• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

NOTA EXPLICATIVA PRAEVIA - EX ACTIS SS. OECUMENICI CONCILII VATICANI II
Verklarende nota bij nr. 22 Uit de Akten van het Tweede Vaticaans Oecumenisch Concilie

Theologische kwalificatie van de leer in "Lumen Gentium"
Men heeft de vraag gesteld, wat de theologische kwalificatie moet zijn van de leer, die in het schema 2e Vaticaans Concilie - Constitutie
Lumen Gentium
Over de Kerk
(21 november 1964)
wordt uiteengezet en in stemming wordt gebracht.

De doctrinaire commissie heeft, bij het beoordelen van de Modi (amendementen) betreffende het derde hoofdstuk van het schema De Kerk, op deze vraag als volgt geantwoord:

    "Gelijk vanzelf spreekt, moet de tekst van het Concilie altijd geïnterpreteerd worden volgens de algemene regels, die aan allen bekend zijn".
Bij deze gelegenheid verwijst de doctrinaire commissie naar haar Verklaring van 6 maart 1964, waarvan wij hier de tekst weergeven:
    "Gezien het conciliaire gebruik en de pastorale doelstelling van het huidige Concilie, definieert deze heilige Synode inzake geloof en zeden alleen datgene, als door de Kerk te houden, wat zij zelf uitdrukkelijk als zodanig aangeeft.

    Het overige, dat de heilige Synode voorhoudt, moet, als zijnde de leer van het hoogste Leerambt van de Kerk, door alle gelovigen zonder uitzondering worden aanvaard en erkend overeenkomstig de bedoeling van de heilige Synode zelf, die blijkt hetzij uit de behandelde stof hetzij uit de wijze van uitdrukken, volgens de regels van de theologische interpretatie".

Vooafgaande verklarende nota bij het 3e hoofdstuk van "Lumen Gentium"
Vervolgens wordt op hoger Gezag aan de Vaders een verklarende nota meegedeeld, die voorafgaat aan de Modi betreffende het derde hoofdstuk van het schema De Kerk.
    De leer, die in dit derde hoofdstuk wordt uiteengezet, moet verklaard en verstaan worden overeenkomstig de bedoeling en de zin van deze nota.
VOORAFGAANDE VERKLARENDE NOTA "De commissie heeft besloten, aan de beoordeling van de Modi de volgende algemene opmerkingen te doen voorafgaan:
  1. College wordt niet opgevat in strikt juridische zin, nl. als een groep van gelijken, die hun bevoegdheid overdragen aan hun voorzitter, maar als een vaste groep, wier structuur en gezag moeten worden afgeleid uit de Openbaring. Daarom wordt in het antwoord op Modus 12 uitdrukkelijk gezegd omtrent de Twaalf, dat de Heer hen heeft geconstitueerd "bij wijze van een college of vaste groep". Zie ook Mod. 53.C. - Om dezelfde reden worden voor het College van bisschoppen herhaaldelijk ook de woorden Orde of Corps gebruikt. Het parallelisme tussen Petrus en de andere apostelen enerzijds en de paus en de bisschoppen anderzijds sluit niet in, dat de buiten-gewone macht van de apostelen overgaat op hun opvolgers, en vanzelfsprekend evenmin, dat er een gelijkheid zou bestaan tussen het Hoofd en de leden van het College, maar sluit alleen een bepaalde overeenkomst in tussen de eerste verhouding (Petrus - de apostelen) en de laatste (de paus - de bisschoppen). Daarom heeft de commissie besloten, in 2e Vaticaans Concilie - Constitutie
    Lumen Gentium
    Over de Kerk
    (21 november 1964)
    niet te schrijven: op dezelfde wijze, maar op overeenkomstige wijze. Zie Modus 57.
  1. Men wordt lid van het College krachtens de bisschopsconsecratie en door de hiërarchische gemeenschap met het hoofd en de leden van het College. 2e Vaticaans Concilie - Constitutie
    Lumen Gentium
    Over de Kerk
    (21 november 1964)

    Door de bisschopsconsecratie ontvangt men een ontologisch deelhebben aan de heilige functies, zoals met zekerheid blijkt uit de Traditie, ook de liturgische traditie. Met opzet wordt het woord functies gebruikt en niet het woord bevoegdheden, omdat men deze laatste term zou kunnen verstaan van een bevoegdheid, die men terstond zou kunnen uitoefenen. Wil men kunnen spreken van een dergelijke bevoegdheid, die terstond kan worden uitgeoefend, dan moet er een canonieke of juridische determinatie door het hiërarchisch gezag bij komen. Deze determinatie van de bevoegdheid kan bestaan in het verlenen van een speciaal ambt of in het aanwijzen van onderhorigen, en ze wordt gegeven volgens de regels, die door het hoogste gezag zijn goedgekeurd. Een dergelijke verdere norm is vereist uit de aard van de zaak, omdat het functies betreft, die moeten worden uitgeoefend door meerdere dragers, die volgens de wil van Christus hiërarchisch samenwerken. Het is duidelijk, dat deze "gemeenschap", naargelang van de tijdsomstandigheden, in het leven van de Kerk is verwezenlijkt, voordat ze in het recht als het ware gecodificeerd werd.

    Vandaar wordt er met nadruk gezegd, dat er een hiërarchische gemeenschap vereist wordt met het Hoofd en de leden van de Kerk. Gemeenschap is een begrip, dat in de oude Kerk (gelijk ook tegenwoordig vooral in het Oosten) hoog in ere staat. Men verstaat daaronder echter niet een of ander vaag gevoel, maar een organische werkelijkheid, die een juridische vorm vereist en tegelijk bezield wordt door de liefde. Vandaar heeft de Commissie met bijna algemene stemmen besloten, dat de tekst moet luiden: hiërarchische gemeenschap. Zie Modus 40 en ook het gezegde omtrent de canonieke zending, in 2e Vaticaans Concilie - Constitutie
    Lumen Gentium
    Over de Kerk
    (21 november 1964)
    .

    De documenten van de latere pausen met betrekking tot de jurisdictie van de bisschoppen dient men te verstaan als slaande op deze noodzakelijke determinatie van de bevoegdheden.

  1. Omtrent het College, dat niet mogelijk is zonder het Hoofd, wordt gezegd, dat het "ook drager is van de hoogste en volledige macht over de gehele Kerk".

    Dit moet men noodzakelijk aannemen, wil men de volheid van de macht van de paus niet in gevaar brengen. In het College immers is noodzakelijk en altijd zijn Hoofd mee inbegrepen, dat in het College zijn functie van Plaatsbekleder van Christus en Herder der universele Kerk volledig behoudt. Met andere woorden: het gaat niet om een onderscheid tussen de paus en de gezamenlijke bisschoppen, maar tussen de paus afzonderlijke en de paus tezamen met de bisschoppen. Daar nu de paus het Hoofd is van het College, is hij gerechtigd, zelf alleen bepaalde daden te stellen, waartoe de bisschoppen volstrekt niet bevoegd zijn, bijv. het bijeenroepen en het leiden van het College, het goedkeuren van regels voor zijn werkzaamheid, enz. Zie Modus 81.

    Het staat ter beoordeling van de paus, aan wie de zorg voor de gehele kudde van Christus is toevertrouwd, om, overeenkomstig de behoeften van de Kerk, die in de loop van de tijden variëren, te bepalen, hoe deze zorg in praktijk moet worden gebracht op persoonlijke wijze of op collegiale wijze. De paus gaat bij het verordenen, bevorderen en goedkeuren van het collegiaal optreden, met het oog op het welzijn van de Kerk, te werk naar eigen beslissing.

  1. De paus kan als Opperherder van de Kerk te allen tijde zijn macht naar eigen goeddunken uitoefenen, zoals dit door zijn ambt zelf wordt vereist. Het College echter bestaat wel altijd, maar treedt daarom nog niet blijvend in een strikt collegiale activiteit op, gelijk de Traditie van de Kerk bewijst. Met andere woorden, het is niet altijd "in volledige activiteit", ja, het treedt slechts met tussenpozen in een strikt collegiaal handelen op, en niet tenzij met instemming van het Hoofd. Er wordt gezegd "met instemming van het Hoofd", opdat men niet zou denken aan een afhankelijkheid als van een buitenstaander; de term "met instemming" roept integendeel de gedachte op aan een gemeenschap tussen het Hoofd en de leden, en sluit de noodzakelijkheid in van een akt, die als eigen toekomt aan het Hoofd. Dit wordt uitdrukkelijk gezegd in 2e Vaticaans Concilie - Constitutie
    Lumen Gentium
    Over de Kerk
    (21 november 1964)
    en aldaar op het eind nader verklaard. De negatieve formulering "niet tenzij" sluit alle gevallen in. Het is daarom duidelijk dat de regels, die door het hoogste Gezag zijn goedgekeurd, altijd onderhouden moeten worden. Zie Modus 84.

    In alles blijkt verder, dat het gaat over de verbondenheid van de bisschoppen met hun Hoofd, en nooit over een optreden van de bisschoppen onafhankelijk van de paus. In dit laatste geval kunnen de bisschoppen, omdat het optreden van het Hoofd ontbreekt, niet handelen als College, zoals uit het begrip "College" blijkt. Deze hiërarchische gemeenschap van alle bisschoppen met de paus is in de Traditie een steeds voorkomend gegeven.

N.B. Zonder de hiërarchische gemeenschap, is de uitoefening van de sacramenteel-ontologische functie, die onderscheiden dient te worden van het canoniekjuridisch aspect, niet mogelijk.

De commissie heeft echter gemeend, niet te moeten ingaan op vragen omtrent de geoorloofdheid en de geldigheid; deze worden ter discussie overgelaten aan de theologen, met name wat betreft de macht, die in feite bij de gescheiden Oosterlingen wordt uitgeoefend, en over de verklaringen waarvan verschillende meningen bestaan."

    + PERICLE FELICI Titulair aartsbisschop van Samosate
    Algemeen Secretaris van het
    Tweede Vaticaans Oecumenisch Concilie.

Document

Naam: NOTA EXPLICATIVA PRAEVIA - EX ACTIS SS. OECUMENICI CONCILII VATICANI II
Verklarende nota bij nr. 22 Uit de Akten van het Tweede Vaticaans Oecumenisch Concilie
Soort: 2e Vaticaans Concilie - Overig document
Auteur: Mgr. Pericle Felici, Algemeen Secretaris Vaticanum II
Datum: 16 november 1964
Copyrights: © 1965, Katholiek Archief
Bewerkt: 29 augustus 2010

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
 
|
Pagina delen: 
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2018, Stg. InterKerk, Schiedam