• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

Als de menselijke vorming zich ontwikkeld in het kader van een antropologie die heel de werkelijkheid van de mens omvat, opent zij zich voor de geestelijk vorming en wordt zij daarin voltooid. Iedere mens, die door God is geschapen en door het bloed van Christus is verlost, is geroepen om wedergeboren te worden "uit water en geest" (Joh. 3, 5) en "kind in de Zoon" te worden. In dit doelmatige plan van God ligt het fundament van de religieuze constitutieve dimensie van het menselijk wezen, welke overigens vermoed en herkend kan worden door de rede. De mens staat open voor het transcendente, voor het absolute. Hij heeft een hart dat onrustig blijft tot het rust vindt in de Heer. Vgl. H. Augustinus, Belijdenissen, Confessiones. 1, 1: CSEL 33, 1

Het is vanuit deze fundamentele en niet te onderdrukken godsdienstige aanspraak dat het proces van de opvoeding tot een geestelijk leven in de zin van relatie en gemeenschap met God een aanvraag neemt en verloopt. Volgens de openbaring en de christelijke ervaring bezit de geestelijke vorming de onmiskenbare oorspronkelijkheid welke voortkomt uit de evangelische "nieuwheid". "Zij is werk van de Geest en de gehele mens is daarin betrokken. Zij voert tot diepe gemeenschap met Jezus Christus, de goede Herder. Zij leid tot onderwerping van het gehele leven aan de Geest in een kinderlijke verhouding met de Vader en in vertrouwelijke aanhankelijkheid aan de Kerk. Zij is geworteld in de ervaring van het kruid zodat zij, in een diepe gemeenschap, kan voeren tot de totaliteit van het Paasmysterie". Bisschoppensynodes, Instrumentum Laboris Achtste gewone algemene vergadering - ”De vorming van de priesters in de huidige omstandigheden”, 30

Zoals men ziet, gaat het om een geestelijke vorming die gemeen is aan alle gelovigen, maar vraagt om gestructureerd te worden volgens de betekenissen en de kenmerken die voortvloeien uit de identiteit van de priester en van zijn ambt. En zoals men moet zeggen dat voor iedere gelovige de geestelijk vorming centraal staat en eenheid brengt in zijn wezen en leven als christen ofwel als nieuw schepsel in Christus dat in de Geest wandelt, zo vormt voor iedere priester de geestelijke vorming het hart dat zijn priester-zijn en zijn handelen als priester één en levend maakt. In dit verband verklaren de Synodevaders dat "zonder de geestelijk vorming de pastorale vorming zou geschieden zonder grondslag" Bisschoppensynodes, Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, 22 en dat de geestelijke vorming "als het ware het element van het hoogste gewicht is in de priesterlijke opvoeding". Bisschoppensynodes, Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, 23

De wezenlijke inhoud van de geestelijke vorming precies op de weg naar het priesterschap is goed uitgedrukt door het decreet 2e Vaticaans Concilie - Decreet
Optatam Totius Ecclesiae
Over de priesteropleiding
(28 oktober 1965)
van het Concilie: "De geestelijke vorming (...) moet (...) zo worden uitgewerkt, dat de studenten leren in een vertrouwelijke en voortdurende omgang te leven met de Vader door zijn Zoon Jezus Christus in de heilige Geest. Door de heilige wijding worden zij in gestalte gelijk aan de Priester Christus en zij dienen zich eraan te wennen, ook door eensgezindheid in hun gehele inwendig leven, Hem als vriend aan te hangen. Zijn paasmysterie moeten zij zo beleven, dat zij de kunst verstaan het aan hen toe te vertrouwen volk daarin binnen te leiden. Hun moet worden geleerd Christus te zoeken in een getrouwde overweging van het woord van God, in een actieve deelneming aan de heilige geheimen van de Kerk, vooral de Eucharistie en het goddelijke officie; ook in de bisschop die hen zendt en in de mensen tot wie zij worden gezonden, met name de armen, de kleinen, de zieken, de zondaars en de ongelovigen. De allerzaligste Maagd Maria, die door Jezus Christus bij zijn kruisdood aan de leerling is gegeven als moeder, moeten zij met een kinderlijke trouw beminnen en vereren". 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over de priesteropleiding, Optatam Totius Ecclesiae (28 okt 1965), 8

De tekst van het Concilie verdient een nauwkeurige en liefdevolle overweging, waaruit gemakkelijk enige fundamentele waarden en eisen van de geestelijke weg van de kandidaat voor het priesterschap geput kunnen worden.

Voor alles dringen zich de waarde en de eis op van een leven in innige vereniging met Jezus Christus. De vereniging met de Heer Jezus, die gebaseerd is op het Doopsel en gevoed wordt door de Eucharistie, vraagt om uitgedrukt en radicaal vernieuwd te worden in het leven van iedere dag. De innige vereniging met de allerheiligste Drie-eenheid ofwel het nieuwe leven van de genade waardoor men kind van God wordt, vormt de "nieuwheid" van de gelovige welke het zijn en het handelen omvat. Zij vormt het "mysterie" van het christelijk bestaan, dat onder invloed van de Geest staat, en moet bijgevolg het "ethos" van het leven van de christen vormen. Jezus heeft ons deze bewonderenswaardige inhoud van het christelijk leven is, geleerd door de gelijkenis van de wijnstok en de ranken: "Ik ben de ware wijnstok en mijn Vader is de wijnbouwer. (...) Blijft in Mij, zoals Ik in u. Zoals de rank geen vrucht kan dragen uit zichzelf, maar alleen als zij blijft aan de wijnstok gij evenmin, als gij niet blijft in Mij. Ik ben de wijnstok, gij de ranken Wie in Mij blijft, zoals Ik in hem, die draagt veel vrucht, want los van Mij kunt gij niets" (Joh. 15, 1.4-5).

Het ontbreekt de huidige cultuur zeker niet aan geestelijke en religieuze waarden en de mens blijft onvermoeibaar naar God hongeren en dorsten ondanks alle schijn van het tegendeel. Maar dikwijls loopt de christelijke godsdienst het gevaar beschouwd te worden als een godsdienst onder de vele andere godsdiensten of gereduceerd te worden tot een zuiver sociale ethiek ten dienste van de mens, zodat zijn revolutionaire nieuwheid in de geschiedenis niet altijd aan het licht komt. Hij is "mysterie", het gebeuren van Gods Zoon die mens wordt en aan hen die Hem aanvaarden "het vermogen om kinderen van God te worden" (Joh. 1, 12) geeft. Hij is de aankondiging, ja de gave, van een persoonlijke verbond van liefde en tussen God en de mens. Alleen als de toekomstige priesters door een pastorale geestelijke vorming grondig kennis gemaakt hebben met dit "mysterie" en er een groeiende ervaring van gekregen hebben, zullen zij die verwonderlijke en zaligmakende aankondiging aan anderen kunnen meedelen Vgl. 1 Joh. 1, 1-4 .

De tekst van het Concilie karakteriseert de innige gemeenschap van de toekomstige priester met Jezus met de nuance van de vriendschap, ook als is hij zich bewust van de absolute transcendentie van het christelijk mysterie. Die vriendschap is geen absurde aanspraak van de mens. Zij is eenvoudig de onschatbare gave van Christus, die tot zijn apostelen gezegd heeft: "Ik noem u geen dienaars meer, want de dienaar weet niet wat zijn heer doet, maar Ik heb u alles meegedeeld wat Ik van de Vader heb gehoord" (Joh. 15, 15).

De tekst van het Concilie wijst vervolgens een tweede grote waarde aan, het zoeken van Jezus. "Hun moet worden geleerd Christus te zoeken". Dat is, samen met quaerere Deum, een klassiek thema van de christelijke spiritualiteit, dat een specifieke toepassing vindt juist in het kader van de roeping van de apostelen. In het verhaal van het volgen van Jezus door de eerste twee apostelen doet Johannes de plaats uitkomen die dit "zoeken" inneemt. Jezus zelf stelt de vraag: "Wat zoekt gij?". En de twee antwoorden: "Rabbi, waar verblijft ge?". De evangelist vervolgt: "Hij zei hun, 'Gaat mee om het te zien'. Daarop gingen zij mee en zagen waar Hij zich ophield. Die dag bleven zij bij de Heer" (Joh. 1, 38-39). Het geestelijk leven van wie zich voorbereidt op het priesterschap wordt in zekere zin beheerst door dit zoeken; door het "zoeken" en door het "vinden" van de Meester, om Hem te volgen, om met Hem in gemeenschap te staan. Ook in het dienstwerk en in het leven van de priester zal dit "zoeken" door moeten gaan want het mysterie van de navolging van Christus en van de deelname aan zijn leven is onuitputtelijk. Zo zal ook het "vinden" door moeten gaan, om het aan anderen aan te wijzen of beter nog om in anderen het verlangen op te wekken om de Meester te zoeken. Maar dat is alleen werkelijk mogelijk als aan de anderen een levens-"ervaring" wordt aangeboden, een ervaring die verdient gedeeld te worden. Dat is de weg die Andreas gevolgd heeft om zijn broer Simon bij Jezus te brengen. De eerste die Andreas ontmoette, schrijft de evangelist Johannes, "was zijn broer Simon tot wie hij zei: 'Wij hebben de Messias' -vertaald betekent dat: de Gezalfde- 'gevonden', en hij bracht hem bij Jezus" (Joh. 1, 41-42). En zo zal ook Simon geroepen worden om als apostel de Messias te volgen: "Jezus zag hem aan en zeide: 'Gij zijt Simon, de zoon van Johannes, gij zult Kefas -dat betekent: Rots- genoemd worden'" (Joh. 1, 42).

Maar wat betekent in het geestelijk leven Christus zoeken? En waar Hem te vinden? "Rabbi, waar blijft ge?" Het conciliaire decreet 2e Vaticaans Concilie - Decreet
Optatam Totius Ecclesiae
Over de priesteropleiding
(28 oktober 1965)
lijkt drie wegen aan te wijzen die afgelegd moeten worden: de getrouwde overweging van het woord Gods, die actieve deelneming aan de heilige geheimen van de Kerk en de dienst van de liefde aan de "kleinen". Het zijn drie grote waarden en eisen, welke die inhoud van de geestelijke vorming van de kandidaat voor het priesterschap nader bepalen.

Een wezenlijk element van de geestelijke vorming is de mediterende en biddende lezing van het woord van God (lectio divina), het nederig en liefdevol luisteren naar Hem die spreekt. Het is inderdaad in het licht en de kracht van het woord Gods dat de eigen roeping ontdekt, begrepen, bemind en gevolgd en de eigen zending vervuld kan worden, zodanig dat het gehele bestaan zijn eenmakende en radicale zin vindt in het feit dat het het einddoel is van het woord van God die de mens roept, en het begin van het woord van de mens die God antwoord. De vertrouwdheid met het woord Gods zal de weg van de bekering vergemakkelijken, niet alleen in de zin van onthechting aan het kwade om het goede aan te hangen, maar ook in de zin van het koesteren van de gedachte van God in het hart, zodat het geloof als antwoord op het woord van God het nieuwe criterium wordt om mensen en dingen, gebeurtenissen en problemen te beoordelen en te waarderen.

Men moet echter het woord van God benaderen en beluisteren in zijn ware natuur. Dat woord is immers de ontmoeting met God zelf die tot de mens spreekt, en ontmoeting met Christus, het Woord van God, de waarheid, die ook de Weg en het Leven is Vgl. Joh. 14, 6 . Het gaat om het lezen van de "schriften", luisterend naar de "woorden", naar het "woord" van God, zoals het Concilie in herinnering brengt: "De heilige geschriften bevatten het woord van God en zijn wegens hun geïnspireerd karakter waarlijk het woord van God". 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Goddelijke openbaring, Dei Verbum (18 nov 1965), 24 Het Concilie zegt ook nog: "Door deze openbaring spreekt dus de onzichtbare God Vgl. Kol. 1, 15 Vgl. 1 Tim. 1, 17 uit de overvloed van zijn liefde de mensen aan als zijn vrienden Vgl. Ex. 33, 11 Vgl. Joh. 15, 14-1 en gaat met hem om Vgl. Bar. 3 ,38 , om hen uit te nodigen tot de gemeenschap met Hem en hen daarin op te nemen". 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Goddelijke openbaring, Dei Verbum (18 nov 1965), 2

De liefdevolle kennis van en de biddende vertrouwdheid met het woord van God hebben een specifieke betekenis voor de profetische taak van de priester. Voor de geschikte vervulling hiervan worden zij een onmisbare voorwaarde vooral in het kader van de "nieuwe evangelisatie", waartoe de Kerk geroepen is. Het Concilie vermaant: "Het is (...) noodzakelijk, dat alle geestelijken, vooral de priesters van Christus en alle anderen die als diaken of catechist regelmatig de dienst van het woord vervullen door geregelde vrome lezing en zorgvuldige studie met de Schrift vergroeid raken. Niemand van hen weze, terwijl hij de overvloedige rijkdommen van het goddelijk woord aan de hem toevertrouwde gelovigen moet meedelen, vooral in de heilige liturgie, 'een holle uiterlijke prediker van het woord van God, waarnar hij innerlijk niet luistert" H. Augustinus, Sermones. 179; PL 38,996. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Goddelijke openbaring, Dei Verbum (18 nov 1965), 25

Het eerste en fundamentele antwoord op het woord van God is het gebed, dat zonder enige twijfel een primaire waarde en eis vormt van de geestelijke vorming. Deze moet de kandidaten voor het priesterschap brengen tot de kennis en de ervaring van de authentieke zin van het christelijk gebed, welke die is van een levende en persoonlijke ontmoeting met de Vader in de eniggeboren Zoon onder de werking van de Geest, van een dialoog die ons deelachtig maakt aan het kinderlijk gesprek dat Jezus met de Vader voert. Een zeker niet secundair aspect van de zending van de priester is dat hij "opvoeder tot gebed" is. Maar alleen als de priester gevormd is en gevormd blijft worden in de school van de biddende Jezus zal hij de anderen in dezelfde school kunnen vormen Dit vragen de mensen aan de priester: "De priester is de man Gods, die God toebehoort en doet denken aan God. Als de brief aan de Hebreeën over Christus spreekt, dan presenteert hij Hem als een 'barmhartige en getrouwe hogepriester in de zaken die God raken' Vgl. Hebr. 2, 17 . (...) De christenen hopen in de priester niet alleen een man te vinden die hen ontvangt, graag naar hen luistert en hun oprechte sympathie betuigt, maar ook en vooral een man die hen helpt om naar God te kijken, om naar God te gaan. Het is dus nodig dat de priester gevormd is tot een echte vertrouwelijkheid met God. Zij die zich op het priesterschap voorbereiden moeten begrijpen dat heel de waarde van hun priesterleven zal afhangen van de gave die zij van zichzelf zullen kunnen maken aan Christus en door Christus aan de Vader". H. Paus Johannes Paulus II, Angelus/Regina Caeli, Angelusgebed (4 mrt 1990), 2-3

In een context van drukte en rumoer, zoals die van onze maatschappij, is de opvoeding tot de diepe menselijke zin en de religieuze waarde van de stilte, als geestelijke atmosfeer die onmisbaar is om de aanwezigheid van God te ervaren en zich daardoor te laten beheersen Vgl. 1 Kon. 19,11. vv. , noodzakelijk voor de opvoeding tot gebed.

Het hoogtepunt van het christelijk gebed is de Eucharistie, die op haar beurt "hoogtepunt en bron" van de sacramenten en van de liturgie der getijden is. Voor de geestelijke vorming van iedere christen en speciaal van iedere priester is de liturgische opvoeding strikt noodzakelijk, in de zin van een opvoeding welke het leven geheel plaatst in het paasmysterie van de gestorven en verrezen Heer, die tegenwoordig en werkzaam is in de sacramenten van de Kerk. De gemeenschap met God, die de spil is van heel het christelijk leven, is gave en vrucht van de Sacramenten. Tegelijk is zij taak en verantwoordelijkheid, die door de sacramenten toevertrouwd worden aan de gelovige, opdat hij die gemeenschap tot uitdrukking brengt in de beslissingen en de keuzen, het gedrag en het handelen van zijn dagelijks leven. De "genade" die het leven van de christen "nieuw" maakt, is de genade van de gestorven en verrezen Jezus Christus, die zijn heilige en heiligende Geest blijft uitstorten door de sacramenten; zoals de "nieuwe wet", die het bestaan van de christen moet leiden en normen, door de Sacramenten in het "nieuwe hart" geschreven wordt. En zij is de wet van de liefde van God voor de mens, die betekend en meegedeeld wordt door de sacramenten. Men kan onmiddellijk de waarde begrijpen van een "volledig, bewust en actief deelnemen" 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de heilige liturgie, Sacrosanctum Concilium (4 dec 1963), 14 aan de sacramentele vieringen voor de gave en de taak van de "herderlijke liefde", welke de ziel van het priesterlijk dienstwerk vormt.

Dat geldt vooral voor de deelname aan de Eucharistie, gedachtenis van de offerdood en de glorierijke verrijzenis van Christus, "sacrament van barmhartigheid, teken van eenheid, band van liefde" H. Augustinus, In Iohannis Evangelium Tractatus. 26, 13, paasmaal, "waarbij Christus genuttigd, het hart van genade vervuld en ons een onderpand van de toekomstige heerlijkheid wordt gegeven". Getijdengebed, Magnificat antifoon van de Tweede Vespers van het Hoogfeest van het Lichaam en Bloed van Christus Als bedienaren van de heilige geheimen zijn de priesters vooral de bedienaren van het Misoffer. Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over het leven en dienst van de priester, Presbyterorum Ordinis (7 dec 1965), 13 Hun rol is volstrekt onvervangbaar, want zonder priester kan er geen eucharistisch offer zijn.

Dit verklaart het wezenlijke belang van de Eucharistie voor het leven en het ambt van de priester en bijgevolg voor de vorming van de kandidaten voor het priesterschap. Met grote eenvoud en met alle duidelijkheid herhaal ik: "Het zal nodig zijn dat de seminaristen iedere dag deelnemen aan de eucharistieviering, zodat deze dagelijkse viering vervolgens regel wordt in hun priesterleven. Zij zullen er bovendien toe opgevoed worden de eucharistieviering als het essentiële ogenblik van hun dag te beschouwen. Zij zullen zich eraan wennen daar actief aan deel te nemen en zich nooit tevreden te stellen met een deelname alleen uit gewoonte. Tenslotte zullen de kandidaten voor het priesterschap gevormd worden voor de innerlijke gesteltenissen die door de Eucharistie bevorderd worden: dankbaarheid voor de uit de hemel ontvangen weldaden, daar eucharistie dankzegging betekent; een offerhouding die hen aanspoort het persoonlijk offer te verenigen met het eucharistisch offer van Christus; liefde die gevoed wordt door een sacrament dat teken is van eenheid en samen delen; verlangen naar contemplatie en aanbidding van Christus, die werkelijk tegenwoordig is onder de eucharistische gedaanten". H. Paus Johannes Paulus II, Angelus/Regina Caeli, Angelusgebed (1 juli 1990), 3

De oproep om binnen het kader van de geestelijke vorming de schoonheid en de vreugde van het Boetesacrament te herontdekken is meer dan ooit verplichtend en dringend. In een cultuur die door nieuwe en meer subtiele vormen van zelfrechtvaardiging het "zondebesef" noodlottigerwijze dreigt te verliezen en bijgevolg de troostrijke vreugde van het vragen van vergiffenis Vgl. Ps. 51, 14 en van de ontmoeting met God "die rijk is aan erbarming" (Ef. 2, 4), is het dringend nodig de toekomstige priesters op te voeden tot de deugd van boetvaardigheid, die door de Kerk vol wijsheid gevoed wordt in haar vieringen en in de tijden van het liturgisch jaar en die in haar volheid in het Sacrament van de verzoening gevonden wordt. Hieruit vloeien de zin voor ascese en innerlijke tucht voort, de geest van offer en onthechting, de aanvaarding van moeite en kruis. Het gaat om elementen van het geestelijk leven welke vaak bijzonder zwaar blijken voor vele kandidaten voor het priesterschap, die opgegroeid zijn in relatief gerieflijke en welvarende omstandigheden en minder bereid en gevoelig gemaakt zijn voor deze elementen door de gedragspatronen en de idealen waarvan de sociale communicatiemiddelen het voertuig zijn, ook in de landen waarin de levensomstandigheden armoediger zijn en de situatie van de jongeren soberder is. Daarom, maar vooral om haar het voorbeeld van Christus, de goede Herder, de "radicale zelfgave" van de priester te verwerkelijken, hebben de Synodevaders geschreven: "Het is nodig de zin voor het kruis in te prenten, dat de kern van het Paasmysterie vormt. Dank zij de vereenzelviging met de gekruisigde Christus als dienaar kan de wereld de waarde terugvinden van de soberheid, van het lijden en ook van het martelaarschap in de huidige cultuur, die doordrenkt is van secularisme, begeerte en hedonisme". Bisschoppensynodes, Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, 23

De geestelijke vorming vraagt ook om het zoeken van Christus in de mensen. Het geestelijk leven is innerlijk leven, leven van vertrouwelijkheid met God, leven van gebed en contemplatie. Maar juist de ontmoeting met God en met zijn liefde als Vader van allen stelt de onafwendbare eis van de ontmoeting met de naaste, van de gave van zichzelf aan de anderen, in de nederige en onbaatzuchtige dienst die Jezus aan allen als levensprogram heeft voorgehouden door de voeten van de apostelen te wassen: "Ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat gij zoudt doen zoals Ik u gedaan heb" (Joh. 13, 15).

De vorming tot de edelmoedige en belangeloze zelfgave, welke ook bevorderd wordt door de gemeenschapsvorm die de voorbereiding op het priesterschap normaal heeft, is een onmisbare voorwaarde voor wie geroepen is om openbaring en spiegel te worden van de goede Herder die zijn leven geeft Vgl. Joh. 10, 11-15 . In dit opzicht heeft de geestelijke vorming haar intrinsieke pastorale of caritatieve dimensie, moet zij deze ontwikkelen en kan zij zich ook met nut bedienen van een juiste ofwel sterke en tedere devotie tot het Hart van Christus, zoals de Synodevaders benadrukt hebben: "De vorming van de toekomstige priesters in de spiritualiteit van het Hart van de Heer impliceert het leiden van een leven dat beantwoordt aan de liefde en de genegenheid van Christus, Priester en goede Herder, aan zijn liefde voor de Vader in de heilige Geest, aan zijn liefde voor de mensen tot aan het offer van zijn leven". Bisschoppensynodes, Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, 23

De priester is dus de man van de liefde en hij is geroepen om de anderen op te voeden tot navolging van Christus en tot zijn nieuw gebod van de broederlijke liefde Vgl. Joh. 15, 12 . Dit vraagt echter dat hij zichzelf voortdurend door de Geest laat opvoeden tot de liefde van Christus. De voorbereiding op het priesterschap moet daarom een serieuze vorming tot de liefde insluiten, in het bijzonder tot de voorkeursliefde voor de "armen", in wie het geloof de tegenwoordigheid van Jezus Vgl. Mt. 25, 40 ontdekt, en tot de barmhartige liefde voor de zondaars.

In het perspectief van de liefde die bestaat in de zelfgave uit liefde, heeft in de geestelijke vorming van de toekomstige priester ook de opvoeding tot de gehoorzaamheid, het celibaat en de armoede haar plaats. Vgl. Bisschoppensynodes, Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, 23 In verband daarmee staat de aansporing van het Concilie: "Zeer duidelijk dienen de studenten in te zien, dat zij niet bestemd zijn voor een heersersplaats of voor ere-ambten, maar dat de dienst van God en het pastorale dienstwerk geheel beslag op hen leggen. Met bijzondere zorg moeten zij zo worden opgevoed in de priesterlijke gehoorzaamheid, in de leefwijze van een arme en in de geest van zelfverloochening dat zij zich eraan wennen spontaan ook van datgene afstand te doen wat wel geoorloofd is, maar niet ter zake dienend en zich aan de gekruisigde Christus te conformeren". 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over de priesteropleiding, Optatam Totius Ecclesiae (28 okt 1965), 9

De geestelijke vorming van wie geroepen is om celibatair te leven moet speciale aandacht besteden aan de voorbereiding van de toekomstige priester op het kennen, waarderen, beminnen en beleven van het celibaat in zijn ware natuur en in zijn ware doeleinden, dus in zijn evangelische, geestelijke en pastorale motiveringen. Vooronderstelling en inhoud van die voorbereiding is de deugd van kuisheid, die alle menselijke relaties kenmerkt en leidt "tot het voelen en uiten (...) van een oprechte, menselijke, broederlijke, persoonlijke en offervaardige liefde voor allen en voor ieder naar het voorbeeld van Christus". Congregatie Katholieke Vorming (seminaries en universiteiten), Fundamentele normen voor de priestervorming, Ratio fundamentalis institutionis sacerdotalis - Editio typica (6 jan 1970)

Het celibaat van de priesters geeft aan de kuisheid enige speciale kenmerken. De priesters doen afstand "van het huwelijksleven omwille van het rijk der hemelen Vgl. Mt. 19, 1 , zij hangen de Heer aan met onverdeelde liefde, ten nauwste in aansluiting met het Nieuwe Verbond, en zij leggen getuigenis af van de verrijzenis van de komende wereld Vgl. Lc. 20, 36 en zij verkrijgen een uitstekend hulpmiddel bij de ononderbroken beoefening van de volmaakte liefde, waardoor zij bij hun priesterlijk dienstwerk als voor allen kunnen worden". 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over de priesteropleiding, Optatam Totius Ecclesiae (28 okt 1965), 10 Het christelijke celibaat dient derhalve niet beschouwd te worden als een eenvoudig juridische norm noch als een volstrekt uiterlijke voorwaarde om tot de wijding toegelaten te worden, maar als een waarde die nauw verbonden is met de priesterwijding welke de priester gelijkvormig maakt aan Jezus Christus, die goeder Herder en de Bruidegom van de Kerk, en dus als de keuze voor een grotere en onverdeelde liefde voor Christus en zijn Kerk in de volledige en vreugdevolle beschikbaarheid van het hart voor de pastorale dienst. Het celibaat moet beschouwd worden als een speciale genade, als een gave "die niet iedereen kan (...) begrijpen, maar alleen zij aan wie het gegeven is" (Mt. 19, 11). Ongetwijfeld een genade die niet ontstaat van het bewuste en vrije antwoord van de kant van wie haar ontvangt, maar deze juist met bijzondere kracht eist. Dit charisma van de Geest sluit ook de genade in dat degene die het leven trouw aan blijft en de verplichtingen die ermee verbonden zijn edelmoedig en blij vervult. In de vorming voor het priesterlijk celibaat moet het besef verzekerd worden van de "kostbare gave van God", 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over de priesteropleiding, Optatam Totius Ecclesiae (28 okt 1965), 10 wat tot gebed en waakzaamheid zal leiden, opdat de gave behoed blijft voor alles wat haar kan bedreigen.

Door zijn celibatair leven zal de priester zijn dienstwerk onder het volk van God beter kunnen vervullen. Terwijl hij getuigenis zaal afleggen van de evangelische waarde van de maagdelijkheid, zal hij speciaal de christelijke gehuwden kunnen helpen om ten volle het "grote geheim" van de liefde van Christus, de Bruidegom, voor de Kerk, zijn bruid, te beleven, zoals ook zijn trouw aan het celibaat van hulp zal zijn voor de trouw van de gehuwden. H. Paus Johannes Paulus II, Brief, Aan de priesters op Witte Donderdag 1979, Novo incipiente (8 apr 1979)

Het belang en het delicate karakter van de voorbereiding op het priesterlijk celibaat speciaal in de huidige sociale en culturele omstandigheden hebben de Synodevaders ertoe gebracht een aantal vereisten te formuleren, waarvan de blijvende geldigheid overigens bevestigd is door de wijsheid van de Moederkerk. Ik geeft ze op gezaghebbende wijze weer als criteria die gevolgd moeten worden bij de vorming tot de kuisheid in het celibaat: "Samen met de rectoren van de seminaries en de geestelijke leidslieden moeten de bisschoppen beginselen vaststellen en criteria en hulpmiddelen aanbieden voor het oordeel in deze materie. De zorg van de bisschop en de broederlijke samenleving onder de priesters zijn van het hoogste gewicht voor de vorming tot de kuisheid in het celibaat. In het seminarie ofwel in het vormingsprogramma daarvan moet het celibaat duidelijk, ondubbelzinnig en op positieve wijze voorgesteld worden. De seminarist moet de vereiste graad van psychische en seksuele rijpheid bezitten evenals een leven van volhardend en authentiek gebed en hij moet zich onder de leiding van een geestelijke vader stellen. De geestelijke leidsman moet de seminarist helpen om tot een rijpe en vrije beslissing te komen, die gebaseerd moet zijn op waardering voor de priesterlijke vriendschap en voor de zelfdiscipline, alsmede op de aanvaarding van het alleen zijn en op een goede persoonlijke fysieke en psychische staat. Daartoe dienen de seminaristen goed de leer te kennen van het Tweede Vaticaans Concilie, de encycliek H. Paus Paulus VI - Encycliek
Sacerdotalis Caelibatus
Over het priestercelibaat
(24 juni 1967)
en de Congregatie Katholieke Vorming (seminaries en universiteiten)
Instructie voor de vorming tot het priesterlijk celibaat (11 april 1974)
die in 1974 uitgegeven is door de Congregatie voor de Katholieke Opvoeding. Opdat de seminarist het priesterlijk celibaat omwille van het Rijk der hemelen met een vrije beslissing kan omhelzen, is het nodig dat hij de christelijke en waarlijk menselijke natuur en ook het doel van de seksualiteit in huwelijk en celibaat kent. Het is ook nodig de christengelovigen te instrueren inzake de evangelische, geestelijke en pastorale motieven voor het priesterlijk celibaat en hen op te voeden tot het helpen van de priesters door hun vriendschap, begrijp en medewerking". Bisschoppensynodes, Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, 24

Document

Naam: PASTORES DABO VOBIS
N.a.v. de Bisschoppensynode over de priesteropleidingen
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Postsynodale Apostolische Exhortatie
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 25 maart 1992
Copyrights: © 1992, Stg. R.K. Voorlichting, Oegstgeest
Colomba
Tekst wordt nog verder gecontroleerd
Bewerkt: 7 november 2019

Referenties naar dit document

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2020, Stg. InterKerk, Schiedam