• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
Zoals iedere authentiek christelijk geestelijk leven, bezit ook het geestelijk leven van de priester een wezenlijke en onmisbare kerkelijke dimensie. Het is deelname aan de heiligheid van de Kerk zelf, waarvan wij in het Credo belijden dat zij de "gemeenschap van de heiligen" is. De heiligheid van de christen komt voort uit die van de Kerk, drukt deze uit en verrijkt haar tegelijk. De kerkelijke dimensie heeft bijzondere vormen, doeleinden en betekenissen in het geestelijk leven van de priester krachtens zijn specifieke betrekking met de kerk, steeds vanuit zijn gelijkvormigheid aan Christus, Hoofd en Herder, zijn gewijde ambt en zijn herderlijke liefde.

In dit perspectief moet men het toebehoren en de toewijding aan een particuliere Kerk zien als een geestelijke waarde van de priester. Zij worden niet alleen gemotiveerd door organisatorische en disciplinaire redenen. Integendeel, de verhouding met de bisschop in het ene priestercollege, het delen van zijn kerkelijke zorgen, de toewijding aan de evangelische zorg voor het volk van God in de concrete historische en plaatselijke omstandigheden van de particuliere Kerk, zijn elementen die men niet buiten beschouwing kan laten bij het schetsen van de eigen gestalte van de priester en van zijn geestelijk leven. In deze zin blijft de "incardinatie" niet beperkt tot een zuiver juridische band, maar brengt zij ook een reeks houdingen en geestelijke en pastorale keuzen me die ertoe bijdragen een specifieke fysionomie te geven aan de gestalte van de priester als geroepene.

Het is noodzakelijk dat de priester beseft dat zijn "staan in een particuliere Kerk" uiteraard een element vormt dat een christelijk geestelijk leven kwalificeert. De priester vindt juist in zijn toebehoren en toewijding aan de particuliere Kerk een bron van betekenissen en van criteria voor onderscheiding en actie die gestalte geven zowel aan zijn herderlijk zending als aan zijn geestelijk leven.

Tot de weg van de volmaaktheid kunnen ook andere spiritualiteiten of banden met andere tradities van geestelijk leven bijdragen, welke het leven van de afzonderlijke priesters kunnen verrijken en de priesterschap bezielen met kostbare geestelijke gaven. Dat is het geval bij vele oudere en nieuwe kerkelijke groeperingen die ook priesters in hun midden opnemen: vanaf de genootschappen van apostolisch leven tot aan de seculiere priesterinstituten, vanaf de verschillende vormen van gemeenschap en geestelijk deelgenootschap tot aan de kerkelijke bewegingen. De priesters die tot kloosterorden en congregaties behoren zijn een geestelijke rijkdom voor heel de diocesane priesterschap waaraan zij de bijdrage bieden van specifieke charisma's en gekwalificeerde diensten, terwijl zij door hun aanwezigheid de particuliere Kerk stimuleren om haar universele openheid meer intens te beleven. Vgl. Congregatie v d Inst v h Gewijde Leven en de Sociƫten Apost Leve, Richtlijnen voor de wederzijdse betrekkingen tussen de bisschoppen en de religieuzen in de Kerk, Mutuae relationes (14 mei 1978), 18

Het toebehoren en de toewijding van de priester aan de particuliere Kerk tot aan de gave van het leven voor de opbouw van de Kerk "in de persoon" van Christus, Hoofd en Herder, ten dienste van de gehele christelijke gemeenschap in een hartelijke en kinderlijke verhouding met de bisschop, moeten verstrekt worden door elk charisma dat deel gaat uitmaken van een priesterlijk bestaan of daarbij komt. Bisschoppensynodes, Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, 25.33

Opdat de overvloed van de gaven van de heilige Geest met vreugde aangenomen wordt en vruchtbaar gemaakt wordt tot eer van God voor het welzijn van de gehele Kerk, wordt van allen op de eerste plaats de kennis en de onderscheiding van de eigen charisma's en die van de anderen vereist, alsmede een uitoefening daarvan die altijd vergezeld gaat van christelijke nederigheid, van moed tot zelfkritiek, van de allesoverheersende bedoeling om nuttig te zijn voor de opbouw van heel de gemeenschap ten dienste waarvan ieder bijzonder charisma staat. Bovendien wordt van allen een oprechte inspanning vereist om elkaar te waarderen en te respecteren en om alle positieve en gerechtvaardige verschillen die er in de priesterschap zijn op samenhangende wijze te benutten. Ook dit alles maakt deel uit van het geestelijk leven en van de voortdurende ascese van de priester.

Het toebehoren en toewijding aan de particuliere Kerk sluiten de activiteit en het leven van de priester niet op in die Kerk. Zij kunnen daarin volstrekt niet opgesloten worden vanwege de natuur zelf zowel van de particuliere Kerk Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 23 als van het priesterambt. Wat dit betreft schrijft het Concilie: "De geestelijke gave die de priesters bij de wijding hebben ontvangen, rust hen niet uit voor een begrensde of beperkte zending, maar voor een zeer ruime en universele heilszending 'tot het uiteinde der aarde' (Hand. 1, 8). Want iedere priesterlijke bediening deelt in de universele en wereldomspannende zending die door Christus aan zijn apostelen is toevertrouwd". 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over het leven en dienst van de priester, Presbyterorum Ordinis (7 dec 1965), 10 Vgl. Bisschoppensynodes, Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, 13

Daaruit vloeit voort dat het geestelijk leven van de priesters sterk gekenmerkt moet worden door missionaire ijver en dynamiek. Het is hun taak om in de uitoefening van het ambt en in het getuigenis van het leven de hun toevertrouwde gemeenschap te vormen tot een authentiek missionaire gemeenschap. Zoals ik in de encycliek H. Paus Johannes Paulus II - Encycliek
Redemptoris Missio
Over de blijvende geldigheid van de missie-opdracht
(7 december 1990)
geschreven heb, "moeten alle priesters hart hebben voor de missie, openstaan voor de noden van de Kerk en van de wereld en aandacht hebben voor de vest verwijderden en vooral voor de niet-christelijke groeperingen in hun eigen omgeving. In het gebed en vooral in het eucharistisch offer moeten zij de zorg van heel de Kerk voor de gehele mensheid voelen". H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, Over de blijvende geldigheid van de missie-opdracht, Redemptoris Missio (7 dec 1990), 67

Als deze missiegeest het leven van de priesters op edelmoedige wijze zal bezielen, zal het gemakkelijker worden te antwoorden op een steeds ernstigere eis in de Kerk van deze tijd, de eis die voortkomt uit de ongelijke verdeling van de geestelijkheid. Wat dit betreft is het Concilie reeds zeer nauwkeuriger en krachtig geweest: "De priesters mogen (...) niet vergeten, dat hun de zorg voor alle kerken ter harte moet gaan. Daarom moeten de priesters van de bisdommen waarin men over en grotere overvloed aan roepingen beschikt graag bereid zijn om met instemming en aanmoediging van hun eigen bisschop hun bediening uit te oefenen in gebieden, missies of voor werkzaamheden die lijden aan een priestertekort". 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over het leven en dienst van de priester, Presbyterorum Ordinis (7 dec 1965), 10

Document

Naam: PASTORES DABO VOBIS
N.a.v. de Bisschoppensynode over de priesteropleidingen
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Postsynodale Apostolische Exhortatie
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 25 maart 1992
Copyrights: © 1992, Stg. R.K. Voorlichting, Oegstgeest
Colomba
Tekst wordt nog verder gecontroleerd
Bewerkt: 7 november 2019

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2020, Stg. InterKerk, Schiedam