• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

Bij het begin van Zijn openbaar leven kondigt Jezus in de synagoge van Nazareth aan dat de Geest Hem heeft gezalfd om aan armen de blijde boodschap te brengen, aan gevangenen hun vrijlating bekend te maken en aan blinden dat zij zullen zien, om verdrukten te laten gaan in vrijheid, om een genadejaar af te kondigen van de Heer. Vgl. Lc. 4, 16-19 De kerk maakt de zending van de Heer tot de hare en verkondigt het evangelie aan iedere man en iedere vrouw want zij zet zich in voor hun allesomvattend heil. Maar heel bijzonder gaat haar aandacht uit naar mensen die in een situatie verkeren van grote kwetsbaarheid en dus van grotere nood; voor hen heeft zij een ‘voorkeursliefde’. De ‘armen’, in de vele betekenissen van dat woord, zijn de verdrukten, de mensen aan de onderkant van de maatschappij, de bejaarden, de zieken, de onaanzienlijken, en alle mensen die in de samenleving als ‘de minsten’ worden beschouwd en behandeld.

De keuze voor de armen past in de logica van een liefde die naar Jezus’ voorbeeld wordt beleefd. Ze is dus een plicht voor alle volgelingen van Christus, maar zij die de Heer van meer nabij in Zijn levenshouding willen volgen, zullen beseffen dat die keuze heel bijzonder hen aangaat. Hun oprechte antwoord op de liefde van Christus brengt hen ertoe, als armen te leven en zich voor de armen in te zetten. Dat betekent voor ieder instituut volgens het eigen charisma het volgen van een bescheiden en sobere levensstijl, als individu en ook als communauteit. Steunend op dit levend getuigenis zullen de godgewijden, overeenkomstig hun levenskeuze en niet afhankelijk van politieke ideologieën, het onrecht aanklagen dat aan talrijke kinderen van God wordt aangedaan, en zich inzetten voor de bevordering van de gerechtigheid op het maatschappelijk terrein waar zij werkzaam zijn. Vgl. Bisschoppensynodes, Propositiones van de 9e Gewone Bisschoppensynode over het religieuze leven (29 okt 1994), 18 Zo zal men ook in de tegenwoordige omstandigheden door het getuigenis van talloze godgewijden de zelfgave hernieuwd zien worden van de stichters, die hun leven gaven om de in de armen aanwezige Heer te dienen. Immers, ”hier op aarde is Christus arm in de persoon van Zijn armen… Als God is Hij rijk, als mens is Hij arm. In feite is de reeds rijke mens naar de hemel opgestegen en gezeten aan de rechterhand van de Vader, maar tegelijk blijft Hij hier op aarde de arme die honger heeft, dorst heeft, naakt is.” H. Augustinus, Sermones. 123, 3-4: PL 38, 685-686

Het evangelie wordt werkzaam door de caritas, die de roem is van de kerk en het bewijs voor haar trouw aan de Heer. Heel de geschiedenis van het godgewijde leven toont aan, dat dit leven kan worden beschouwd als een levende exegese van Jezus’ woord: ”Al wat gij gedaan hebt voor één deze geringsten van mijn broeders hebt gij voor Mij gedaan” (Mt. 25, 40). Vooral in onze tijd zijn heel wat instituten ontstaan juist met de bedoeling om in een bepaalde nood van de armen te voorzien. En zelfs wanneer dat niet de doorslaggevende factor was, was de aandacht en belangstelling voor de allerarmsten – in gebed, opvang en gastvrijheid betoond – een vanzelfsprekend element in de verschillende vormen van godgewijd leven, met inbegrip van het contemplatieve leven. Hoe zou het ook anders kunnen zijn, daar de Christus die in het schouwend gebed ontmoet wordt, dezelfde is die in de armen leeft en lijdt?

De geschiedenis van het godgewijde leven is op dit gebied vol prachtige en soms geniale voorbeelden. Paulinus van Nola, die zijn bezittingen onder de armen had verdeeld om zich geheel aan God toe te wijden, liet de cellen van zijn klooster boven het gasthuis bouwen dat juist voor de armen bestemd was. Hij verheugde zich bij de gedachte aan deze bijzondere ‘uitwisseling van gaven’: de armen die door hem werden bijgestaan, gaven door hun gebed hechtheid aan de ‘grondslagen’ van zijn huis dat geheel gewijd was aan Gods lof. Vgl. H. Paulinus van Nola, Poema. XXI, 386-394: PL 61, 587 Van zijn kant was Vincentius à Paolo gewoon te zeggen dat als men zijn gebed moet onderbreken om een arme in nood bij te staan, het in werkelijkheid niet wordt onderbroken omdat men ”God omwille van God verlaat”. Conferentie "Sur le regles" (30 mei 1647): Correspondance, Etretiens, Documents, ed. Coste, Vol. IX (Paris, 1923), 319.

De dienst van de armen is een daad van evangelisering, en tegelijk bezegelt hij de trouw aan het evangelie en is hij een uitnodiging tot blijvende bekering; immers, zoals Gregorius de Grote zegt, ”de liefde neemt een wonderbare vlucht omhoog wanneer ze zich liefdevol neerbuigt naar de ellende van de evenmens; en hoe dieper zij vol goedheid afdaalt naar de uiterste nood, hoe krachtiger zij haar vlucht naar de hoogste toppen herneemt”. H. Paus Gregorius de Grote, Herderlijke Regel, Regula pastoralis. 2, 51: PL 77, 33

Document

Naam: VITA CONSECRATA
Over het gewijde leven en zijn zending in de Kerk en de wereld
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Postsynodale Apostolische Exhortatie
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 25 maart 1996
Copyrights: © 1996, 1-2-1 Kerkelijke Documentatie jrg 24, nr. 4/5
Vert.: F. van Voorst tot Voorst, s.j.
Bewerkt: 7 november 2019

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2020, Stg. InterKerk, Schiedam