• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
Bijzondere aandacht voor de menselijke waardigheid

De hier beschreven gemoedstoestand van de verloren zoon laat ons op subtiele wijze zien waarin uiteindelijk de goddelijke barmhartigheid bestaat. Ongetwijfeld laat de figuur van de vader ons in deze eenvoudige maar diepzinnige gelijkenis God als Vader zien. Het optreden van de vader in de parabel en zijn hele handelwijze, die zijn diepste genegenheid openbaren, stellen ons in staat de afzonderlijke draden in de visie op de barmhartigheid in het Oude Testament samen te vatten in een volkomen nieuwe synthese die rijk is aan eenvoud en diepgang. Want de vader van de verloren zoon toont zich trouw aan zijn vaderschap, trouw aan de liefde die hij te allen tijde aan zijn zoon bleef schenken. Die trouw wordt in de parabel niet alleen aangegeven door de uiterste welwillendheid waarmee hij zijn zoon, nadat deze zijn erfdeel verkwist heeft, bij diens terugkeer omhelst, ze wordt nog sterker duidelijk gemaakt door de blijdschap en de zo grootse festiviteiten voor de teruggekeerde verkwister, die zelfs zo groot zijn dat ze de weerstand en afgunst opwekken van de oudste zoon, die immers nooit van de vader was weggegaan en die nooit het huis in de steek had gelaten.

De trouw van de vader aan zichzelf – een eigenschap die al uit het oud-testamentische woord chesed voortvloeit – wordt tevens uitgedrukt op een wijze die bijzonder grote genegenheid aangeeft. Want wij lezen: toen de vader de verloren zoon zijn huis zag naderen, werd hij “door medelijden bewogen; hij snelde op hem toe, viel hem om de hals en kuste hem hartelijk.” (Lc. 15, 20) Hij handelt zeker onder invloed van een geweldige genegenheid; daaruit kan evenzeer zijn grootmoedigheid ten opzichte van zijn zoon verklaard worden, die naderhand zozeer de verontwaardiging van de oudste zoon opwekt. En toch moeten de redenen van deze emotie op een dieper niveau gezocht worden. Zie: de vader begrijpt dat een fundamenteel goed is gesauveerd – het goed namelijk van het mens-zijn van zijn eigen zoon. Hoewel deze zijn erfdeel heeft verkwist, blijft zijn menszijn ongeschonden. Het is zelfs in zekere zin teruggevonden. Dit getuigen de woorden die de vader tot de oudste zoon richt: Maar er moet feest en vrolijkheid zijn, omdat die broer van je dood was en levend is geworden, verloren was en is teruggevonden.” (Lc. 15, 32) Daarbij komt nog dat wij in datzelfde hoofdstuk 15 van het Lucas-Evangelie de parabel van het verdwaalde schaap Vgl. Lc. 15, 3-6 en daarna ook nog de gelijkenis van de verloren drachme Vgl. Lc. 15, 8-9 tegenkomen. Telkens heerst daar dezelfde vreugde die in het geval van de verloren zoon aanwezig is. De trouw van de vader aan zichzelf richt zich volkomen op het menszijn en de waardigheid van zijn verloren zoon. Vooral dit verklaart inderdaad de zeer grote vreugde wanneer deze weer thuis komt.

Verder kan men zeggen dat de liefde voor de zoon, d.w.z. de liefde die uit het wezen van het vaderschap voortkomt, de vader bijna heeft voorgeschreven om zorg te dragen voor de waardigheid van zijn zoon. Want deze zorg bepaalt de maat van de liefde die St. Paulus naderhand zou bezingen: “De liefde is lankmoedig en goedertieren... zij zoekt zichzelf niet, zij laat zich niet kwaad maken en rekent het kwade niet aan... maar vindt haar vreugde in de waarheid..., alles hoopt zij, alles duldt zij” en “De liefde vergaat nimmer.” (1 Kor. 13, 4-8) De barmhartigheid – zoals Christus ze in de gelijkenis van de verloren zoon heeft geopenbaard – bevat dus een innerlijke vorm van liefde, die in het Nieuwe Testament agápe genoemd wordt. Daarom kan een dergelijke liefde zich buigen over iedere verloren zoon, over de menselijke ellende en vooral over ieder moreel gebrek, d.w.z. de zonde. Wanneer dit gebeurt, voelt degene die barmhartigheid ondervindt, zich niet verworpen, maar als teruggevonden en weer “geacht” . Bovenal betuigt de vader hem zijn vreugde dat hij “is teruggevonden” en “weer levend geworden.” Deze vreugde wijst duidelijk op een goed dat intact is gebleven: want hoe verkwistend de zoon ook is, hij houdt niet op een echte zoon van zijn vader te zijn; de vreugde geeft bovendien een goed aan dat herwonnen is, in het geval van de verloren zoon zijn terugkeer naar de waarheid over hemzelf.

Wat in de parabel van Christus met de relatie tussen vader en zoon gebeurd is, kunnen wij evenwel niet “van buiten af” beoordelen. Al onze vooroordelen over barmhartigheid zijn immers grotendeels het gevolg van een louter uiterlijk oordeel. Soms komt het zelfs voor dat wij door het volgen van deze wijze van oordelen in de barmhartigheid een zekere mate van ongelijkheid zien tussen degene die ze schenkt en degene die ze ontvangt. Daarom zijn wij geneigd te oordelen dat barmhartigheid een ontering is van de mens die ze ontvangt en dat ze de waardigheid van de mens ondermijnt. Maar de gelijkenis van de verloren zoon leert ons dat de zaken anders liggen: de reden van de barmhartigheid steunt op de gemeenschappelijke ervaring van het goed dat de mens zelf is, en op de algemene ervaring van ieders eigen waardigheid. Deze gemeenschappelijke ervaring bewerkt dat de verloren zoon zichzelf en zijn daden begint te zien in het licht van de volle waarheid (dit zien van de waarheid betekent ook tegelijk echte nederigheid); daarentegen wordt voor de vader de zoon om die reden een uniek goed: de vader ziet namelijk duidelijk en helder dat het goede zo bereikt wordt dan zij een mysterieuze relatie tussen waarheid en liefde, en deze liefde schijnt al het kwaad dat door de zoon bedreven is, te vergeten.

Op eenvoudige maar fundamentele wijze drukt dus de parabel van de verloren zoon de waarheid van de bekering uit. Deze is met name de meest concrete uitdrukking van de werking van de liefde en van de in de menselijke maatschappij aanwezige barmhartigheid. De eigenlijke en ware macht van de barmhartigheid ligt niet alleen hierin dat men een – misschien zeer scherpe of ook een milde – blik richt op het morele of materiële of lichamelijke kwaad; want de barmhartigheid komt in haar eigen en bijzondere aard tot uiting, als ze het goede in alle vormen van het kwaad die in de wereld en in de mens voorkomen, hoogacht, steunt en naar voren brengt. Zo begrepen, bepaalt de barmhartigheid de voornaamste leer van de messiaanse boodschap van Christus en de wezenlijk vormende kracht van zijn zending. Op deze manier is ook de barmhartigheid door zijn leerlingen en volgelingen begrepen en beoefend; in hun harten en daden hield de barmhartigheid nooit op zich te openbaren als een zeer creatief bewijs van de liefde, die zich niet “laat overwinnen door het kwade,” maar die “het kwade door het goede overwint.” (Rom. 12, 21) Daarom is het nodig steeds weer onbevooroordeeld het ware gelaat van de barmhartigheid te ontdekken. Ondanks allerlei vooroordelen schijnt deze barmhartigheid in onze tijd uiterst noodzakelijk te zijn.

Document

Naam: DIVES IN MISERICORDIA
Over de Goddelijke Barmhartigheid
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Encycliek
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 30 november 1980
Copyrights: © 1981, Stichting Verkondiging, Roermond nr. 6
Bewerkt: 14 juni 2020

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2020, Stg. InterKerk, Schiedam