• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
   Dit is een werkvertaling
Art. 1 - Toepassingsgebied

§1. Deze normen zijn van toepassing op meldingen betreffende geestelijken of leden van de Instituten van het Gewijde Leven of Sociëteiten van het Apostolisch Leven en betreffen:

  1. overtredingen van het zesde gebod van de Decaloog, bestaande uit:
    1. het dwingen van iemand, door geweld of bedreiging of door misbruik van het gezag, om seksuele handelingen te verrichten of te ondergaan;
    2. het verrichten van seksuele handelingen met een minderjarige of kwetsbare persoon;
    3. de productie, vertonen, bezit of verspreiding, ook langs elektronische weg, van kinderpornografie, alsmede door het werven of aanmoedigen van een minderjarige of een kwetsbare persoon om deel te nemen aan pornografische voorstellingen;
  2. gedrag van de in artikel 6 bedoelde personen, bestaande uit handelingen of nalatigheden die bedoeld zijn om civielrechtelijke of kerkelijke onderzoeken, zowel administratief als strafrechtelijk, tegen een geestelijk of religieus persoon met betrekking tot de onder a. van dit lid genoemde delicten te belemmeren of te vermijden.

§2. Voor de toepassing van deze normen wordt verstaan onder:

  1. "minderjarige": een persoon die jonger is dan achttien jaar of die volgens de wet aan een minderjarige gelijk wordt gesteld;
  2. "kwetsbare persoon": een persoon die zich in een staat van ziekte, lichamelijke of geestelijke handicap of verlies van persoonlijke vrijheid bevindt die, zelfs bij gelegenheid, zijn begripsvermogen of vrije wil beperkt, of zijn vermogen zich tegen het strafbare feit te verzetten;
  3. "kinderpornografie": elke voorstelling van een minderjarige, ongeacht de gebruikte middelen, die betrokken is bij expliciete seksuele handelingen, ongeacht of deze echt of gesimuleerd zijn, en elke voorstelling van de geslachtsorganen van minderjarigen voor hoofdzakelijk seksuele doeleinden.
Art. 2 - Ontvangst van meldingen en gegevensbescherming

§1. Rekening houdend met de bepalingen die door de respectieve bisschoppenconferenties, de bisschoppensynoden van de Patriarchale Kerken en de Groot-Aartsbisschoppelijke Kerken, of door de Raden van Hiërarchen van Metroppolitane Kerken sui iuris, kunnen worden aangenomen, moeten de diocesen of eparchieën binnen een jaar na de inwerkingtreding van deze normen een of meer openbare, stabiele en gemakkelijk toegankelijke systemen voor het indienen van meldingen instellen, zo nodig door het oprichten van een specifiek kerkelijk bureau. De diocesen en de eparchieën stellen de Pauselijke Vertegenwoordiger in kennis van de instelling van de in dit lid bedoelde systemen.

§2. De inlichtingen bedoeld in dit artikel worden zodanig beschermd en behandeld dat de veiligheid, de integriteit en de vertrouwelijkheid ervan overeenkomstig de canones Wetboek
Codex Iuris Canonici
Codex van het Canonieke recht
(25 januari 1983)
en Wetboek
Codex Canonum Ecclesiarum Orientalium
Codex van Canoniek Recht van de Oosterse Kerken (1 oktober 1991)
worden gewaarborgd.

§3. Onverminderd het bepaalde in artikel 3, §3, zendt de Ordinaris die de melding heeft ontvangen deze onverwijld door aan de Ordianris van de plaats waar de feiten zich zouden hebben voorgedaan, alsmede aan de Ordinaris van de gemelde persoon. Deze handelen handelen overeenkomstig de wet zoals die in het specifieke geval is voorzien..

§4. Voor de toepassing van deze titel worden eparchieën gelijkgesteld met diocesen en wordt de Hiërarch gelijkgesteld met de Ordinaris.

Art. 3 - Meldingen

§1. Behoudens het bepaalde in de canones Wetboek
Codex Iuris Canonici
Codex van het Canonieke recht
(25 januari 1983)
en Wetboek
Codex Canonum Ecclesiarum Orientalium
Codex van Canoniek Recht van de Oosterse Kerken (1 oktober 1991)
, wanneer een geestelijke of een lid van een Instituten van het Gewijde Leven of Sociëteiten van het Apostolisch Leven kennis heeft gekregen van een van de in artikel 1 bedoelde feiten of gegronde redenen heeft om aan te nemen dat een van de in artikel 1 genoemde feiten is gepleegd, is deze persoon verplicht dit onverwijld te melden aan de plaatselijke Ordinaris waar de gebeurtenissen zouden hebben plaatsgevonden of aan een andere Ordinaris volgens de in de canones Wetboek
Codex Iuris Canonici
Codex van het Canonieke recht
(25 januari 1983)
en Wetboek
Codex Canonum Ecclesiarum Orientalium
Codex van Canoniek Recht van de Oosterse Kerken (1 oktober 1991)
bedoelde personen, met uitzondering van wat is bepaald in § 3 van dit artikel.

§2. Elke persoon kan een melding indienen over de in artikel 1 bedoelde gedragingen, volgens de in het vorige artikel bedoelde methoden of op enige andere passende wijze.

§3. Indien de melding betrekking heeft op een van de in artikel 6 genoemde personen, moet het worden gericht aan de op basis van de artikelen 8 en 9 aangewezen Autoriteit. De melding kan steeds rechtstreeks of via de Pauselijke Vertegenwoordiger naar de Heilige Stoel worden gestuurd.

§4. De melding moet zoveel mogelijk gegevens bevatten, zoals tijd en plaats van de feiten, van de betrokken of geïnformeerde personen en van elke andere omstandigheid die nuttig kan zijn voor een juiste beoordeling van de feiten.

§5. Informatie kan ook ex officio (ambtshalve) worden verkregen.

Art. 4 - Bescherming van de persoon die de melding indient

§1. Het doen van een melding overeenkomstig artikel 3 vormt geen schending van het beroepsgeheim.

§2. Behoudens de bepalingen van de canones Wetboek
Codex Iuris Canonici
Codex van het Canonieke recht
(25 januari 1983)
en Wetboek
Codex Canonum Ecclesiarum Orientalium
Codex van Canoniek Recht van de Oosterse Kerken (1 oktober 1991)
, zijn benadeling, vergeldingsmaatregelen of discriminatie als gevolg van het indienen van een melding verboden en en kan vormen aannemen van de in artikel 1, §1, onder b) bedoelde gedragingen.

§3. Een zwijgplicht kan aan geen enkele persoon worden opgelegd met betrekking tot de inhoud van zijn of haar melding.

Art. 5 - Zorg voor personen

§1. De kerkelijke Autoriteiten verbinden zich ertoe ervoor te zorgen dat degenen die verklaren dat zij schade hebben geleden, samen met hun familie, waardig en met respect worden behandeld, en doen hen in het bijzonder het aanbod van:

  1. acceptatie, luisteren en begeleiding, ook door middel van specifieke diensten;
  2. geestelijke bijstand;
  3. medische, therapeutische en psychologische bijstand, afhankelijk van het specifieke geval..

§2. De goede naam en de persoonlijke levenssfeer van de betrokken personen, alsmede de vertrouwelijkheid van hun persoonsgegevens worden beschermd.

Document

Naam: VOS ESTIS LUX MUNDI
Gij zijt het licht der wereld. Een stad kan niet verborgen blijven als ze boven op een berg ligt!
Soort: Paus Franciscus - Motu Proprio
Auteur: Paus Franciscus
Datum: 7 mei 2019
Copyrights: © 2019, Libreria Editrice Vaticana / Stg. InterKerk
Werkvert.: Stg. InterKerk m.m.v. T. Boesten (Secr. comm. Kerkrechtelijke Aangelegenheden Religieuzen KNR)
Aan de hier gepubliceerde versie kunnen geen rechten ontleend worden.
Bewerkt: 14 mei 2019

Referenties naar dit document

 
Geen documenten gevonden!

Opties

Internetadres
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
 
|
Pagina delen: 
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam