• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
Liefde is sterker dan de dood, sterker dan de zonde
Het kruis van Christus op Calvarië is ook een getuigenis van de macht van het kwaad ten opzichte van deze zelfde Zoon van God, van hem die als enige onder al de kinderen der mensen van nature volkomen onschuldig en vrij van zonde was en wiens komst in de wereld onbesmet was door de ongehoorzaamheid van Adam en de erfenis van de eerste zondeval. Maar zie: juist in Hem, in Christus, wordt gerechtigheid gedaan aan de zonde ten koste van zijn offer en gehoorzaamheid “tot de dood.” (Fil. 2, 8) “Hem die geen zonde heeft gekend, heeft God voor ons tot zonde gemaakt.” (2 Kor. 5, 21) Bovendien wordt gerechtigheid gedaan aan de dood, die vanaf de oorsprong van de menselijke geschiedenis met de zonde verbonden is. Wanneer evenwel op deze manier gerechtigheid geschiedt aan de dood, gebeurt dit door de dood van Hem die zonder zonde was en die de enige was die doorzijn dood de dood kon doden. Vgl. 1 Kor. 15, 54-55 Zo is het kruis van Christus, een “radicale” openbaring van barmhartigheid, of liever van een liefde die ingaat tegen alles wat juist de wortel uitmaakt van het kwaad in de geschiedenis van de mens: de zonde en de dood.

In het kruis buigt zich dus de Godheid op de meest nederige wijze over de mens en over dat wat de mens – vooral in zeer moeilijke en bittere tijden – zijn ongelukkig lot noemt. Het kruis is als het ware het betasten – door de eeuwige liefde – van wonden die het meest pijn doen in het aardse leven van de mens. Het is de voltooiing tot het uiterste van het Messiaanse programma, dat Christus eens in de synagoge van Nazaret had bekend gemaakt Vgl. Lc. 4, 18-21 en daarna voor degenen die door Johannes de Doper gestuurd waren, herhaald had. Vgl. Lc. 7, 20-23 Volgens de woorden die reeds in de profetie van Jesaja Vgl. Jes. 35, 5 Vgl. Jes. 61, 1-3 lagen opgesloten, zou dit programma verwerkelijkt worden in het openbaren van de barmhartige liefde voor de armen, de lijdenden, de gevangenen, de blinden, de treurenden, de zondaren. Maar in het Paasmysterie wordt de drempel van het veelvoudige kwaad, waarvan de mens in zijn aardse leven deelgenoot wordt, overschreden: want het kruis van Christus toont ons de diepste wortels van het kwaad, die tot de zonde en de dood gaan; zo wordt het kruis een eschatologisch teken. Pas in de eschatologische voleinding en de definitieve vernieuwing van de wereld zal in alle uitverkorenen de liefde zelfs de diepste wortels van het kwaad overwinnen, wanneer zij als haar volkomen rijpe vrucht het rijk van leven en heiligheiden van de glorievolle onsterflijkheid zal brengen. Maar de grondslag van deze eschatologische voleinding ligt al in het kruis en de dood van Christus. Dat Christus “is opgestaan op de derde dag” (1 Kor. 15, 4) vormt het laatste teken van zijn Messiaanse zending, dat h et een hoogtepunt is van de hele openbaring van een barmhartige liefde in een wereld die aan het kwaad is blootgesteld. Tegelijk vormt dit het teken dat “een nieuwe hemel en een nieuwe aarde” (Openb. 21, 1) aankondigt: dan zal God “alle tranen van hun ogen afwissen, en de dood zal niet meer zijn; geen rouw, geen geween, geen smart zal er zijn, want al het oude is voorbij” (Openb. 21, 4)

In de eschatologische voleinding zal de barmhartigheid als liefde geopenbaard worden, terwijl in de situatie van deze wereld, in de menselijke geschiedenis – die tevens de geschiedenis van zonde en dood is – de liefde voornamelijk als barmhartigheid geopenbaard moet worden en ook als zodanig betoond moet worden. Het Messiaanse advies van Christus – een advies tot barmhartigheid – wordt tot programma van zijn volk, een programma van de Kerk. Maar midden in het hart van de Kerk staat steeds het kruis, omdat in het kruis de openbaring van de barmhartige liefde haar hoogtepunt bereikt. Zolang dus “het oude” niet voorbij is, Vgl. Openb. 21, 4 zal het kruis die “plaats” blijven, waarop ook die andere woorden van de Openbaring van Johannes kunnen slaan: “Ik sta voor de deur en Ik klop. Als iemand mijn stem hoort en de deur opent, zal Ik bij hem binnenkomen en maaltijd met hem houden en hij met Mij.” (Openb. 3, 20) Op opvallende wijze openbaart ook God zijn barmhartigheid telkens als Hij de mens oproept tot ‘barmhartigheid” ten opzichte van zijn Zoon, d.w.z. de Gekruisigde.

Christus, juist helemaal als de Gekruisigde, is het Woord dat niet voorbijgaat, Vgl. Mt. 24, 35 Hij is het die voor de deur staat en aan het hart van ieder mens klopt; Vgl. Openb. 3, 20 Hij beperkt evenwel diens vrijheid niet, maar probeert juist aan die liefde te ontlokken, die niet slechts de daad van een zekere overeenstemming en vereniging met de lijdende Mensenzoon is, maar in zekere zin “barmhartigheid” die door ieder van ons aan de Zoon van de eeuwige Vader bewezen wordt. Zou echter in deze hele Messiaanse activiteit van Christus en in alle bewijs van barmhartigheid door middel van het kruis, wellicht niet meer de waardigheid van de mens in acht genomen en op een hoger niveau geplaatst kunnen worden, omdat degene die barmhartigheid ondervindt ook in zekere zin degene is die “barmhartigheid bewijst” ?

Wijst niet Christus zelf juist op een dergelijke houding van liefde ten opzichte van de mens als Hij zegt: “Al wat gij gedaan hebt voor een dezer... hebt ge voor Mij gedaan”? (Mt. 25, 40) Geven niet de woorden van de bergrede: “Zalig de barmhartigen, want zij zullen barmhartigheid ondervinden” (Mt. 5, 7) in zekere zin een samenvatting van de hele Blijde Boodschap en van de hele “wonderlijke ruil” die daarin verborgen ligt? Is deze “ruil” niet de volkomen eenvoudige, sterke en tegelijk “liefelijke” wet van het heilsplan? Openbaren niet diezelfde woorden van de bergrede, omdat ze al vanaf het begin de mogelijkheden van het menselijk hart aantonen – namelijk dat de mensen “barmhartig” kunnen zijn – evenzo het diepe mysterie van God: namelijk die ondoorgrondelijke eenheid van de Vader en de Zoon en de heilige Geest, waarin liefde, die de rechtvaardigheid omhelst, de weg opent voor barmhartigheid, en deze rechtvaardigheid op haar beurt volmaaktheid onthult?

Het Paasmysterie is dus Christus zelf op het hoogtepunt van de openbaring van het onbegrijpelijke mysterie van God. Dan immers worden de woorden in de zaal van het Laatste Avondmaal volledig vervuld: “Wie Mij ziet, ziet de Vader.” (Joh. 14, 9) Want Christus, die door de Vader “niet gespaard” (Rom. 8, 32) is omwille van de mens en die in zijn lijden en kruisdood geen menselijke barmhartigheid ondervonden heeft, heeft in zijn verrijzenis de volheid van liefde die de Vader voor Hem en in Hem voor de mensen koestert, duidelijk gemaakt. Hij is geen God van doden maar van levenden.” (Mc. 12, 27) Welnu, in zijn verrijzenis heeft Christus de God van de barmhartige liefde duidelijk aangewezen, juist omdat Hij het kruis aanvaard had als de weg naar de verrijzenis. Daarom worden, als wij ons het kruis van Christus en zijn lijden en dood herinneren, ons geloof en onze hoop op de Verrezene gericht; op die Christus met name die “in de avond van die eerste dag van de week... in hun midden (ging) staan” in de zaal van het Laatste Avondmaal, “de verblijfplaats der leerlingen.” Toen “blies Hij over hen en zei: ‘Ontvangt de heilige Geest. Aan wie ge de zonden vergeeft, zijn ze vergeven, en aan wie ge ze niet vergeeft, zijn ze niet vergeven.” (Joh. 20, 19-23)

Ziedaar de Zoon van God, die in zijn verrijzenis ten diepste de Hem bewezen barmhartigheid gevoeld heeft, namelijk de liefde van de Vader, die machtiger is dan de dood. Maar diezelfde Christus is ook de Zoon van God, die zich tegen het einde, ja zelfs tot op zekere hoogte na het einde van zijn Messiaanse activiteit aanbiedt als de onuitputtelijke bron van barmhartigheid, en wel van dezelfde liefde die hierna in het verre perspectief van de heilsgeschiedenis in de Kerk altijd machtiger moet zijn dan de zonde. De Christus van Pasen is als het ware een definitieve en blijvende belichaming van de barmhartigheid en het levende teken ervan: tegelijk heilbrengend in de geschiedenis en eschatologisch. In diezelfde geest legt de heilige liturgie van de paastijd ons de woorden van de psalm in de mond: “Wat de Heer genadig verleende, dat drage mijn lied door de tijden.” (Ps. 89, 2)

De Kerk doet een beroep op de barmhartigheid van God

In de gekruisigde en verrezen Christus verkondigt de Kerk de geopenbaarde waarheid van de barmhartigheid van God en belijdt ze deze op velerlei manieren. Overigens spant zij zich in de barmhartigheid ten opzichte van de mensen door mensen in praktijk te brengen, omdat zij begrijpt dat hierin de absoluut noodzakelijke voorwaarde voor haar zorg om een betere en meer “menselijke” wereld, zowel nu als in de toekomst, gelegen is. Maar op geen enkel tijdstip, in geen enkel tijdperk van de geschiedenis – en vooral in zo’n bijzonder kritieke situatie als in onze tijd – kan de Kerk het gebed vergeten om de barmhartigheid van God af te smeken tegenover de veelvuldige vormen van het kwaad, dat een druk en bedreiging vormt voor het menselijk geslacht. Dit is juist het primaire recht en de eerste plicht van de Kerk die in Christus Jezus leeft: het is een recht en een plicht ten aanzien van God en ten aanzien van de mensen. Hoe meer immers het menselijk geweten onder de druk van de secularisering het begrip voor de betekenis van het woord “barmhartigheid” verliest, en hoe verder het zich, door zich van God te distantiëren, daarmee van het mysterie van de barmhartigheid verwijdert, des te zekerder heeft de Kerk het recht en de plicht “onder luid geroep” (Heb. 5, 7) een beroep te doen op de barmhartigheid van God. Dit “luid geroep” is juist een kenteken van de Kerk van onze tijd en wordt tot God gericht om zijn barmhartigheid af te smeken waarvan, zoals de Kerk belijdt en verkondigt, de onwrikbare openbaring al heeft plaatsgevonden in de aan het kruis geslagen en uit de doden opgewekte Christus, d.w.z. het Paasmysterie. Dit mysterie omvat bovendien de meest volledige openbaring van de barmhartigheid, d.w.z. van die liefde die sterker is dan de dood en machtiger dan de zonde en alle kwaad, kortom de liefde die de mens opheft uit de diepste val en hem tegelijk uit de grootste gevaren bevrijdt.

De mensen van onze tijd voelen de dreiging van deze gevaren heel goed. Wat hierover in de voorgaande bladzijden gezegd is, is slechts een eenvoudige situatieschets. Vaak immers vraagt de moderne mens zich met zeer grote bezorgdheid af welke oplossing er is voor de schrikwekkende spanningen die overal in de wereld te vinden zijn en waarin de mensen verwikkeld raken. En als de moderne mens het woord “barmhartigheid” soms niet durft uit te spreken of als hij in zijn van de band met de godsdienst beroofde geweten gelijkwaardig woord vindt, dan dient de Kerk dit woord des te luider te verkondigen, niet alleen uit eigen naam, maar ook uit naam van alle mensen van onze tijd.

Daarom is het tenslotte nodig dat alles wat ik in deze bladzijden met betrekking tot de barmhartigheid uiteengezet heb, uitmondt in een vurig gebed, in een “geroep” dat om barmhartigheid schreeuwt omwille van de noden van de mensen in de moderne wereld. Laat dat “geroep” vervuld zijn van de volledige waarheid over de barmhartigheid waaraan de heilige Schrift en de Traditie evenals het echte geloofsleven van zoveel generaties van het Godsvolk zo overvloedig uitdrukking hebben gegeven. Laten wij net als de profeten met dit “geroep” God aanroepen, die niets kan verafschuwen van wat Hij gemaakt heeft, Vgl. Wijsh. 11, 24 Vgl. Ps. 145, 9 Vgl. Gen. 1, 31 God namelijk die trouw is aan zichzelf, aan zijn vaderschap en aan zijn liefde. En laten wij zoals de zieners van toen die liefde te hulp roepen die met alle vertoon van moederlijke eigenschappen als een moeder ieder van haar kinderen en ieder verdwaald schaap volgt, zelfs al zouden er honderden miljoenen van deze verdwaalden zijn, zelfs al zou het kwaad in de wereld het goede overwonnen hebben, zelfs al zou het menselijke geslacht van onze tijd om zijn zonden een nieuwe “zondvloed” verdiend hebben, zoals de generatie van Noach deze ooit verdiend heeft. Laten wij onze toevlucht zoeken bij die vaderlijke liefde die ons door Christus verkondigd is in zijn hele Messiaanse activiteit en die haar hoogtepunt heeft bereikt in het kruis, de dood en zijn verrijzenis! Laten wij door Christus onze toevlucht zoeken bij God, gedachtig de woorden van het Magnificat, het loflied van Maria, die barmhartigheid verkondigen “van geslacht tot geslacht.” Laten wij de goddelijke barmhartigheid afsmeken voor de mensen van onze eeuw. Laat de Kerk, die naar het voorbeeld van Maria in God de moeder van de mensen wil zijn, in dit gebed haar moederlijke bezorgdheid en tevens haar vertrouwvolle liefde uitspreken, een liefde waaruit de meest ernstige noodzaak om te bidden geboren wordt.

Laten wij dus onze smeekbeden tot God richten, gedreven door het geloof, de hoop en de liefde die Christus in ons hart heeft gestort. Deze geesteshouding is bovendien een liefde tot God, die de mens van deze tijd vaak ver van zich heeft afgestoten, zelfs van zich vervreemd heeft, omdat hij Hem op allerlei manieren voor “overbodig” heeft verklaard. Dit is dus de liefde tot God, die tot onze diepe droefheid zozeer door de mensen van onze tijd beledigd en afgewezen wordt; en daarom willen wij met Christus op het kruis uitroepen: “Vader, vergeef hun, want ze weten niet wat ze doen.” (Lc. 23, 34) Tegelijk is het ook een liefde voor de mensen, en wel voor allen zonder enige uitzondering of onderscheid: zonder onderscheid van ras en cultuur, van taal en wereldvisie, zonder verschil tussen vrienden en vijanden. Dit is een onvoorwaardelijke liefde voor alle mensen – en ze wenst ieder van hen al wat echt goed is, iedere menselijke gemeenschap en familie, iedere natie en sociale groepering, de opgroeiende jeugd en de volwassenen, de ouders en de bejaarden en zieken; kortom, dit is liefde, of liever een diep bewogen zorg om nu ieder alles te geven wat echt goed is, om nu alle kwaad terug te drijven en af te wenden.

En als iemand van mijn tijdgenoten niet het geloof en de hoop deelt die ons, de met het beheer van de geheimen van God belaste helpers van Christus, Vgl. 1 Kor. 4, 1 ertoe brengen in dit tijdperk van de geschiedenis de barmhartigheid van God voor het hele menselijke geslacht af te smeken, laat hem dan tenminste proberen de reden van mijn bezorgdheid te begrijpen. Want hiertoe word ik gedwongen door de liefde voor de mens en voor alles wat menselijk is en wat, naar de mening van de meeste mensen van onze tijd, aan een geweldig gevaar wordt blootgesteld. Het mysterie van Christus, dat mij, door de verheven roeping van de mens te openbaren, ertoe gedreven heeft in de encycliek H. Paus Johannes Paulus II - Encycliek
Redemptor Hominis
De Verlosser van de mensen
(4 maart 1979)
de nadruk te leggen op zijn onvergelijkelijke waardigheid, verplicht mij ook de barmhartigheid te verkondigen als de medelijdende liefde van God die in dit mysterie van Christus belicht wordt. Op dezelfde wijze nodigt dit mysterie mij uit mij tot deze barmhartigheid te wenden en ze in dit moeilijke en beslissende historische uur van de Kerk en de wereld af te smeken, nu wij het einde van het tweede millennium naderen.

In naam van de gekruisigde en verrezen Christus, in de geest van zijn Messiaanse zending, die blijft voortduren in de geschiedenis van de mensheid, verhef ik mijn stem en bid ik dat in dit stadium van de geschiedenis weer die liefde geopenbaard wordt die in de Vader is, en dat ze door de bemiddeling van de Zoon en de heilige Geest weer duidelijk aanwezig blijkt in de moderne wereld en machtiger blijkt te zijn dan alle kwaad, machtiger dan de zonde en de dood. Hiervoor bid ik door de bemiddeling van haar die niet ophoudt de “barmhartigheid van geslacht tot geslacht” te verkondigen; ik bid ook door de tussenkomst van hen in wie de woorden van de Bergrede eindelijk vervuld zijn: “Zalig de barmhartigen, want zij zullen barmhartigheid ondervinden.” (Mt. 5, 7)

Terwijl de Kerk verder gaat met de grote taak het tweede Vaticaans Concilie – waarin men terecht een nieuwe fase van de Kerk kan zien om zich aan te passen aan de eisen van de tijd waarin wij leven – ten uitvoer te brengen, moet zij zich voortdurend en volledig door het bewustzijn laten leiden dat zij zich in heel haar activiteit op geen enkele wijze in zichzelf mag opsluiten. Want de hele zin van haar leven bestaat hierin dat zij God openbaart, met name die Vader die ons toestaat Hem in Christus te “zien” Vgl. Joh. 14, 9 . Hoe heftig de menselijke geschiedenis zich ook aan het licht kan komen, hoezeer God ook in heel de menselijke wereld geloochend kan worden – des te dieper moet haar benadering worden van het mysterie dat, van eeuwigheid in God verborgen, daarna in werkelijkheid in de persoon van Jezus Christus in de tijd met de mens gedeeld is.

Tenslotte geef ik u met hartelijke liefde mijn Apostolische Zegen.

Gegeven te Rome, bij Petrus, op 30 november, de eerste zondag van de Advent, in het jaar 1980, het derde van mijn pontificaat.

PAUS JOHANNES PAULUS II

Document

Naam: DIVES IN MISERICORDIA
Over de Goddelijke Barmhartigheid
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Encycliek
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 30 november 1980
Copyrights: © 1981, Stichting Verkondiging, Roermond nr. 6
Bewerkt: 4 december 2020

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2021, Stg. InterKerk, Schiedam