• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

Inderdaad, hoe dieper de beoefenaar van de wetenschap zijn onderzoek in de wonderen van de natuur voortzet, des te meer ondervindt hij zijn eigen onmacht om de rijkdom te begrijpen en te doorgronden van het plan van de goddelijke bouw en van de wetten en normen, waardoor deze beheerst wordt; gij hoort de grote Newton met onvergelijkelijke schoonheid en nadruk verklaren: „Ik weet niet, welke indruk ik op de wereld maak, maar ik zelf heb de indruk een kind te zijn, dat speelt aan het strand van de zeeën blij is, omdat het nu en dan een mooier geslepen kiezelsteen vindt en een schelp van meer dan gewoon formaat, terwijl de majestueuze oceaan van de waarheid nog ondoorzocht voor hem ligt." Deze woorden van Newton zijn ook nu na drie eeuwen nog waar bij de tegenwoordige onrust van de physieke en natuurkundige wetenschappen, en wel meer dan ooit. Van Laplace wordt het volgende verhaald: toen hij ziek lag en zijn vrienden, die bij hem waren, hem herinnerden aan zijn grote ontdekking, antwoordde hij met een bittere glimlach: „Wat wij weten, is slechts weinig, wat wij niet weten, is onmetelijk." Niet minder treffend getuigde de beroemde Werner von Siemens, de ontdekker van het zelfontstekingsbeginsel van de dynamo, op het 59e congres van Duitse geleerden en medici: „Hoe dieper wij doordringen in de harmonische ordening van de krachten van de natuur, die door eeuwige, onveranderlijke wetten wordt bestuurd en toch zo diep versluierd ligt voor een volledige kennis onzerzijds, des te meer voelen wij ons gedrongen tot een bescheiden nederigheid, des te beperkter blijkt de omvang van onze kennis te zijn, des te levendiger wordt ons pogen om meer en meer te putten uit deze onuitputtelijke bron van kennis en kracht en des te hoger stijgt onze bewondering voor de oneindige ordenende Wijsheid, die heel de schepping doordringt."

Ja, waarlijk, onze kennis van de natuur is bescheiden van omvang en vaak onvolmaakt van inhoud. Boven een verhandeling over de elektromagnetische theorie van het licht kon men eens de woorden lezen: „Heeft een God deze formules geschreven?" Geniaal zijn ongetwijfeld de vergelijkingen van Maxwell; en toch, gelijk bij iedere dergelijke vooruitgang van de theoretische fysica het geval is, veronderstellen en bevatten zij als het ware een vereenvoudiging en idealisering van de concrete werkelijkheid, zonder welke een vruchtbare mathematische uitwerking onmogelijk is. Hoe vaak kan men tegenwoordig slechts regels opstellen in plaats van exacte wetten, of slechts gedeeltelijke oplossingen in plaats van algemene! Waar men, op het eerste gezicht zonder bepaalde wet, een regelmaat van samenwerking ziet bij talloze particuliere verschijnselen, daar moet de geleerde zich tevreden stellen met de aard en de vorm van het gedrag der massa's aan te geven volgens waarschijnlijkheidsoverwegingen, en, onbekend als hij is met hun dynamische grondslagen in afzonderlijke gevallen, statistische wetten formuleren.
De wetenschap gaat voortdurend vooruit. De opeenvolgende fasen van haar vooruitgang hebben weliswaar niet altijd de weg gevolgd, die van de eerste waarnemingen en ontdekkingen direct leidt tot hypothesen en van de hypothesen naar de theorie en ten slotte naar het zeker en ontwijfelbaar bereiken van de waarheid. Er zijn integendeel ook gevallen, waar het onderzoek meer een curve beschrijft, gevallen nl., waarin theorieën, die reeds de wereld veroverd schenen te hebben en de hoge top van onbetwiste leerstellingen schenen bereikt te hebben, zodat men er naam door kreeg in wetenschappelijke kringen, terugvielen tot het vlak van de hypothesen en daarna soms volledig werden verlaten.
Maar ondanks de onvermijdelijke onzekerheden en 19 dwalingen, die ieder menselijk pogen eigen zijn, kent de vooruitgang van de wetenschappen geen stilstand en geen sprongen; de vorsers van de waarheid geven de fakkel van het onderzoek aan elkander over om de bladzijden van het boek van de natuur, die vol raadsels staan, te verlichten en open te leggen. Gelijk, naar het woord van de Engelachtige Leraar, St. Thomas, in de dingen, die volgens de natuur ontstaan, een geleidelijk opgang bestaat van het onvolmaakte naar het volmaakte, zo is het ook bij de mensen wat betreft de kennis van de waarheid. Inderdaad, aanvankelijk ontdekten zij slechts een weinig van de waarheid, en later kwamen zij geleidelijk tot een vollediger kennis ervan door de oorsprong van de wereld en van de algemene dingen niet toe te schrijven aan het toeval of het lot; maar door een nauwgezetter en scherpzinniger beschouwen van de waarheid trokken zij uit duidelijke tekenen en gegevens de conclusie, dat de natuurlijke dingen door een Voorzienigheid worden bestuurd. Hoe immers zou men een constante en zekere loop in de beweging van de hemel en de sterren en in de andere werkingen van de na tuur kunnen vinden, als dit alles niet geregeerd werd door een verstand, dat boven alles staat. Vgl. H. Thomas van Aquino, In librum beati Job expositio. Proloog
Langs nieuwe en bredere wegen gaat de mensheid voorwaarts, maar altijd als pelgrim, naar dieper kennis van de wetten van het onderzochte en nog niet onderzochte heelal, gedreven door de natuurlijke dorst naar het ware; snaar toch, ook na duizenden jaren zal de menselijke kennis van de innerlijke wetten en van de drijvende krachten van het worden en voortschrijden van de wereld en nog meer van het plan van God en Zijn stuwing, die alles doordringt, in beweging zet en leidt, een onvolmaakt en bleek beeld zijn en blijven van Gods ideeën. Tegenover de wonderen van de eeuwige Wijsheid, die in de zee van het zijn alles met onverstoorbare orde bestuurt en alles naar onbekende havens richt, worden de vorsende gedachten van de geleerden blind en stom en komen er die nederige bewondering en aanbidding, die tegenover zich voelt het wonder van de schepping, waaraan de hand van de mens geen deel had en die zij ook niet kan nabootsen, maar waarin zijn oog een onverwachte flits van Gods macht kan erkennen. Tegenover de vele onnaspeurlijke raadsels van de orde en de aaneenschakeling van de wetten van de kosmos, zo onmetelijk groot en zo onmetelijk klein, moet de geest van de mens de uitroep herhalen: „O afgrond van rijkdom en wijsheid en kennis van God! Hoe ondoorgrondelijk zijn toch Zijn raadsbesluiten, hoe onnaspeurlijk Zijn wegen!" (Rom. 11, 33) Gelukkig de geleerde, die op zijn tochten door de wijde gebieden van hemel en aarde weet te lezen in het grote boek van de natuur en haar stem weet te beluisteren, die aan de mensen het spoor openbaart door Gods schreden in de schepping en de geschiedenis van het heelal achtergelaten! De sporen van Gods voeten en de -letters, door Gods vinger geschreven, zijn onuitwisbaar; geen mensenhand is in staat ze uit te wissen; deze sporen en letters zijn de feiten, waaruit het goddelijke alle geesten tegenstraalt; en speciaal voor de wijze, onderzoekende geesten schijnen de woorden geschreven van de Leraar der volkeren: „Wat men weten kan over God, kan ook door hen worden gekend; God toch heeft het hun duidelijk gemaakt. Want Zijn onzichtbaar Wezen, Zijn eeuwige Macht en Zijn Godheid zijn van de schepping der wereld af bij enig nadenken uit het geschapene duidelijk te kennen." (Rom. 1, 19-20) In een van de opschriften, die het graf van de grote astronoom Angelo Secchi op de dag van zijn begrafenis versierden, kon men lezen: „Van het beschouwen van de hemel tot God is een korte weg."

Beschouwt men het heelal, dat aan Gods voeten ligt, van dit verhevener standpunt, dan is het niet moeilijk te begrijpen, dat de natuurlijke dingen onverstoorbaar en zonder uitzondering werken overeenkomstig de krachten van hun verscheiden natuur, maar dat geen enkele natuurkracht in verzet kan komen tegen de allerhoogste Schepper, Instandhouder en Bestuurder, die boven de dingen staat en boven de wetten, door Hem vastgelegd en aan de schepselen gegeven, terwijl Hij zelf vrij blijft, de uitwerkingen en de activiteit van die krachten om wijze redenen in bijzondere gevallen te verhinderen of in andere richting te sturen. Tegenover de wonderbare werkelijkheid van de kosmos, die de geleerde beschouwt, bestudeert en doorvorst, blijkt de universele geest, door Laplace uitgedacht met zijn formule die, tenminste volgens de opvatting van de materialisten, ook de verschijnselen moest omvatten, afhankelijk van de gedachte en van de vrije wil, een utopistische fictie te zijn; maar een oneindig reële waarheid is daarentegen de goddelijke Wijsheid, die elke, ook het kleinste atoom met zijn energieën kent, er de maat van bepaalt en het in het samenstel van de geschapen wereld zijn plaats aanwijst, die allerhoogste Wijsheid, wier glorie overal in het heelal doordringt en met nog groter licht straalt in de hemel. Dante Alighieri, De Goddelijke Komedie, Divina Commedia (1 jan 1321). Paradiso, canto 1, 1 vv. (vert. A. H. T. van Delft, Bussum 1921, 5).

Document

Naam: NEL RITROVARCI
Over de natuurwet - Tot de Pauselijke Academie van Wetenschappen
Soort: Paus Pius XII - Toespraak
Auteur: Paus Pius XII
Datum: 8 februari 1948
Copyrights: © 1957, Ecclesia Docens 0771, Uitg. Gooi & Sticht, Hilversum, pag. 12-27
Vert.: Dr. M.H. Mulders C.ss.R., Dr. J. Kahmann C.s.R.
Bewerkt: 7 november 2019

Referenties naar dit document

 
Geen documenten gevonden!
 
Geen berichten gevonden!

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2022, Stg. InterKerk, Schiedam