• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
Openbaring van de barmhartigheid in het Kruis en in de Verrijzenis

De Messiaanse boodschap van Christus en zijn werk onder de mensen lopen tenslotte uit op het kruis en de verrijzenis. Willen wij de waarheid van de barmhartigheid in haar volle diepte verduidelijken zoals ze in haar diepste wezen in onze heilsgeschiedenis is geopenbaard, dan moeten wij dus diep doordringen in dit laatste gebeuren, dat in de taal van het Concilie voornamelijk als Paasmysterie wordt gedefinieerd. Op deze plaats in onze overwegingen moeten wij daarom ook nader ingaan op de leer van de encycliek H. Paus Johannes Paulus II - Encycliek
Redemptor Hominis
De Verlosser van de mensen
(4 maart 1979)
. Want als de waarheid van de verlossing in haar menselijke dimensie de onmetelijke grootheid van de mens openbaart, die een dergelijke en zo grote Verlosser heeft mogen hebben, “qui talem ac tantum meruit habere Redemptorem;” vgl. de liturgie van de Vigilie van Pasen: de lofzang van Pasen “Exsultet”. dan stelt de goddelijke dimensie van deze verlossing ons ook in staat om vooral op zogezegd empirische en “historische” manier de diepte van die liefde te ontdekken, die absoluut niet terugdeinst voor het unieke offer van de Zoon om te voldoen aan de trouw van de Schepper en Vader aan de mensen, die naar zijn beeld zijn geschapen en die reeds vanaf het “begin” voor de genade en de glorie waren uitverkoren.

De gebeurtenissen van de vrijdag in de Goede Week en daarvoor reeds het gebed in de hof van Getsemane brengen een fundamentele verandering teweeg in de hele loop van de openbaring van de liefde en barmhartigheid in de Messiaanse zending van Christus. Immers, Hij die “weldoende rondging en genas” (Hand. 10, 38) “en alle ziekten en kwalen genas,” (Mt. 9, 35) schijnt nu zelf op zijn beurt de grootste barmhartigheid te verdienen en op te roepen, nu Hij gevangen genomen en bespot wordt, veroordeeld en gegeseld en met doornen gekroond en, na met nagels aan het kruis geslagen te zijn, onder de felste pijnen de geest geeft. Vgl. Mc. 15, 37 Vgl. Joh. 19, 30 Dan verdient Hij weliswaar het meest de barmhartigheid van de mensen die Hij welgedaan heeft, maar Hij ontvangt ze niet. Zelfs degenen die Hem het meest nabij zijn, kunnen Hem niet beschermen en Hem niet uit de handen van zijn verdrukkers redden. Daarom worden in deze laatste fase van zijn Messiaanse zending in Christus de woorden vervuld die door de profeten en vooral door Jesaja over de Dienaar van Jahwe zijn uitgesproken: “Dank zij zijn striemen is er voor ons genezing.” (Jes. 53, 5) Als mens die in de Hof van Olijven en op de berg van Calvarië op werkelijk afschuwelijke wijze gefolterd wordt, wendt Christus zich tot de Vader – tot die Vader wiens liefde voor de mensen Hij gepreekt heeft en wiens barmhartigheid Hij door zijn hele manier van optreden bevestigd heeft. Niettemin wordt ook Hem – zelfs Hem – het verschrikkelijke lijden van de dood aan het kruis niet gespaard: “Hem die geen zonde heeft gekend, heeft God voor ons tot zonde gemaakt,” (2 Kor. 5, 21) zegt St. Paulus, wanneer hij de grootheid van het mysterie van het kruis en tegelijk het goddelijke karakter van de waarheid van de verlossing in enkele woorden aanroert. Juist deze verlossing is de laatste en definitieve openbaring van de heiligheid van God, die ook zelf weer op zijn beurt de absolute volheid van de volmaaktheid is, d.w.z. de volheid van de rechtvaardigheid en de liefde, aangezien de rechtvaardigheid op de liefde gebouwd is, eruit voortkomt en erop gericht is. In het lijden en de dood van Christus – omdat de Vader zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar “Hem... voor ons tot zonde gemaakt” (2 Kor. 5, 21) heeft – wordt daarom de absolute rechtvaardigheid duidelijk gemaakt: dat Christus het lijden en de dood ondergaat om de zonden van het menselijk geslacht. Dit is in ieder opzicht een “overgrote overvloed” aan rechtvaardigheid, omdat de zonden van de mensen door het offer van de God-mens “gecompenseerd” worden. Maar een dergelijke rechtvaardigheid, die duidelijk een rechtvaardigheid “naar Gods maat” is, komt volledig uit de liefde voort, met name uit de liefde van de Vader en de Zoon, en haar vruchten ontspruiten geheel uit de liefde. Juist om deze reden is de goddelijke rechtvaardigheid die aan het kruis geopenbaard wordt, “naar Gods maat”, omdat ze uit liefde ontstaat en in liefde vervolmaakt wordt, waarbij ze vruchten van heil voortbrengt. De goddelijke dimensie van de verlossing komt niet alleen dan tot stand als de zonde gewroken wordt, maar als aan de liefde die creatieve kracht in de mens teruggegeven wordt waardoor de mens weer toegang kan krijgen tot de volheid en heiligheid van leven die van God komt. Zo impliceert de verlossing de openbaring van de barmhartigheid in haar volle omgang.

Het Paasmysterie is daarom het hoogtepunt van deze openbaring en beoefening van de barmhartigheid, die de mens kan rechtvaardigen en de rechtvaardigheid zelf kan herstellen, in de mate waarin deze barmhartigheid de heilsorde is die God vanaf het begin in de mens en door de mens in de wereld gewild had. De lijdende Christus spreekt op unieke wijze de mens aan, en niet alleen de gelovige. Want ook de niet-gelovige mens zal in Hem uitdrukking kunnen ontdekken van de nauwe band en solidariteit met de situatie van de mens, als een harmonieuze volheid van een volmaakt belangeloze toewijding van zichzelf aan de zaak van de mens, aan de waarheid en aan de liefde. Toch ligt de goddelijke dimensie van het Paasmysterie nog dieper. Want het op Calvarië geplaatste kruis, waaraan Christus zijn laatste gesprek met de Vader voert, stijgt als uit het binnenste van die liefde op, waarmee, die mens naar Gods beeld en gelijkenis geschapen, helemaal volgens het eeuwige plan van God begiftigd is. De door Christus geopenbaarde God is niet alleen met nauwe banden als Schepper en bron van het leven zelf met de wereld verbonden; Hij is ook de Vader, die met de mens, die door die van de schepping verbonden is. Want het is de liefde die niet alleen het goede tot stand brengt, maar die ook bewerkt dat de mens deelneemt aan het leven van God zelf, van de Vader en de Zoon en de heilige Geest. Wie immers liefheeft, wil zichzelf wegschenken.

Het kruis van Christus op Calvarië staat langs de weg van die "admirabile commercium" - “wonderlijke ruil”, van die wonderbaarlijke omgang van God met de mens, waarin ook het beroep op de mens vervat ligt om zichzelf en daarmee de hele zichtbare wereld aan God over te leveren, om zodoende deelgenoot van het goddelijke leven te worden en als aangenomen zoon deel te krijgen aan de waarheid en de liefde die in God is, die van God uitgaat. Zo staat hoog boven alles uit in de geschiedenis, langs de weg van de eeuwige uitverkiezing van de mens tot de waardigheid van aangenomen zoon van God, het kruis van Christus, de Eniggeboren Zoon, die als “licht uit licht, waarlijk God uit de ware God” Vgl. 1e Concilie van Constantinopel, Credo van Nicea - Constantinopel (31 juli 381) is gekomen om het laatste getuigenis te geven van het wonderbaarlijke verbond van God met het menselijk geslacht, van God met de mens, met iedere mens. Dit verbond, dat zo oud is als de mens, gaat terug tot het mysterie van de schepping; nadat het echter vaker met het enig-uitverkoren volk vernieuwd was, is het nu met evenveel recht het nieuwe en definitieve verbond, dat daar op Calvarië gesloten is, een verbond dat nu niet voor één volk, Israël, gereserveerd is, maar dat voor allen en voor iedereen open staat.

Wat leert ons dan het kruis van Christus, dat in zekere zin het laatste woord van zijn zending als brenger van de Messiaanse boodschap is? – En toch is het nog niet het laatste woord van Gods verbond; dat is in die ochtendschemering gesproken, toen eerst de vrouwen en daarna de apostelen die naar het graf van de gekruisigde Christus gingen en het leeg vonden, als eersten de boodschap hoorden: “Hij is verrezen.” Deze boodschap hebben zij aan de anderen herhaald en zo zijn zij getuigen geworden van de verrezen Christus. Toch blijft ook in deze verheerlijking van de Zoon van God het kruis aanwezig, dat in het hele Messiaanse getuigenis voor deze Mens-Zoon, die er aan gestorven is, spreekt en nooit ophoudt te spreken over de God-Vader, die te allen tijde trouw is aan zijn liefde voor de mens: “Zozeer immers heeft God de wereld” - en dus de mens in de wereld - “liefgehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven, opdat al wie in Hem gelooft niet verloren zal gaan, maar eeuwig leven zal hebben.” (Joh. 3, 16) Geloven in de gekruisigde Zoon betekent “de Vader zien”; Vgl. Joh. 14, 9 het betekent dat men gelooft dat er liefde in deze wereld gevonden wordt en dat deze liefde sterker is dan alle vorm van kwaad waarin de mens, het mensdom en de wereld verwikkeld is. In een dergelijke liefde geloven betekent daarom dat men ook in barmhartigheid gelooft. Want deze is een wezenlijk onderdeel van de liefde en als het ware een tweede naam ervoor, en tegelijk de eigenlijke manier waarop de liefde wordt geopenbaard en beoefend tegenover het echte kwaad dat in de wereld wordt aangetroffen, dat de mens op de proef stelt en gevangen houdt, dat zich diep in zijn hart nestelt, ja hem zelfs “in het verderf kan storten in de hel.” (Mt. 10, 28)

Liefde is sterker dan de dood, sterker dan de zonde
Het kruis van Christus op Calvarië is ook een getuigenis van de macht van het kwaad ten opzichte van deze zelfde Zoon van God, van hem die als enige onder al de kinderen der mensen van nature volkomen onschuldig en vrij van zonde was en wiens komst in de wereld onbesmet was door de ongehoorzaamheid van Adam en de erfenis van de eerste zondeval. Maar zie: juist in Hem, in Christus, wordt gerechtigheid gedaan aan de zonde ten koste van zijn offer en gehoorzaamheid “tot de dood.” (Fil. 2, 8) “Hem die geen zonde heeft gekend, heeft God voor ons tot zonde gemaakt.” (2 Kor. 5, 21) Bovendien wordt gerechtigheid gedaan aan de dood, die vanaf de oorsprong van de menselijke geschiedenis met de zonde verbonden is. Wanneer evenwel op deze manier gerechtigheid geschiedt aan de dood, gebeurt dit door de dood van Hem die zonder zonde was en die de enige was die doorzijn dood de dood kon doden. Vgl. 1 Kor. 15, 54-55 Zo is het kruis van Christus, een “radicale” openbaring van barmhartigheid, of liever van een liefde die ingaat tegen alles wat juist de wortel uitmaakt van het kwaad in de geschiedenis van de mens: de zonde en de dood.

In het kruis buigt zich dus de Godheid op de meest nederige wijze over de mens en over dat wat de mens – vooral in zeer moeilijke en bittere tijden – zijn ongelukkig lot noemt. Het kruis is als het ware het betasten – door de eeuwige liefde – van wonden die het meest pijn doen in het aardse leven van de mens. Het is de voltooiing tot het uiterste van het Messiaanse programma, dat Christus eens in de synagoge van Nazaret had bekend gemaakt Vgl. Lc. 4, 18-21 en daarna voor degenen die door Johannes de Doper gestuurd waren, herhaald had. Vgl. Lc. 7, 20-23 Volgens de woorden die reeds in de profetie van Jesaja Vgl. Jes. 35, 5 Vgl. Jes. 61, 1-3 lagen opgesloten, zou dit programma verwerkelijkt worden in het openbaren van de barmhartige liefde voor de armen, de lijdenden, de gevangenen, de blinden, de treurenden, de zondaren. Maar in het Paasmysterie wordt de drempel van het veelvoudige kwaad, waarvan de mens in zijn aardse leven deelgenoot wordt, overschreden: want het kruis van Christus toont ons de diepste wortels van het kwaad, die tot de zonde en de dood gaan; zo wordt het kruis een eschatologisch teken. Pas in de eschatologische voleinding en de definitieve vernieuwing van de wereld zal in alle uitverkorenen de liefde zelfs de diepste wortels van het kwaad overwinnen, wanneer zij als haar volkomen rijpe vrucht het rijk van leven en heiligheiden van de glorievolle onsterflijkheid zal brengen. Maar de grondslag van deze eschatologische voleinding ligt al in het kruis en de dood van Christus. Dat Christus “is opgestaan op de derde dag” (1 Kor. 15, 4) vormt het laatste teken van zijn Messiaanse zending, dat h et een hoogtepunt is van de hele openbaring van een barmhartige liefde in een wereld die aan het kwaad is blootgesteld. Tegelijk vormt dit het teken dat “een nieuwe hemel en een nieuwe aarde” (Openb. 21, 1) aankondigt: dan zal God “alle tranen van hun ogen afwissen, en de dood zal niet meer zijn; geen rouw, geen geween, geen smart zal er zijn, want al het oude is voorbij” (Openb. 21, 4)

In de eschatologische voleinding zal de barmhartigheid als liefde geopenbaard worden, terwijl in de situatie van deze wereld, in de menselijke geschiedenis – die tevens de geschiedenis van zonde en dood is – de liefde voornamelijk als barmhartigheid geopenbaard moet worden en ook als zodanig betoond moet worden. Het Messiaanse advies van Christus – een advies tot barmhartigheid – wordt tot programma van zijn volk, een programma van de Kerk. Maar midden in het hart van de Kerk staat steeds het kruis, omdat in het kruis de openbaring van de barmhartige liefde haar hoogtepunt bereikt. Zolang dus “het oude” niet voorbij is, Vgl. Openb. 21, 4 zal het kruis die “plaats” blijven, waarop ook die andere woorden van de Openbaring van Johannes kunnen slaan: “Ik sta voor de deur en Ik klop. Als iemand mijn stem hoort en de deur opent, zal Ik bij hem binnenkomen en maaltijd met hem houden en hij met Mij.” (Openb. 3, 20) Op opvallende wijze openbaart ook God zijn barmhartigheid telkens als Hij de mens oproept tot ‘barmhartigheid” ten opzichte van zijn Zoon, d.w.z. de Gekruisigde.

Christus, juist helemaal als de Gekruisigde, is het Woord dat niet voorbijgaat, Vgl. Mt. 24, 35 Hij is het die voor de deur staat en aan het hart van ieder mens klopt; Vgl. Openb. 3, 20 Hij beperkt evenwel diens vrijheid niet, maar probeert juist aan die liefde te ontlokken, die niet slechts de daad van een zekere overeenstemming en vereniging met de lijdende Mensenzoon is, maar in zekere zin “barmhartigheid” die door ieder van ons aan de Zoon van de eeuwige Vader bewezen wordt. Zou echter in deze hele Messiaanse activiteit van Christus en in alle bewijs van barmhartigheid door middel van het kruis, wellicht niet meer de waardigheid van de mens in acht genomen en op een hoger niveau geplaatst kunnen worden, omdat degene die barmhartigheid ondervindt ook in zekere zin degene is die “barmhartigheid bewijst” ?

Wijst niet Christus zelf juist op een dergelijke houding van liefde ten opzichte van de mens als Hij zegt: “Al wat gij gedaan hebt voor een dezer... hebt ge voor Mij gedaan”? (Mt. 25, 40) Geven niet de woorden van de bergrede: “Zalig de barmhartigen, want zij zullen barmhartigheid ondervinden” (Mt. 5, 7) in zekere zin een samenvatting van de hele Blijde Boodschap en van de hele “wonderlijke ruil” die daarin verborgen ligt? Is deze “ruil” niet de volkomen eenvoudige, sterke en tegelijk “liefelijke” wet van het heilsplan? Openbaren niet diezelfde woorden van de bergrede, omdat ze al vanaf het begin de mogelijkheden van het menselijk hart aantonen – namelijk dat de mensen “barmhartig” kunnen zijn – evenzo het diepe mysterie van God: namelijk die ondoorgrondelijke eenheid van de Vader en de Zoon en de heilige Geest, waarin liefde, die de rechtvaardigheid omhelst, de weg opent voor barmhartigheid, en deze rechtvaardigheid op haar beurt volmaaktheid onthult?

Het Paasmysterie is dus Christus zelf op het hoogtepunt van de openbaring van het onbegrijpelijke mysterie van God. Dan immers worden de woorden in de zaal van het Laatste Avondmaal volledig vervuld: “Wie Mij ziet, ziet de Vader.” (Joh. 14, 9) Want Christus, die door de Vader “niet gespaard” (Rom. 8, 32) is omwille van de mens en die in zijn lijden en kruisdood geen menselijke barmhartigheid ondervonden heeft, heeft in zijn verrijzenis de volheid van liefde die de Vader voor Hem en in Hem voor de mensen koestert, duidelijk gemaakt. Hij is geen God van doden maar van levenden.” (Mc. 12, 27) Welnu, in zijn verrijzenis heeft Christus de God van de barmhartige liefde duidelijk aangewezen, juist omdat Hij het kruis aanvaard had als de weg naar de verrijzenis. Daarom worden, als wij ons het kruis van Christus en zijn lijden en dood herinneren, ons geloof en onze hoop op de Verrezene gericht; op die Christus met name die “in de avond van die eerste dag van de week... in hun midden (ging) staan” in de zaal van het Laatste Avondmaal, “de verblijfplaats der leerlingen.” Toen “blies Hij over hen en zei: ‘Ontvangt de heilige Geest. Aan wie ge de zonden vergeeft, zijn ze vergeven, en aan wie ge ze niet vergeeft, zijn ze niet vergeven.” (Joh. 20, 19-23)

Ziedaar de Zoon van God, die in zijn verrijzenis ten diepste de Hem bewezen barmhartigheid gevoeld heeft, namelijk de liefde van de Vader, die machtiger is dan de dood. Maar diezelfde Christus is ook de Zoon van God, die zich tegen het einde, ja zelfs tot op zekere hoogte na het einde van zijn Messiaanse activiteit aanbiedt als de onuitputtelijke bron van barmhartigheid, en wel van dezelfde liefde die hierna in het verre perspectief van de heilsgeschiedenis in de Kerk altijd machtiger moet zijn dan de zonde. De Christus van Pasen is als het ware een definitieve en blijvende belichaming van de barmhartigheid en het levende teken ervan: tegelijk heilbrengend in de geschiedenis en eschatologisch. In diezelfde geest legt de heilige liturgie van de paastijd ons de woorden van de psalm in de mond: “Wat de Heer genadig verleende, dat drage mijn lied door de tijden.” (Ps. 89, 2)

Moeder van barmhartigheid
In deze woorden van de Kerk met Pasen weerklinken in hun volledige profetische betekenis de reeds door Maria uitgesproken woorden bij haar bezoek aan Elisabet, de vrouw van Zacharias: “Barmhartig is Hij van geslacht tot geslacht.” (Lc. 1, 50) Als op het moment van de Menswording openbaren deze woorden een nieuw perspectief van de heilsgeschiedenis. Na de verrijzenis van Christus is dit perspectief echter nieuw zowel in historische als eschatologische zin. Vanaf die tijd volgen steeds meer mensengeslachten elkaar op in de onmetelijke mensenfamilie; zo volgen ook nieuwe nakomelingen van het godsvolk, die getekend zijn met het teken van het kruis en de verrijzenis en die “gezegeld” Vgl. 2 Kor. 1, 21-22 zijn met het merkteken van het Paasmysterie van Christus, de volmaakte openbaring van die barmhartigheid die Maria op de drempel van het huis van haar bloedverwante verkondigde: “Barmhartig is Hij van geslacht tot geslacht.” (Lc. 1, 50)

Maria is ook degene die op een heel unieke en buitengewone wijze – als geen andere mens – de barmhartigheid gekend heeft en die tegelijkertijd op een even uitzonderlijke manier door het offer van haar hart bereikt heeft, dat zij zelf kon gaan deelnemen aan die openbaring van de goddelijke barmhartigheid. Dit offer hangt ten nauwste samen met het kruis van haar Zoon, waaronder zij ook op Calvarië heeft gestaan. Dit offer van haar is dan ook een volkomen unieke deelname in het openbaren van de barmhartigheid; want het is een deelname aan de absolute trouw van God aan zijn eigen liefde en aan het verbond dat Hij van eeuwigheid gewild heeft en dat Hij in de tijd met de mens, met zijn volk, met het menselijke geslacht gesloten heeft; het is een deelname aan die openbaring die eens en voor altijd door het kruis gevuld is. Niemand heeft als Maria, de Moeder van de Gekruisigde, het mysterie van het kruis beleefd, d.w.z. de ontstellende ontmoeting van de transcendente goddelijke rechtvaardigheid met de liefde: de “kus” die door de barmhartigheid aan de rechtvaardigheid gegeven werd. Vgl. Ps. 85, 11 Niemand, heeft, zoals Maria, in zijn geest dit mysterie opgenomen: die waarlijk goddelijke dimensie van de verlossing, die door de dood van de Zoon op de berg van Calvarië bereikt is, samen met het offer van haar moederhart en met haar besluit: “Mij geschiede naar uw woord. “

Maria is dus degene die het mysterie van de goddelijke barmhartigheid het diepst doorgrond; zij kent er ook de prijs van en begrijpt hoe hoog deze is. In deze zin noemen wij haar dan ook Moeder van Barmhartigheid, Onze Lieve Vrouw van Barmhartigheid of Moeder van de goddelijke barmhartigheid. In ieder van deze titels schuilt een diepe theologische betekenis, want zij drukken de bijzondere voorbereiding van haar ziel, ja van haar hele natuur en persoon uit om – in de complexe lotgevallen eerst van Israël, dan van ieder mens en tenslotte van het hele mensengeslacht – die barmhartigheid te doorzien waaraan zij “van geslacht tot geslacht” (Lc. 1, 50) gaat meewerken krachtens het eeuwige besluit van de allerheiligste Drievuldigheid.

Maar de hier genoemde titels die wij aan de Moeder van God toeschrijven, spreken in de eerste plaats over haar als de Moeder van de Gekruisigde en Verrezene; namelijk over haar die, na op buitengewone wijze barmhartigheid ondervonden te hebben, op gelijkwaardige wijze deze barmhartigheid “verdient” in de loop van haar hele aardse leven en speciaal onder het kruis van haar Zoon; over haar tenslotte die door een mysterieuze en tegelijk onvergelijkelijk diepe verbondenheid met de Messiaanse zending van haar Zoon op bijzondere wijze voorbestemd is om die liefde die Hij was komen openbaren aan de mensen aan te bieden: een liefde die op de meest concrete wijze bewezen wordt aan lijdenden en armen, aan van hun vrijheid beroofden en blinden, aan onderdrukten en zondaars, juist zoals Christus volgens de profetie van Jesaja, eerst in de synagoge van Nazaret Vgl. Lc. 4, 18 en daarna in antwoord op de vragen van de afgezanten van Johannes de Doper Vgl. Lc. 7, 22 gesproken heeft.

Van deze volkomen “barmhartige” liefde, die voornamelijk bewezen wordt ten aanzien van geestelijk en lichamelijk kwaad, is op duidelijke en unieke wijze het hart deelgenoot gemaakt van haar die Moeder van de Gekruisigde en Verrezene was: Maria heeft er in gedeeld. En in en door haar houdt deze liefde niet op zich in de geschiedenis van de Kerk en van het mensdom te openbaren. Deze openbaring levert bijzonder veel vruchten op, omdat ze in de Moeder van God steunt op de unieke tact van haar moederhart, op haar fijn gevoel en op haar zo bijzondere geschiktheid om al diegenen te bereiken die meer geneigd zijn om van een moeder barmhartige liefde te aanvaarden. Dit is een van de voortreffelijke en levengevende mysteries van de christelijke godsdienst, een mysterie dat zo nauw met het geheim van de Menswording is verbonden.

Hierover leert het Tweede Vaticaans Concilie:

“Dit moederschap nu van Maria in het genadebestel gaat zonder ophouden voort, vanaf de instemming die zij bij de boodschap in geloof heeft gegeven en waarin zij onder het kruis zonder aarzelen heeft volhard tot aan de eeuwige voleinding van de uitverkorenen. Want, ten hemel opgenomen, heeft zij deze heilbrengende taak niet neergelegd, maar door haar menigvuldige voorspraak gaat zij voort ons de gaven van het eeuwige heil te bezorgen. Met moederlijke liefde draagt zij zorg voor de broeders van haar Zoon die nog op pelgrimstocht zijn en in gevaren en angsten verkeren, totdat zij het gezegend vaderland bereiken” 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 62.

Document

Naam: DIVES IN MISERICORDIA
Over de Goddelijke Barmhartigheid
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Encycliek
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 30 november 1980
Copyrights: © 1981, Stichting Verkondiging, Roermond nr. 6
Bewerkt: 4 december 2020

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2021, Stg. InterKerk, Schiedam