ten overstaan van God. Toch, al mogen wij een woord van de heilige Paulus in de mond nemen: 'Het woord dat ik u verkondigde, had niets te danken aan de overredingskracht van de 'wijsheid', maar het getuigde van de kracht van de Geest', en ook: 'En daarom spreken wij, niet met woorden ontleend aan menselijke wijsheid, maar onderricht door de Geest. . .' (1 Kor. 2, 4.13), toch menen wij ons niet te kunnen onttrekken aan waarachtige en scherpe studie van het woord Gods, noch aan het gebruik van alle middelen die tot inzicht kunnen bijdragen om die 'kennis van God' Vgl. Kol. 1, 10 te verkrijgen die deel uitmaakt van de zogenaamde pedagogie van de genade, noch aan de toeleg op die vorming die de mens geschikt maakt om als leraar op te treden Vgl. Rom. 12, 7 ; wij spreken namelijk niet alleen allerminst geringschattend over het theologisch redeneren, maar ook menen wij, dat dit een zeer belangrijke taak is van het kerkelijk leerambt, daarmee nauw verweven, en noodzakelijk.

Daarom hopen wij ten zeerste, dat gij, beoefenaars van de heilige leer die wij theologie noemen, goede hulp kunt en wilt bieden aan het volbrengen van de opdracht die Christus aan zijn apostelen heeft toevertrouwd met deze woorden: 'Gaat dus en maakt alle volkeren tot mijn leerlingen' (Mt. 28, 19); dit kan gebeuren door het geloof met ijver te bestuderen, door het verzamelen van alle gegevens waardoor het nauwgezetter, dieper en gemakkelijker verstaanbaar wordt, of door dat naar voren te brengen waardoor gemakkelijker wegen opengaan voor het onderricht, namelijk wat duidelijk maakt, waarover het onderricht gaat en hoe het moet gebeuren vgl. Chenu, Les théologiens et le Collège Episcopal: autonomie et service, in: 'L'Evêque dans l'Eglise du Christ', blz. 175 vv.; Desclée de Br.)

Het zij ons toegestaan nog een derde gevoelen naar voren te brengen dat ons thans bezighoudt; wij willen u, eerbiedwaardige broeders en beminde zonen, namelijk graag uitvoerig spreken over onze hoogachting en ons vertrouwen in u en in uw opvatting van uw zeer zware taak met betrekking tot die leer, zodat gij terecht theologen wordt genoemd in de katholieke Kerk. Wanneer wij dit zeggen, willen wij u met evenveel woorden verzekeren, dat wij de eigen wetten en eisen van uw studie erkennen, en wel die vrijheid van spreken waarborgen die eigen is aan de theologische wetenschap, en die vrijheid van onderzoek die nodig is voor de vooruitgang van deze wetenschap en waarvan wij weten, dat ze ieder van u zeer ter harte gaat. Wat dit betreft, willen wij, dat gij u vrij maakt van de vrees, dat de van u gevraagde taken de omvang van uw studies zo zouden moeten omschrijven en bepalen, dat wettig onderzoek en gepaste formulering van de leer worden verhinderd. We willen niet, dat het verkeerde vermoeden bij u post vat, dat er een strijd zou zijn om de voorrang tussen twee - aan de ene kant de wetenschap en aan de andere kant het gezag; want zo vaak als het gaat om de goddelijke leer, geldt er maar één voorrang, namelijk die van de geopenbaarde waarheid, het primaat van het geloof, dat zowel de theologie als het leergezag van de Kerk eensgezind willen verdedigen, zij het op verschillende wijze.

Weest daarom zowel trouw aan het onderwerp van uw studies, dat wil zeggen, aan het geloof zelf, alsook zeker in de verwachting, dat uw onderzoekingen zich kunnen voltrekken volgens de eigen beginselen daarvan en volgens de eigen aanleg van ieder van u. Dit betekent, dat wij graag de voortgang en variëteit van de theologische wetenschappen toestaan, het zogeheten 'pluralisme', dat heden ten dage de cultuur en de humaniteit van deze tijd goed weergeeft en aanduidt; maar toch kunnen wij niet nalaten erop te wijzen, dat het werkelijk noodzakelijk is, zoals de traditie van de Kerk altijd heeft erkend, om dezelfde kern van waarheid te bewaren, 'namelijk in hetzelfde dogma, in dezelfde zin, in hetzelfde gevoelen', zoals gij goed weet. Vgl. 1e Vaticaans Concilie, 3e Zitting - Dogmatische Constitutie over het Katholieke Geloof, Dei Filius (24 apr 1870), 25 

Tenslotte willen wij een wens uitspreken: dat de onderlinge dienst die gij zult verlenen aan die instantie van de Heilige Stoel die is ingesteld om te waken over de geloofsleer ten zeerste getuigt van zorg en heilzaam wordt, niet alleen om het volk Gods te beschermen tegen zovele en zo grote dwalingen die het bedreigen en die willen binnendringen in het goddelijk erfgoed· van de waarheid dat door God is geopenbaard en door de katholieke Kerk · met gezag wordt overgeleverd, maar ook twee andere doelstellingen te bereiken die van het grootste belang zijn: namelijk dat enerzijds in de heilige zekerheid van ons geloof een weg wordt gevonden van een woordgebruik dat de mogelijkheid schept tot het aanbevelen en beginnen van de oecumenische dialoog: de dialoog die gericht is op het herstel van de volledige en gelukkige gemeenschap in hetzelfde geloof en dezelfde liefde met de nog van ons gescheiden broeders; en anderzijds dat onze kundigheid van onderrichten, die wij met een Grieks woord kerygmatisch noemen, en onze vaardigheid in het brengen van de boodschap van de goddelijke openbaring en het menselijk heil worden versterkt met die echte trouw die de capaciteiten van onze geest en des te meer de mogelijkheden van denken en handelen van de mensen van deze tijd overstijgt; dat zij tegelijk ook worden versterkt door de duidelijkheid van het woord, de glans van het spreken en de gloed van de liefde, zodat de apostolische opdracht van de Kerk het licht van de waarheid, schoonheid en veilige zekerheid nu zo overvloedig mogelijk doet uitstralen.

Hiertoe zullen u zeker niet ontbreken - dat verzekeren wij u ten volle, broeders en zonen - onze interesse, onze gebeden en onze apostolische zegen.

Document

Naam: TOT DE LEDEN VAN DE INTERNATIONALE THEOLOGISCHE COMMISSIE
Bij gelegenheid van hun eerste oriënterende bijeenkomst
Soort: H. Paus Paulus VI - Toespraak
Auteur: H. Paus Paulus VI
Datum: 6 oktober 1969
Copyrights: © 1969, Katholiek Archief 24e jrg nr 46 p 1097-1100
Alineaverdeling en -nummering: redactie
Bewerkt: 25 februari 2020

Referenties naar dit document

 
Geen documenten gevonden!
 
Geen berichten gevonden!

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2020, Stg. InterKerk, Schiedam