• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
Binnen de Kerk als "gemeenschap" helpt de permanente vorming de priester om het besef te doen rijpen dat zijn dienstwerk er uiteindelijk op gericht is het gezin van God bijeen te brengen als een door liefde bezielde broederschap en het door Christus in de heilige Geest naar de Vader te leiden. Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over het leven en dienst van de priester, Presbyterorum Ordinis (7 dec 1965), 6 De priester moet groeien in het bewustzijn van de diepe gemeenschap die hem verbindt met het volk van God. Hij staat niet alleen "voor" de Kerk, maar vooral "in" de Kerk. Hij is broeder onder broeders. Door het Doopsel dat hem onderscheiden heeft met de waardigheid en de vrijheid van de kinderen Gods in de eniggeboren Zoon, is de priester lid van één en hetzelfde lichaam van Christus Vgl. Ef. 4, 16 . Het besef van die gemeenschap mondt uit in de behoefte om de medeverantwoordelijkheid op te wekken en te ontwikkelen in de gemeenschappelijke en enige heilszending, door bereidwillig en hartelijk alle charisma's en taken die de Geest aan de gelovigen geeft voor de opbouw van de Kerk naar waarde te schatten. Het is vooral in de vervulling van zijn pastorale dienst, die van nature gericht is op het welzijn van het volk van God, dat de priester zijn diepe gemeenschap met allen moet beleven en betuigen, zoals Paulus VI heeft geschreven: "Wij moeten broeders van de mensen worden in de daad zelf waarmee wij hun herders, vaders en meesters willen zijn. De sfeer van de dialoog is de vriendschap, ja, de dienst". H. Paus Paulus VI, Encycliek, Over de Kerk, Ecclesiam Suam (6 aug 1964), 87 De priester is op specifieke wijze geroepen het besef te doen rijpen dat hij lid is van de particuliere Kerk waarin hij geïncardineerd is ofwel opgenomen met een tegelijk juridische, geestelijke en pastorale band. Dat bewustzijn veronderstelt en ontplooid de bijzondere liefde voor de eigen Kerk, die immers het levend een blijvende einddoel is van de herderlijke liefde welke het leven van de priester moet vergezellen en hem voert tot het delen van de geschiedenis of van de levenservaring van die Kerk in haar rijkdom en broosheid, in haar moeilijkheden en verwachtingen, tot het weken voor haar groei. De priester moet zich dus verrijkt voelen door de particuliere Kerk en tegelijk actief ingezet voor haar opbouw, terwijl hij, iedere priester afzonderlijk en met de andere priesters samen, de pastorale werkzaamheid voortzet welke de medebroeders die hem voorafgegaan zijn, heeft gekenmerkt. Een onontkoombare eis van de herderlijke liefde voor de eigen Kerk en voor haar toekomstige dienstwerk is de zorg die de priester moet hebben om iemand te vinden die hem, om zo te zeggen, zal vervangen in het priesterschap.

In zijn bewustzijn van de gemeenschap tussen de verschillende particuliere kerken moet de priester een gemeenschap doen rijpen welke geworteld is in het feit dat zij kerken zijn die ter plaatse de enige universele Kerk van Christus verwezenlijken. Dat besef van interkerkelijke gemeenschap zal de "uitwisseling van de gaven" begunstigen, te beginnen bij de levende en persoonlijke gaven die de priesters zelf zijn. Vandaar de bereidheid, ja, de edelmoedige inzet voor de verwerkelijking van een billijke verdeling van de geestelijkheid. Vgl. Congregatie voor de Clerus, Richtlijnen voor de bevordering van de wederkerige samenwerking van particuliere kerken en speciaal voor een meer geschikte verdeling van de geestelijkheid, Postquam Apostoli (25 mrt 1980) Daarbij moet men denken aan die particuliere kerken "die van hun vrijheid beroofd zijn en geen roepingen kunnen hebben", en ook aan de "kerken die kortgeleden uit de vervolging gekomen zijn, en aan de kerken die nog de hulp nodig hebben welke reeds lang en door velen met grootmoedigheid en broederlijkheid verleend is en nog verleend wordt". Bisschoppensynodes, Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, 39

Binnen de kerkgemeenschap is de priester in het bijzonder geroepen om, in zijn permanente vorming, te groeien in en met de eigen priesterschap in vereniging met de bisschop. De priesterschap is in haar volle waarheid een mysterium, een bovennatuurlijke werkelijkheid, omdat zij geworteld is in het sacrament van het priesterschap dat er de bron, de oorsprong van is. Het is de "plaats" van de geboorte en de groei ervan. "Door middel van het sacrament van het priesterschap zijn de priesters door een persoonlijke en onverbrekelijke band verbonden met Christus, de enige Priester. Het priesterschap wordt aan hen als enkelingen gegeven, maar zij zijn opgenomen in de gemeenschap van de priesterschap, die met de bisschop verbonden is." 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 28 Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over het leven en dienst van de priester, Presbyterorum Ordinis (7 dec 1965), 7-8 Bisschoppensynodes, Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, 34

Deze sacramentele oorsprong wordt weerspiegeld en verlengd in het kader van de uitoefening van het priesterambt: van het mysterium naar het ministerium. "De eenheid van de priesters met de bisschop en onder elkaar wordt niet van buiten af toegevoegd aan de eigen natuur van hun dienst, maar is uitdrukking van het wezen daarvan, daar hij de zorg is van Christus-Priester voor het volk dat bijeengebracht is door de eenheid van de allerheiligste Drie-eenheid". Bisschoppensynodes, Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, 34 De eenheid van de priester in de geest van herderlijke liefde maakt hen tot getuigen van Jezus Christus, die tot de Vader gebeden heeft dat "zij allen één mogen zijn" (Joh. 17, 21).

De fysionomie van de priesterschap is dus die van een echte familie, van een broederschap waarvan de banden niet uit vlees en bloed zijn maar uit de genade van het priesterschap. Een genade die de menselijke, psychologische, affectieve, vriendschappelijke en geestelijke banden tussen de priesters opneemt en verheft. Een genade die zich uitstrekt tot de meest verschillende vormen van wederzijdse hulp, niet alleen materiële maar ook geestelijke, en daarin doordringt en zich uit en concretiseert. De priesterlijke broederlijkheid sluit niemand uit, maar mag en moet een voorkeur hebben, namelijk de evangelische voorkeur voor wie meer behoefte heeft aan hulp of bemoediging. Die broederlijkheid "bekommert zich speciaal om jonge priesters, houdt een hartelijk en broederlijke dialoog met de priesters van middelbare en oudere leeftijd en met de priesters die om verschillende redenen moeilijkheden ondervinden. Ook de priesters die deze levensvorm verlaten hebben of niet volgen, laat zij niet alleen niet in de steek maar omringt zij nog meer met broederlijke zorg". Bisschoppensynodes, Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, 34

De priesterreligieuzen die in een particuliere Kerk wonen en werken maken op een andere titel ook deel uit van de enige priesterschap. Hun aanwezigheid vormt een verrijking voor alle priesters en hun verschillende bijzonder charisma's, die een oproep zijn aan de priesters om te groeien in het begrijpen van het priesterschap zelf, dragen bij tot het stimuleren en begeleiden van de permanente vorming van de priesters. Wanneer de gave van het kloosterleven in het diocesane bestel vergezeld gaat van oprechte waardering en juiste eerbied voor de bijzondere kenmerken van ieder instituut en van ieder spiritualiteit, verbreedt zij de horizon van het christelijk getuigenis en draagt zij op verschillende wijze bij tot de verrijking van de priesterlijke spiritualiteit, vooral met betrekking tot de goede verhouding en de wederkerige invloed tussen de waarden van de particuliere Kerk en de waarden van de algemeenheid van het volk Gods. Hunnerzijds zullen de religieuzen ervoor zorgen een geest van echte kerkelijke gemeenschap te waarborgen alsmede een hartelijke deelname aan de weg die het bisdom gaat en aan de pastorale keuzen van de bisschop, terwijl zij gaarne hun eigen charisma ter beschikking stellen tot aller stichting in liefde. Vgl. Bisschoppensynodes, Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, 38 Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over het leven en dienst van de priester, Presbyterorum Ordinis (7 dec 1965), 1 Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over de priesteropleiding, Optatam Totius Ecclesiae (28 okt 1965), 1 Vgl. Congregatie v d Inst v h Gewijde Leven en de Sociƫten Apost Leve, Richtlijnen voor de wederzijdse betrekkingen tussen de bisschoppen en de religieuzen in de Kerk, Mutuae relationes (14 mei 1978), 2.10

In het kader van de Kerk als gemeenschap en van de priesterschap kan men tenslotte beter het hoofd bieden aan het probleem van de eenzaamheid van de priester, waarbij de Synodevaders stil gestaan hebben. Er is een eenzaamheid die deel uitmaakt van de ervaring van allen en die volstrekt normaal is. Maar er is ook een eenzaamheid die uit allerlei mogelijkheden voorkomt en op haar beurt verdere moeilijkheden oproept. Wat dit betreft "zijn de actieve deelname aan de diocesane priesterschap, de geregelde contacten met de bisschop en de andere priesters, de wederzijdse samenwerking, het gemeenschappelijke of broederlijke leven tussen de priesters, alsmede de hartelijke omgang met de leken-gelovigen die actief zijn in de parochies, zeer nuttige middelen om de negatieve gevolgen van de eenzaamheid, die de priester soms kan ondervinden, te overwinnen". Bisschoppensynodes, Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, 35

Maar de eenzaamheid schept niet alleen moeilijkheden. Zij biedt ook positieve kansen voor het priesterleven. "Als de eenzaamheid aanvaard wordt in een geest van offervaardigheid en gezocht wordt in de vertrouwelijkheid met de Heer Jezus Christus, kan zij een geschikte gelegenheid zijn voor gebed en studie en ook een hulp voor de heiliging en de menselijke groei". Bisschoppensynodes, Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, 35 Zonder te vergeten dat een zekere vorm van eenzaamheid een noodzakelijke element is voor de permanente vorming. Jezus wist zich vaak alleen af te zonderen om te bidden Vgl. Mt. 14, 23 . Het vermogen om een goede eenzaamheid te verdragen is een onmisbare voorwaarde voor de verzorging van het innerlijk leven. Het gaat om een eenzaamheid waarin de Heer tegenwoordig is, die ons in het licht van de Geest in contact brengt met de Vader. In dit opzicht zijn de zorg voor stilte en het zoeken van de ruimte en de tijd van de "woestijn" noodzakelijk voor de permanente vorming zowel op intellectueel als op geestelijk en pastoraal gebied. In deze zin kan men zeggen dat wie niet goed in eenzaamheid weet te leven, niet in staat is tot echte broederlijke gemeenschap.

Document

Naam: PASTORES DABO VOBIS
N.a.v. de Bisschoppensynode over de priesteropleidingen
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Postsynodale Apostolische Exhortatie
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 25 maart 1992
Copyrights: © 1992, Stg. R.K. Voorlichting, Oegstgeest
Colomba
Tekst wordt nog verder gecontroleerd
Bewerkt: 29 november 2017

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam