• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

Voor de Kerk is de dialoog in zekere zin ook een middel of weg, maar op de eerste plaats toch een methode voor haar werkzaamheid in de wereld van deze tijd.

Immers, het Tweede Vaticaans Concilie leert: "Krachtens haar zending om de gehele wereld met de boodschap van het Evangelie te verlichten en alle mensen ( ... ) in een Geest te verenigen, wordt de Kerk een teken van die broederlijkheid welke een oprechte dialoog toelaat en versterkt". En het voegt daaraan toe dat zij bereid moet zijn "een steeds vruchtbaarder dialoog op gang te brengen tussen allen die het ene volk van God vormen", 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 92 alsook dat zij in staat moet zijn "met de menselijke samenleving in gesprek te komen". 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over het herderlijk ambt van de bisschoppen in de Kerk, Christus Dominus (28 okt 1965), 13 Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Verklaring, Over de Christelijke opvoeding, Gravissimum Educationis (28 okt 1965), 8 Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over de missie-activiteit van de Kerk, Ad Gentes Divinitus (7 dec 1965), 11-12

Mijn voorganger Paulus VI heeft aan deze dialoog het grootste deel van zijn eerste encycliek gewijd, die begint met de woorden H. Paus Paulus VI - Encycliek
Ecclesiam Suam
Over de Kerk
(6 augustus 1964)
. Daarin omschrijft en bepaalt hij de dialoog veelbetekenend als een "heilsdialoog". H. Paus Paulus VI, Encycliek, Over de Kerk, Ecclesiam Suam (6 aug 1964). 3e hoofdstuk De Kerk gebruikt de methode van de dialoog immers om de mensen - zowel degenen die door het Doopsel en de belijdenis van het geloof deel uitmaken van de christelijke gemeenschap, als degenen die niet tot haar behoren - beter tot omkeer en bekering te kunnen brengen door een diepgaande vernieuwing in eigen geweten en leven, in het licht van het verlossingsmysterie en van het heil dat Christus bewerkt heeft en dat Hij aan het dienstwerk van zijn Kerk heeft toevertrouwd. De ware dialoog is dus vóór alles gericht op ieders wedergeboorte door innerlijke omkeer en bekering, onder eerbiediging van ieders geweten en terwijl men met geduld en stap voor stap te werk gaat, wat onontbeerlijk is gezien de omstandigheden waarin de mensen van onze tijd verkeren.

Die pastorale dialoog met het oog op verzoening blijft ook vandaag de dag op allerlei terreinen en in verschillende gradaties één van de belangrijkste taken van de Kerk.

Op de eerste plaats zet zij zich in voor een oecumenische dialoog, dat wil zeggen: voor een dialoog tussen kerken en kerkelijke gemeenschappen die zich beroepen op het geloof in Christus, de Zoon van God en de enige Zaligmaker, en voor een dialoog met de andere gemeenschappen van mensen die God zoeken en naar gemeenschap met Hem verlangen.

Maar aan zo'n dialoog met de andere kerken moet, wil hij geloofwaardig en vruchtbaar zijn, een oprechte poging ten grondslag liggen om binnen de eigen katholieke Kerk voortdurend en steeds weer opnieuw de dialoog tot stand te brengen. Deze katholieke Kerk is zich ervan bewust dat zij krachtens haar aard het sacrament van een alomvattende liefdesgemeenschap 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 1.9.13 is; maar zij heeft ook weet van de spanningen in haarzelf, die oorzaken van verdeeldheid dreigen te worden.

De bezorgde en vastberaden oproep die mijn voorganger al met het oog op het Heilig Jaar 1975 H. Paus Paulus VI, Apostolische Exhortatie, Over de verzoening binnen de Kerk, Paterna cum benevolentia (8 dec 1974) deed, blijft ook geldig voor deze tijd. Om de conflicten te overwinnen en te voorkomen dat de normale spanningen de eenheid van de Kerk schade berokkenen, moeten wij ons allemaal onder het woord van God stellen. Onder aflegging van de eigen subjectieve meningen moeten wij de waarheid daar zoeken waar zij gevonden wordt, namelijk in het woord van God en in de ware uitleg ervan zoals het Leergezag van de Kerk die geeft. In dit licht worden de eigenschappen duidelijk die de dialoog, welke in de Kerk met volharding, welwillend en oprecht gevoerd moet worden, moet hebben: luisteren naar elkaar, elkaar respecteren, zich onthouden van elk voorbarig oordeel, het geduld en het vermogen om te voorkomen dat het geloof, dat één maakt, ondergeschikt gemaakt wordt aan meningen, modeverschijnselen en ideologische stellingnamen, die verdeeldheid zaaien. Het zal duidelijk zijn dat de dialoog niet van die aard kan zijn en geen middel van verzoening kan worden, tenzij men acht slaat op het Leergezag en dat ook aanvaardt.

Wanneer zij zo daadwerkelijk haar eigen innerlijke eenheid zoekt, kan de katholieke Kerk ook haar oproep tot verzoening richten, zoals zij al sinds lang doet, aan de andere christelijke kerken met wie zij niet in volledige gemeenschap staat, evenals aan de andere, niet-christelijke godsdiensten, ja zelfs aan degene die met een oprecht hart nog op zoek zijn naar God.

In het licht van het Concilie en van de uitoefening van het Leergezag door mijn voorgangers, wier kostbare nalatenschap ik overgenomen heb en tracht te verwezenlijken, kan ik bevestigen dat de Kerk getrouw, zonder lichtvaardig optimisme maar ook zonder wantrouwen, zonder te twijfelen of te aarzelen haar bijdrage levert aan het oecumenisch gesprek. De volgende grondregels probeert zij daarbij in acht te nemen: enerzijds de overtuiging dat alleen een geestelijk oecumenisme, één dat steunt op het gezamenlijke gebed en op de gezamenlijke volgzaamheid jegens de Heer, het mogelijk maakt om oprecht en serieus te beantwoorden aan alle overige vereisten van de oecumenische activiteit; Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over de oecumene, Unitatis Redintegratio (21 nov 1964), 7-8 anderzijds echter de overtuiging dat een gemakkelijk irenisme op leerstellig en met name op dogmatisch gebied wellicht tot een oppervlakkig en weinig duurzaam samengaan kan leiden, maar niet tot die diepe en blijvende gemeenschap waar we allemaal naar verlangen. Deze gemeenschap zal pas dan bereikt worden wanneer de goddelijke Voorzienigheid dat wil. Voor wat haar zelf betreft, weet de katholieke Kerk dat zij, om dit te bereiken, open en ontvankelijk moet zijn voor "alle echt christelijke waarden uit het gemeenschappelijk erfgoed die bij de gescheiden broeders worden aangetroffen", Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over de oecumene, Unitatis Redintegratio (21 nov 1964), 4 maar ook dat een oprechte en constructieve dialoog gebaseerd moet zijn op helderheid van uitgangspunten, op trouw en op overeenstemming met het geloof zoals dat overgeleverd en gedefinieerd is in een constante traditie van haar Leergezag. Ondanks het gevaar van een zeker defaitisme en ondanks de onvermijdelijke traagheid, die zich overigens door onbezonnenheid nooit laat verhelpen, gaat de katholieke Kerk samen met de andere christelijke broeders toch door met het zoeken naar wegen van eenheid en naar een oprecht gesprek met de volgelingen van de andere godsdiensten. Moge deze dialoog met de andere godsdiensten leiden tot de overwinning van iedere vorm van vijandigheid, van wantrouwen van onderlinge veroordeling en ruzie. Alleen op deze voorwaarde is het mogelijk tot elkaar te komen, minstens in het geloof in de ene God en in de overtuiging van een eeuwig leven voor de onsterfelijke ziel. Moge God vooral geven dat de oecumenische dialoog mag leiden tot een verzoening met de andere christelijke kerken in alles wat wij met hen gemeen hebben: het geloof in Jezus Christus, de Zoon van God die is Mensgeworden, de Zaligmaker en Heer, het luisteren naar het Woord van God, de studie van de Openbaring, het Sacrament van het Doopsel.

In de mate dat de Kerk in haar eigen midden een werkzame eendracht, een eenheid in verscheidenheid tot stand weet te brengen, en voor de andere kerken en kerkelijke gemeenschappen, evenals voor de andere godsdiensten een nederige getuige en bewerkster van verzoening weet te zijn, wordt zij zelf, volgens een veelbetekenende uitdrukking van de heilige Augustinus, "een verzoende wereld". H. Augustinus, Belijdenissen, Confessiones. 96, VII, 8: PL 38, 588 Pas dan immers zal zij in de wereld en voor de wereld een teken van verzoening kunnen zijn.

Bewust als zij zich is van de uitermate ernstige situatie die ontstaan is door de krachten van de verdeeldheid en van de oorlog, een situatie die niet slechts het evenwicht en de verstandhouding tussen de naties dreigt te verstoren, maar die tevens een ernstige bedreiging inhoudt voor de overleving van de mensheid, voelt de Kerk zich verplicht haar eigen bijdrage en hulp te verlenen bij de overwinning van conflicten en bij het herstellen van de eendracht.

Het gaat hier om een ingewikkelde en delicate dialoog van verzoening, waarvoor de Kerk zich vooral inzet door middel van de activiteiten van de Heilige Stoel en zijn diverse organen. De Heilige Stoel streeft ernaar om daar waar conflicten bestaan de verzoening te bevorderen, hetzij door haar gezag aan te wenden bij nationale regeringen of verantwoordelijken van internationale instellingen, hetzij door met hen een dialoog aan te gaan of hen aan te sporen met elkaar in dialoog te treden. De Kerk doet dit niet met bijbedoelingen of vanuit verborgen eigenbelangen - die heeft zij immers niet - maar vanuit een "bezorgdheid om de mensheid". Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Toespraak, Tot de leden van het Corps Diplomatique geaccrediteerd bij de Heilige Stoel (15 jan 1983), 4.6.11 Daarom zet zij haar geheel eigen institutionele structuur en moreel gezag in voor de dienst van de eendracht en de vrede. Ze doet dat met name vanuit de overtuiging dat, zoals "in de oorlog twee partijen elkaars tegenstanders zijn", er zo ook "in de zaak van de vrede noodzakelijk altijd twee partijen zijn die er zich voor moeten inzetten", en dat daarin "de ware betekenis ligt van de dialoog voor de vrede". H. Paus Johannes Paulus II, Homilie, Bij de viering van de 16e Werelddag van de vrede (1 jan 1983), 6

In de dialoog voor de verzoening werkt de Kerk ook via de bisschoppen, volgens hun eigen gezag en verantwoordelijkheid, hetzij door ieders bestuursmacht en verantwoordelijkheid in de respectievelijke particuliere kerken, hetzij gezamenlijk in de bisschoppenconferenties, met medewerking van de priesters en alle leden van de christelijke gemeenschappen. Zij vervullen hun taak met zorgvuldige toeleg wanneer zij die noodzakelijke dialoog bevorderen en tevens de menselijke en christelijke vereisten voor verzoening en vrede verkondigen. De leken, die "de wijde en moeilijke wereld van de politiek, het maatschappelijke leven, de economie en de internationale betrekkingen als eigen terrein van evangelisatie hebben", H. Paus Paulus VI, Postsynodale Apostolische Exhortatie, Over de Evangelisatie in de Moderne Wereld, Evangelii Nuntiandi (8 dec 1975), 70 worden aangespoord om zich rechtstreeks aan de dialoog voor de verzoening te wijden of deze te bevorderen. Ook door middel van hen verricht de Kerk haar verzoenende activiteit.

In de vernieuwing van de harten door omkeer en bekering ligt dus de grondvoorwaarde en de zekere grondslag ter verkrijging van elke sociale vernieuwing en van de vrede tussen de volkeren. Tenslotte moet nog onderstreept worden dat de dialoog, voor wat betreft de Kerk en haar ledematen, in welke vorm zij ook wordt gevoerd - en dat kunnen heel verschillende vormen zijn vanwege de analoge betekenis van het begrip ,dialoog' - nooit mag voortkomen vanuit een onverschillige houding ten opzichte van de waarheid, maar deze veeleer moet aantonen, in alle sereniteit en met respect voor de wijsheid en het geweten van de anderen. De dialoog van de verzoening zal echter nooit de verkondiging van de evangelische waarheid mogen vervangen of verzwakken, die de bekering van de zondaar beoogt en zijn gemeenschap met Christus en de Kerk, maar zal moeten dienen voor de overdracht van die evangelische waarheid, opdat zij in een praktijk van leven wordt omgezet met behulp van de middelen die Christus aan zijn Kerk heeft nagelaten voor de pastoraal van de verzoening: de catechese en de werken van bekering.

Document

Naam: RECONCILIATIO ET PAENITENTIA
Over de verzoening en boete in de zending van de Kerk in deze tijd
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Postsynodale Apostolische Exhortatie
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 2 december 1984
Copyrights: © 1985, Stg. Verkondiging, Roermond; nr. 13
Vert.: Chr. v. Buijtenen S.J.
Bewerkt: 7 november 2019

Opties

Internetadres
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam