• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
"Vergeet niet het vuur aan te wakkeren van Gods genade die in u is" (2 Tim. 1, 6).

De woorden van de apostel Paulus aan bisschop Timoteüs kunnen met recht toegepast worden op de permanente vorming waartoe alle priesters geroepen zijn krachtens de "gave Gods" die zij door de heilige wijding ontvangen hebben. Zij voeren ons naar het begrijpen van de gehele waarheid en de onmiskenbare oorspronkelijkheid van de permanente vorming van de priesters. Daarbij worden wij ook geholpen door een andere tekst van Paulus die eveneens aan Timoteus schrijft: "Verwaarloos de genadegave niet die in u is en die u krachtens een profetenwoord werd geschonken onder handoplegging van de gezamenlijke presbyters. Neem dit alles ter harte, ga er geheel in op, dan zullen uw vorderingen voor allen zichtbaar zijn. Blijf voortdurend zorg besteden aan uzelf en aan uw onderricht. Zodoende redt gij uzelf en hen die naar u luisteren". (1 Tim. 4, 14-16)

De apostel Paulus vraagt aan Timoteüs om het vuur van Gods genade "aan te wakkeren" of feller te doen branden, zoals men doet met het vuur onder de as, in deze zin dat men de genade aanneemt en eruit leeft zonder ooit de "blijvende nieuwheid" te verliezen of te vergeten welke eigen is aan iedere gave van God, van Hem die alles nieuw maakt Vgl. Openb. 21, 5 , en dat men dus leeft in de onvergankelijke frisheid en oorspronkelijke schoonheid ervan.

Maar dat "aanwakkeren" is niet alleen het resultaat van een taak die toevertrouwd is aan de persoonlijke verantwoordelijkheid van Timoteüs, van een inspanning van zijn geheugen en wil. Het is de uitwerking van een genadekracht die intrinsiek is aan Gods gave. Het is dus God zelf die het vuur van zijn gave aanwakkert of beter heel de buitengewone rijkdom van genade en verantwoordelijkheid doet opvlammen welke in de gave opgesloten ligt.

Door de sacramentele uitstorting van de heilige Geest, die wijdt en zendt, wordt de priester gelijkvormig gemaakt aan Jezus Christus, Hoofd en Herder van de Kerk, en gezonden om het pastorale dienstwerk te verrichten. Zo wordt de priester voor altijd en op onuitwisbare wijze in zijn wezen gemerkt als dienaar van Jezus en de Kerk, geplaatst in een blijvende en onomkeerbare levenssituatie en belast met een pastorale taak die, geworteld in zijn wezen, heel zijn bestaan omvat en ook blijvend is. Het Sacrament van het priesterschap verleent aan de priester de sacramentele genade, die hem niet allen deelachtig maakt aan de heils- "macht" en het heils- "werk" van Jezus, maar ook aan zijn "liefde". Tegelijk verzekert het aan de priester al die actuele genaden welke hem gegeven zullen worden telkens als zij noodzakelijk en nuttig zullen zijn voor de waardige en volmaakte vervulling van het ambt dat hij ontvangen heeft.

De permanente vorming vindt zo haar eigenlijke grondslag en haar oorspronkelijke motivering in de dynamiek van het Sacrament van het priesterschap. Er zijn zeker ook eenvoudig menselijke redenen die de priester aansporen tot een blijvende vorming. Deze is een eis van de progressieve zelfverwerkelijking. Ieder leven is een ononderbroken opgang naar de rijpheid, welke via de voortdurende vorming loopt, Zij is bovendien een eis van het priesterlijk dienstwerk, ook als dit genomen wordt in zijn generieke natuur welke het gemeen heeft met de andere beroepen, dus als dienst aan de anderen. Er is nu geen beroep of taak of werk dat niet een voortdurend aggiornamento vraagt als het actueel en doeltreffend wil blijven. De eis om "gelijke tred te houden" met de gang van de geschiedenis is een andere menselijke reden die de permanente vorming wettigt.

Maar deze en andere redenen worden opgenomen en gespecificeerd door de genoemde theologische redenen, die verder uit te werken zijn.

Het Sacrament van het priesterschap kan vanwege zijn aard van "teken", die alle sacramenten eigen is, als woord van God gezien worden. Het is werkelijk Gods woord, het woord van God die roept en zendt. Het is de meest sterke expressie van de roeping en de zending van de priester. Door het Sacrament van het priesterschap roept God de kandidaat "tot" het priesterschap coram Ecclesia. Het "kom en volg mij" van Jezus wordt ten volle en definitief uitgesproken in de viering van het sacrament van zijn Kerk. Het wordt uitgedrukt en meegedeeld door middel van de stem van de Kerk, welke weerklinkt uit de mond van bisschop die bidt en de handen oplegt. En de priester geeft in geloof antwoord op de roeping door Jezus: "Ik kom en ik volg U".

Van dat ogenblik af begint het antwoord dat als fundamentele keuze in de loop van de jaren van het priesterschap steeds opnieuw uitgedrukt en bevestigd moet worden in talrijke andere antwoorden, die alle geworteld zijn in het "ja" van het priesterschap en daardoor opgewekt worden.

In deze zin kan men spreken van een roeping "in" het priesterschap. In felle blijft God roepen en zenden, zijn plan van heil openbarend in de historische ontwikkeling van het leven van de priester en van gebeurtenissen van de Kerk en van de maatschappij. Juist in dit perspectief blijkt de betekenis van de permanente vorming. Zij is nodig om de roeping of wil van God voortdurend te onderkennen en te volgen. Zo werd de apostel Petrus geroepen om Jezus te volgen ook nadat de Verrezene hem de kudde had toevertrouwd. "Jezus zei Hem: 'Weid mijn schapen. Voorwaar, voorwaar, Ik zeg U: toen ge jong waart, deelt ge zelf uw gordel om en ging waarheen ge wilde, maar wanneer ge oud zijt, zult ge uw handen uitstrekken, een ander zal u omgorden en u brengen waarheen ge niet wilt'. Hiermede zinspeelde Hij op de dood waardoor hij God zou verheerlijken. En na deze woorden zei Hij hem: 'Volg Mij'" (Joh. 21, 17-19). Er is dus een "volg Mij" dat het leven en de zending van de apostel vergezelt. Het is een "volg Mij" dat de oproep tot en de eis van de trouw tot aan de dood Vgl. Joh. 21, 22 uitgedrukt; en "volg Mij" dat een volgen van Christus kan betekenen door de volledige zelfgave in de marteldood. Vgl. H. Thomas van Aquino, Expositio in evangelium Joannis. 123, S

De Synodevaders hebben de reden die de noodzaak van de permanente vorming aantoont en er tegelijk de diepe aard van openbaart, uitgedrukt door haar te karakteriseren als "trouw" aan het priesterambt en als "proces van voortdurende bekering". Vgl. Bisschoppensynodes, Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, 31 Het is de heilige Geest, uitgestort door het sacrament, die de priester steun in deze trouw en hem begeleidt en aanspoort op de weg van onophoudelijke bekering. De gave van de Geest ontslaat de priester niet van zijn vrijheid, maar stimuleert deze, opdat hij op verantwoordelijke wijze meewerkt en de permanente vorming op zich neemt als een hem toevertrouwde taak. Op deze wijze is de permanente vorming uitdrukking en eis van de trouw van de priester aan zijn ambt, ja, aan zijn eigen wezen zelf. Zij is dus liefde voor Jezus Christus en overeenstemmen met zichzelf. Maar zij is ook een daad van liefde voor het volk Gods in dienst waarvan de priester is gesteld. Zij is een daad van echte en eigenlijke rechtvaardigheid. De priester is schuldenaar van het volk Gods, want hij is geroepen om het "recht" te erkennen en te bevorderen, het fundamentele recht dat het volk Gods heeft op het woord van God, de sacramenten en de dienst van de liefde, welke de oorspronkelijke en onvervreemdbare inhoud zijn van het pastorale dienstwerk van de priester,. De permanente vorming nodig opdat de priester in staat zal zijn op de verschuldigde wijze te antwoorden op dat recht van het volk Gods.

Ziel en vorm van de permanente vorming van de priester is de herderlijke liefde. De heilige Geest, die de herderlijke liefde instort, leidt en begeleidt de priester om een steeds diepere kennis te verwerven van het mysterie van Christus, dat ondoorgrondelijk is in zijn rijkdom Vgl. Ef. 3, 1. vv. en, indirect, om de kennis van het mysterie van het christelijk priesterschap te verwerven. De herderlijke liefde spoort de priester aan om steeds beter de verwachtingen, noden, problemen en gevoeligheden te leren kennen van degenen voor wie zijn dienstwerk bestemd is, in hun concrete situaties: de persoonlijke situaties, de gezinssituaties en de maatschappelijke situaties.

Dat alles beoogt de permanente vorming, in de zin van een bewust en vrij aanbod aan de dynamiek van de herderlijke liefde en van de heilige Geest, die er de eerste bron van is en haar voortdurend voedt. In deze zin is de permanente vorming een intrinsieke eis van de gave en van de sacramentele taak die de priester ontvangen heeft, en blijkt zij te allen tijde noodzakelijk. Maar zij blijkt nu bijzonder dringend, niet alleen vanwege de snelle verandering van de maatschappelijke en culturele omstandigheden van de mensen en volken onder wie het priesterlijk dienstwerk verricht wordt, maar ook vanwege de "nieuwe evangelisatie", welke de wezenlijke taak van de Kerk vormt op het einde van het tweede christelijk millennium, een taak die niet uitgesteld kan worden.

De permanente vorming zowel van de diocesane als van de religieuze priesters is de natuurlijke en absoluut noodzakelijke voortzetting van het proces van structurering van de persoonlijkheid van de priester dat begonnen is en zich ontwikkeld heeft in het seminarie of in het klooster langs de weg van de vorming met het oog op de priesterwijding.

Het is van bijzonder belang de innerlijke band tussen de vorming die voorafgaat aan de priesterwijding en de vorming die erop volgt te zien en te respecteren. Als er een breuk of zelfs een tegenstelling was tussen die twee fasen van de vorming, zouden daaruit onmiddellijk ernstige gevolgen voortvloeien voor de pastorale activiteit en voor de broederlijke gemeenschap, vooral tussen de priesters van verschillende leeftijd. De permanente vorming is niet een herhaling van de vorming die op het seminarie ontvangen is en die eenvoudig herzien zou zijn of uitgebreid met nieuwe praktische suggesties. Zij geschiedt met een inhoud en vooral met methoden die relatief nieuw zijn, als een vitale en eenmakende werkelijkheid die weliswaar haar wortels in de seminarieopleiding heeft, maar voor haar voortgang aanpassingen en wijzigingen vraagt, zonder echter de continuïteit of onderbreken of op te heffen.

Omgekeerd moet de toekomstige permanente vorming reeds op het grootseminarie voorbereid worden en moeten de geest en het verlangen van de toekomstige priesters ervoor opengesteld worden door er de noodzaak, de voordelen en de geest van aan te tonen en door de voorwaarden voor de verwerkelijking ervan te verzekeren.

Juist omdat de permanente vorming een voortzetting is van de vorming in het seminarie, kan het doel ervan niet een louter om zo te zeggen professionele houding zijn die verkregen zou worden door het aanleren van bepaalde nieuwe pastorale technieken. Zij moet verleer een algemeen en integraal proces van voortdurende rijping in stand houden, door middel van de verdieping zowel van elk van de dimensies van de vorming -de menselijke, geestelijke, intellectuele en pastorale dimensies- als van de innerlijke en levende specifieke band daartussen, vanuit de herderlijke liefde en in betrekking daarmee.

Een eerste fase van verdieping betreft de menselijke dimensie van de priesterlijke vorming. In het dagelijks contact met de mensen, in het delen van hun dagelijks leven moet de priester die menselijke gevoeligheid vergroten en verdiepen welke hem in staat stelt om de noden te begrijpen en de eisen te vatten, de onuitgesproken vragen aan te voelen, de hoop en de verwachting, de vreugde en de moeite van het gewone leven te delen; om bekwaam te zijn voor de ontmoeting en de dialoog met allen. Vooral door het kennen en delen, d.w.z. door het zich eigen maken, van de menselijke ervaring van het lijden in zijn veelvoudige vormen van nooddruft, ziekte, marginaliteit, onwetendheid, eenzaamheid, materiële en morele armoede, verrijkt de priester zijn eigen mens-zijn en maakt hij het meer authentiek en transparant in een groeiende en vurige liefde voor de mens.

Om zijn menselijke vorming tot rijpheid te brengen ontvangt de priester een bijzondere genadehulp van Jezus Christus. De liefde van de goede Herder heeft zich niet alleen uitgedrukt in de gave van het heil aan de mensen maar ook in het delen van hun leven, waarvan het Woord dat vlees geworden is Vgl. Joh. 1, 14 de vreugde en het lijden heeft willen kennen, de kwellingen willen ervaren, de emoties willen delen, de start willen verrichten. Als mens levend onder de mensen en met de mensen biedt Jezus de meest absolute, echte en volmaakte uitdrukking van menselijkheid. Wij zien Hem feestvieren te Kana, omgaan met een bevriende familie, diep medelijden hebben met de hongerige menigte die Hem volgt, zieke of gestorven kinderen aan hun ouders teruggeven, wenen over het verlies van Lazarus...

Het volk Gods moet van de priester die steeds meer gerijpt is in zijn menselijke gevoeligheid iets dergelijks kunnen zeggen als de schrijver van de brief aan de Hebreeën van Jezus zegt: "Wij hebben een hogepriester die in staat is mee te voelen met onze zwakheden; Hij werd zelf op allerlei manieren op de proef gesteld, precies zoals wij, afgezien van de zonde" (Heb. 4, 15).

De vorming van de priester in haar geestelijke dimensie is een eis van het nieuwe evangelische leven waartoe hij heilige Geest die uitgestort is in het sacrament van de priesterwijding. Door de priester te wijden en gelijkvormig te maken aan Jezus Christus, Hoofd en Herder, schept de heilige Geest in het wezen zelf van de priester een band met Jezus die vraagt op persoonlijke wijze, d.w.z. bewust en vrij, eigen gemaakt en beleefd te worden door middel van een steeds rijkere gemeenschap van leven en liefde en een steeds grotere en radicale deelname aan de gevoelens en de houdingen van Jezus Christus. In deze ontologische en psychologische, sacramentele en morele band tussen de Heer Jezus en de priester ligt de grondslag tevens de kracht voor het "evangelische radicalisme" waartoe iedere priester geroepen is en die bevorderd worden door de permanente vorming in haar geestelijk aspect. Deze vorming blijkt ook noodzakelijk met het oog op het priesterlijk dienstwerk, op de echtheid en de geestelijke vruchtbaarheid ervan. "Oefent u de zielzorg uit?", vroeg de heilige Carolus Borromeus. En hij antwoordde als volgt in zijn toespraak tot de priesters: "Vergeet daarom niet de zorg voor uzelf en geef uzelf niet zo aan de anderen dat er niets van uzelf voor uzelf overblijft. U moet zeker aan de zielen denken van wie u de herder bent, maar niet uzelf vergeten. Weet, broeders, dat niets zo noodzakelijk is voor kerkelijke personen als de meditatie die al ons handelen voorafgaat, vergezelt en volgt. Ik zal zingen en mediteren, zegt de psalmist Vgl. Ps. 101, 1 . Als u de Sacramenten toedient, broeder, overweeg dan wat u doet. Als u de mis celebreert, overweg dan tot wie u spreekt. Als u de zielen leidt, overweeg dan door welk bloed zij gewassen zijn. En "laat alles bij u gebeuren met liefde" (1 Kor. 16, 14). Zo zullen wij de moeilijkheden kunnen overwinnen die wij ontmoeten en die iedere dag talrijk zijn. Dat wordt trouwens vereist door de taak die ons is toevertrouwd. Als wij zo zullen doen, dan zullen wij de kracht hebben om Christus in onszelf en in de anderen voort te brengen". H. Carolus Borromeus, Acta Ecclesiae Mediolanensis. Milan 1599, 1178

Speciaal het gebedsleven moet voortdurend "hervormd" worden in de priester. De ervaring leert namelijk dat men in het gebed niet van de rente kan leven. Het is niet alleen nodig om dagelijks opnieuw de uiterlijke trouw aan de ogenblikken van gebed te heroveren, vooral aan de ogenblikken welke bestemd zijn voor de viering van het getijdengebed, en aan die welke aan de persoonlijke keuze worden overgelaten en niet gedragen worden door de intervallen en uren van de liturgische dienst, maar ook en vooral om voortdurend opnieuw het zoeken van een echt persoonlijke ontmoeting met Jezus, van een vertrouwelijke gesprek met God, van een diepe ervaring van de Geest te voeden.

Wat de apostel Paulus zegt van alle gelovigen, die allen moeten komen "tot de volmaakte man, tot de gehele omvang van de volheid van de Christus" (Ef. 4, 13), kan op specifieke wijze toegepast worden op de priesters die, groepen zijn tot de volmaakte liefde en dus tot de heiligheid, ook omdat hun pastorale dienst wil dat zij levende voorbeelden zijn voor alle gelovigen.

Ook de intellectuele dimensie van de vorming vraagt erom voortgezet en verdiept te worden gedurende heel het leven van de priester, vooral door serieuze en ingespannen studie en cultureel aggiornamento. De priester, die deel heeft aan de profetische zending van Jezus en opgenomen is in het mysterie van de Kerk die lerares is van de waarheid, is geroepen om aan de mensen in Jezus Christus het gelaat van God te openbaren en daarmee het ware gelaat van de mens. Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 22 Maar dit eist dat de priester zelf dat gelaat zoekt en het met verering en liefde beschouwt Vgl. Ps. 26, 7 Vgl. Ps. 41, 2 . Alleen zo kan hij het aan de anderen doen kennen. In het bijzonder blijkt ook de voortzetting van de theologische studie noodzakelijk opdat de priester trouw de dienst van het woord kan vervullen, het zonder verwarringen dubbelzinnigheid kan verkondigen, het kan onderscheiden van de zuiver menselijke opinies, ook al zijn ze wijdbefaamd. Zo zal hij zich werkelijk ten dienste van het volk van God kunnen stellen en het kunnen helpen om rekenschap af te leggen van de christelijke hoop aan wie daarom vragen Vgl. 1 Pt. 3, 15 . Bovendien "is de priester door zich bewust en volhardend te wijden aan de theologiestudie in staat om zich de authentieke rijkdom van de Kerk eigen te maken in een veilige en persoonlijke vorm. Dan kan hij de zending vervullen die hem verplicht een antwoord te vinden voor de moeilijkheden met de authentieke katholieke leer en de neiging -van hemzelf en van anderen- tot afkeuring en een negatieve houding ten opzichte van het leergezag en de traditie te boven komen". Bisschoppensynodes, Instrumentum Laboris Achtste gewone algemene vergadering - ”De vorming van de priesters in de huidige omstandigheden”, 55

Het pastorale aspect van de permanente vorming wordt goed uitgedrukt dor de woorden van de apostel Petrus: "Dient elkaar, als goede beheerders van Gods veelsoortige genade, met de gaven, zoals ieder die heeft ontvangen" (1 Pt. 4, 10). Om iedere dag te leven volgens de genade die hij ontvangen heeft, is het nodig dat de priester zich steeds meer openstelt voor de herderlijke liefde van Jezus Christus, die hem door de Geest van Jezus gegeven is bij het ontvangen van het sacrament. Zoals heel de activiteit van de Heer vrucht en teken was van de herderlijke liefde, zo moet het ook voor de priesterlijke werkzaamheid zijn. de herderlijke liefde is een gave en tegelijk een opgave, een genade en een verantwoordelijkheid waaraan men trouw moet zijn. Het is dus nodig haar aan te nemen en de dynamiek ervan te beleven tot aan de meest radicale eisen. Zoals reeds gezegd, spoort het herderlijke liefde de priester aan en stimuleert zij hem om steeds beter de reële conditie te leren kennen van de mensen tot wie hij gezonden is, om in de historische omstandigheden waarin hij zich bevindt de uitnodigingen van de Geest te onderscheiden, om de meest geschikte methoden en de meest nuttige vormen te zoeken voor de uitoefening van zijn ambt in deze tijd. Zo bezielt en ondersteunt de herderlijke liefde de menselijke inspanningen van de priester voor een pastorale werkzaamheid die actueel, geloofwaardig en doeltreffend is. Maar dat vereist een permanente pastorale vorming.

De weg naar de rijpheid vraagt niet alleen dat de priester de verschillende dimensies van zijn vorming blijft verdiepen, maar ook en vooral dat hij deze dimensies steeds harmonieuzer met elkaar weet te verenigen en geleidelijk de innerlijke eenheid ervan weet te bereiken. Dat zal mogelijk gemaakt worden door de herderlijke liefde, die de diverse aspecten niet alleen coördineert en verenigt, maar ze specificeert en er het kenmerk aan geeft van aspecten van de vorming van de priester als zodanig ofwel van de priester als weerspiegeling, levend beeld en dienaar van Jezus, de goede Herder.

De permanente vorming helpt de priester de verleiding te overwinnen om zijn dienstwerk te reduceren tot een activiteit die doel op zich is, tot een onpersoonlijke verlening van diensten, zij het ook geestelijke of gewijde diensten, tot een ambtenarenfunctie ten dienste van de kerkelijke organisatie. Alleen de permanente vorming helpt de "priester" om met waakzame liefde het "mysterie" te bewaren dat hij in zich draagt voor het welzijn van de Kerk en van de mensheid.

De verschillende elkaar aanvullende dimensies van de permanente vorming helpen ons om de diepere betekenis ervan te begrijpen. Zij streeft ernaar de priester te helpen om te zijn en te handelen als priester in de geest en volgens de stijl van Jezus, de goede Herder.

De waarheid moet gedaan worden! Jakobus waarschuwt ons aldus: "Weest uitvoerders van het woord, en niet alleen toehoorders; dan zoudt gij uzelf bedriegen" (Jak. 1, 22). De priesters Zijn geroepen om "de waarheid" van hun zijn te "doen" ofwel om "in liefde" Vgl. Ef. 4, 15 hun identiteit en hun dienst in en voor de Kerk te verwerkelijken. Zij zijn geroepen om zich steeds levendiger bewust te worden van de gave van God, om steeds daaraan te denken. Dat is de uitnodiging die Paulus tot Timoteus richt: "Bewaar de u toevertrouwde schat met de hulp van de heilige Geest die in ons woont" (2 Tim. 1, 14).

In de meermalen genoemde kerkelijke context kan de diepe betekenis van de permanente vorming van de priester beschouwd worden in betrekking met zijn aanwezigheid en activiteit in de Kerk die mysterium, communio en missio is.

Binnen de Kerk als "mysterie" is de priester geroepen om door middel van de permanente vorming het besef van de gehele wonderlijke waarheid van zijn priester-zijn te bewaren en te ontwikkelen: hij is helper van Christus en beheerder van de goddelijke geheimen Vgl. 1 Kor. 4, 1 . Paulus vraagt uitdrukkelijk aan de Christenen hem te zien volgens deze identiteit. Maar hij leeft zelf als eerste in het bewustzijn van de sublieme gave die hij van de Heer ontvangen heeft. Zo moet het met iedere priester zijn als hij in de waarheid van zijn priesterzijn wil blijven. Maar dat is alleen in geloof mogelijk, alleen met de blik en de ogen van Christus. Men kan zeggen dat de permanente vorming wil bewerken dat de priester een gelovige is en het steeds meer wordt, dat hij zichzelf steeds in zijn waarheid ziet, met de ogen van Christus. Hij moet deze waarheid met dankbare en blijde liefde bewaren. Hij moet zijn geloof vernieuwen als hij zijn priesterambt uitoefent, zich helper van Jezus Christus voelen, sacrament van de liefde van God voor de mens, telkens als hij bemiddelaar en levend werktuig is van het verlenen van Gods genade aan de mensen. Hij moet dezelfde waarheid in zijn medebroeders herkennen. Dat is het beginsel van de achting en de liefde voor de andere priesters.

Binnen de Kerk als "gemeenschap" helpt de permanente vorming de priester om het besef te doen rijpen dat zijn dienstwerk er uiteindelijk op gericht is het gezin van God bijeen te brengen als een door liefde bezielde broederschap en het door Christus in de heilige Geest naar de Vader te leiden. Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over het leven en dienst van de priester, Presbyterorum Ordinis (7 dec 1965), 6 De priester moet groeien in het bewustzijn van de diepe gemeenschap die hem verbindt met het volk van God. Hij staat niet alleen "voor" de Kerk, maar vooral "in" de Kerk. Hij is broeder onder broeders. Door het Doopsel dat hem onderscheiden heeft met de waardigheid en de vrijheid van de kinderen Gods in de eniggeboren Zoon, is de priester lid van één en hetzelfde lichaam van Christus Vgl. Ef. 4, 16 . Het besef van die gemeenschap mondt uit in de behoefte om de medeverantwoordelijkheid op te wekken en te ontwikkelen in de gemeenschappelijke en enige heilszending, door bereidwillig en hartelijk alle charisma's en taken die de Geest aan de gelovigen geeft voor de opbouw van de Kerk naar waarde te schatten. Het is vooral in de vervulling van zijn pastorale dienst, die van nature gericht is op het welzijn van het volk van God, dat de priester zijn diepe gemeenschap met allen moet beleven en betuigen, zoals Paulus VI heeft geschreven: "Wij moeten broeders van de mensen worden in de daad zelf waarmee wij hun herders, vaders en meesters willen zijn. De sfeer van de dialoog is de vriendschap, ja, de dienst". H. Paus Paulus VI, Encycliek, Over de Kerk, Ecclesiam Suam (6 aug 1964), 87 De priester is op specifieke wijze geroepen het besef te doen rijpen dat hij lid is van de particuliere Kerk waarin hij geïncardineerd is ofwel opgenomen met een tegelijk juridische, geestelijke en pastorale band. Dat bewustzijn veronderstelt en ontplooid de bijzondere liefde voor de eigen Kerk, die immers het levend een blijvende einddoel is van de herderlijke liefde welke het leven van de priester moet vergezellen en hem voert tot het delen van de geschiedenis of van de levenservaring van die Kerk in haar rijkdom en broosheid, in haar moeilijkheden en verwachtingen, tot het weken voor haar groei. De priester moet zich dus verrijkt voelen door de particuliere Kerk en tegelijk actief ingezet voor haar opbouw, terwijl hij, iedere priester afzonderlijk en met de andere priesters samen, de pastorale werkzaamheid voortzet welke de medebroeders die hem voorafgegaan zijn, heeft gekenmerkt. Een onontkoombare eis van de herderlijke liefde voor de eigen Kerk en voor haar toekomstige dienstwerk is de zorg die de priester moet hebben om iemand te vinden die hem, om zo te zeggen, zal vervangen in het priesterschap.

In zijn bewustzijn van de gemeenschap tussen de verschillende particuliere kerken moet de priester een gemeenschap doen rijpen welke geworteld is in het feit dat zij kerken zijn die ter plaatse de enige universele Kerk van Christus verwezenlijken. Dat besef van interkerkelijke gemeenschap zal de "uitwisseling van de gaven" begunstigen, te beginnen bij de levende en persoonlijke gaven die de priesters zelf zijn. Vandaar de bereidheid, ja, de edelmoedige inzet voor de verwerkelijking van een billijke verdeling van de geestelijkheid. Vgl. Congregatie voor de Clerus, Richtlijnen voor de bevordering van de wederkerige samenwerking van particuliere kerken en speciaal voor een meer geschikte verdeling van de geestelijkheid, Postquam Apostoli (25 mrt 1980) Daarbij moet men denken aan die particuliere kerken "die van hun vrijheid beroofd zijn en geen roepingen kunnen hebben", en ook aan de "kerken die kortgeleden uit de vervolging gekomen zijn, en aan de kerken die nog de hulp nodig hebben welke reeds lang en door velen met grootmoedigheid en broederlijkheid verleend is en nog verleend wordt". Bisschoppensynodes, Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, 39

Binnen de kerkgemeenschap is de priester in het bijzonder geroepen om, in zijn permanente vorming, te groeien in en met de eigen priesterschap in vereniging met de bisschop. De priesterschap is in haar volle waarheid een mysterium, een bovennatuurlijke werkelijkheid, omdat zij geworteld is in het sacrament van het priesterschap dat er de bron, de oorsprong van is. Het is de "plaats" van de geboorte en de groei ervan. "Door middel van het sacrament van het priesterschap zijn de priesters door een persoonlijke en onverbrekelijke band verbonden met Christus, de enige Priester. Het priesterschap wordt aan hen als enkelingen gegeven, maar zij zijn opgenomen in de gemeenschap van de priesterschap, die met de bisschop verbonden is." 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 28 Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over het leven en dienst van de priester, Presbyterorum Ordinis (7 dec 1965), 7-8 Bisschoppensynodes, Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, 34

Deze sacramentele oorsprong wordt weerspiegeld en verlengd in het kader van de uitoefening van het priesterambt: van het mysterium naar het ministerium. "De eenheid van de priesters met de bisschop en onder elkaar wordt niet van buiten af toegevoegd aan de eigen natuur van hun dienst, maar is uitdrukking van het wezen daarvan, daar hij de zorg is van Christus-Priester voor het volk dat bijeengebracht is door de eenheid van de allerheiligste Drie-eenheid". Bisschoppensynodes, Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, 34 De eenheid van de priester in de geest van herderlijke liefde maakt hen tot getuigen van Jezus Christus, die tot de Vader gebeden heeft dat "zij allen één mogen zijn" (Joh. 17, 21).

De fysionomie van de priesterschap is dus die van een echte familie, van een broederschap waarvan de banden niet uit vlees en bloed zijn maar uit de genade van het priesterschap. Een genade die de menselijke, psychologische, affectieve, vriendschappelijke en geestelijke banden tussen de priesters opneemt en verheft. Een genade die zich uitstrekt tot de meest verschillende vormen van wederzijdse hulp, niet alleen materiële maar ook geestelijke, en daarin doordringt en zich uit en concretiseert. De priesterlijke broederlijkheid sluit niemand uit, maar mag en moet een voorkeur hebben, namelijk de evangelische voorkeur voor wie meer behoefte heeft aan hulp of bemoediging. Die broederlijkheid "bekommert zich speciaal om jonge priesters, houdt een hartelijk en broederlijke dialoog met de priesters van middelbare en oudere leeftijd en met de priesters die om verschillende redenen moeilijkheden ondervinden. Ook de priesters die deze levensvorm verlaten hebben of niet volgen, laat zij niet alleen niet in de steek maar omringt zij nog meer met broederlijke zorg". Bisschoppensynodes, Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, 34

De priesterreligieuzen die in een particuliere Kerk wonen en werken maken op een andere titel ook deel uit van de enige priesterschap. Hun aanwezigheid vormt een verrijking voor alle priesters en hun verschillende bijzonder charisma's, die een oproep zijn aan de priesters om te groeien in het begrijpen van het priesterschap zelf, dragen bij tot het stimuleren en begeleiden van de permanente vorming van de priesters. Wanneer de gave van het kloosterleven in het diocesane bestel vergezeld gaat van oprechte waardering en juiste eerbied voor de bijzondere kenmerken van ieder instituut en van ieder spiritualiteit, verbreedt zij de horizon van het christelijk getuigenis en draagt zij op verschillende wijze bij tot de verrijking van de priesterlijke spiritualiteit, vooral met betrekking tot de goede verhouding en de wederkerige invloed tussen de waarden van de particuliere Kerk en de waarden van de algemeenheid van het volk Gods. Hunnerzijds zullen de religieuzen ervoor zorgen een geest van echte kerkelijke gemeenschap te waarborgen alsmede een hartelijke deelname aan de weg die het bisdom gaat en aan de pastorale keuzen van de bisschop, terwijl zij gaarne hun eigen charisma ter beschikking stellen tot aller stichting in liefde. Vgl. Bisschoppensynodes, Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, 38 Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over het leven en dienst van de priester, Presbyterorum Ordinis (7 dec 1965), 1 Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over de priesteropleiding, Optatam Totius Ecclesiae (28 okt 1965), 1 Vgl. Congregatie v d Inst v h Gewijde Leven en de Sociëten Apost Leve, Richtlijnen voor de wederzijdse betrekkingen tussen de bisschoppen en de religieuzen in de Kerk, Mutuae relationes (14 mei 1978), 2.10

In het kader van de Kerk als gemeenschap en van de priesterschap kan men tenslotte beter het hoofd bieden aan het probleem van de eenzaamheid van de priester, waarbij de Synodevaders stil gestaan hebben. Er is een eenzaamheid die deel uitmaakt van de ervaring van allen en die volstrekt normaal is. Maar er is ook een eenzaamheid die uit allerlei mogelijkheden voorkomt en op haar beurt verdere moeilijkheden oproept. Wat dit betreft "zijn de actieve deelname aan de diocesane priesterschap, de geregelde contacten met de bisschop en de andere priesters, de wederzijdse samenwerking, het gemeenschappelijke of broederlijke leven tussen de priesters, alsmede de hartelijke omgang met de leken-gelovigen die actief zijn in de parochies, zeer nuttige middelen om de negatieve gevolgen van de eenzaamheid, die de priester soms kan ondervinden, te overwinnen". Bisschoppensynodes, Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, 35

Maar de eenzaamheid schept niet alleen moeilijkheden. Zij biedt ook positieve kansen voor het priesterleven. "Als de eenzaamheid aanvaard wordt in een geest van offervaardigheid en gezocht wordt in de vertrouwelijkheid met de Heer Jezus Christus, kan zij een geschikte gelegenheid zijn voor gebed en studie en ook een hulp voor de heiliging en de menselijke groei". Bisschoppensynodes, Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, 35 Zonder te vergeten dat een zekere vorm van eenzaamheid een noodzakelijke element is voor de permanente vorming. Jezus wist zich vaak alleen af te zonderen om te bidden Vgl. Mt. 14, 23 . Het vermogen om een goede eenzaamheid te verdragen is een onmisbare voorwaarde voor de verzorging van het innerlijk leven. Het gaat om een eenzaamheid waarin de Heer tegenwoordig is, die ons in het licht van de Geest in contact brengt met de Vader. In dit opzicht zijn de zorg voor stilte en het zoeken van de ruimte en de tijd van de "woestijn" noodzakelijk voor de permanente vorming zowel op intellectueel als op geestelijk en pastoraal gebied. In deze zin kan men zeggen dat wie niet goed in eenzaamheid weet te leven, niet in staat is tot echte broederlijke gemeenschap.

De permanente vorming is bestemd om in de priester het bewustzijn dat hij deelneemt aan de heilszending van de Kerk te doen groeien. In de Kerk als "zending" is de permanente vorming van de priester niet alleen een noodzakelijke voorwaarde voor de zending maar ook een onmisbaar middel om voortdurend het missionaire besef aan te wakkeren en een trouwe en edelmoedige verwerkelijking van de zending te garanderen. Door die vorming wordt de priester geholpen zich bewust te zijn van heel de ernst maar ook van de prachtige genade van een verplichting die hem niet met rust mag laten. Zoals Paulus moet hij kunnen zeggen: "Dat ik het Evangelie predik, is voor mij geen reden om te roemen: ik kan niet anders. Wee mij, als ik het Evangelie niet verkondig!" (1 Kor. 9, 16). Anderzijds wordt de priester door die vorming geholpen zich bewust te zijn van een expliciete of impliciete vraag welke onweerstaanbaar van de mensen komt die door God onvermoeibaar tot het heil geroepen wordt. Alleen een adequate permanente vorming slaagt erin de priester te steunen in wat wezenlijk en beslissend is voor zijn dienstwerk ofwel in de trouw zijn, ondanks de meest verschillende moeilijkheden die hij tegenkomt, ook in de lastigste omstandigheden of in een situatie van begrijpelijke vermoeidheid. Het getuigenis van Paulus moet een voorbeeld en stimulans zijn voor iedere priester: "Wij geven niemand enige aanstoot", schrijft hij aan de Christenen van Korinte, "om ons ambt niet in opspraak te brengen. In alle omstandigheden proberen wij ons te gedragen als dienaars van God door het standvastig verduren van ontberingen, nood en ellende: slagen, gevangenschap, oproer, oververmoeidheid, gebrek aan slaap, te weinig eten. Onze aanbeveling is: zuiverheid, inzicht, geduld, goedheid, een geest van heiligheid en ongeveinsde liefde, het woord van de waarheid, de kracht van God zelf. Wij strijden en verweren ons met geestelijk wapens. Eer en smaad, lof en laster zijn ons deel; wij zijn de bedriegers die de waarheid spreken, de onbekenden die iedereen kent; wij sterven maar blijven leven, wij worden getuchtigd naar niet terechtgesteld; wij treuren maar zijn altijd blij; wij zijn berooid en maken velen rijk, haveloos en de wereld is van ons" (2 Kor. 6, 3-10).
Juist omdat zij "blijvend" is, moet de permanente vorming de priesters altijd begeleiden, dus in iedere periode en situatie van hun leven, evenals op ieder niveau van kerkelijke verantwoordelijkheid, natuurlijk met de mogelijkheden en kenmerken die verband hebben met het verschil van leeftijd, van levenssituatie en van de toevertrouwde taken.

De permanente vorming is vooral een plicht voor de jonge priesters. Zij moet plaatshebben door frequente en systematische bijeenkomsten, die de ernst en de degelijkheid van de in het seminarie ontvangen vorming voortzetten en de jonge priesters geleidelijk brengen tot het begrijpen en beleven van de bijzondere rijkdom van de "gave" van God, van het priesterschap, en tot het uitdrukken van hun vermogens en bekwaamheden voor het dienstwerk, ook door middel van een steeds meer overtuigde en verantwoordelijke inpassing in de priesterschap en dus in de gemeenschap en de medeverantwoordelijkheid van alle medebroeders.

Ook al kan men een zeker gevoel van "verzadiging" begrijpen dat de jonge priester, die nauwelijks het seminarie verlaten heeft, kan bevangen tegenover nieuwe ogenblikken van studie en bijeenkomst, men moet toch het idee dat de priesterlijke vorming afgesproken wordt bij het verlaten van het seminarie, als volstrekt verkeerd en gevaarlijk afwijzen.

Als de jonge priester deelnemen aan de bijeenkomsten voor de permanente vorming kunnen zij elkaar helpen door de uitwisseling van ervaringen en van overwegingen over de concrete vertaling van het ideaal van het priesterschap en het dienstwerk dat zij in de seminariejaren eigen gemaakt hebben. Tevens zal hun actieve deelname aan de vormingsbijeenkomsten van de priesterschap een voorbeeld en een stimulans zijn voor de andere priesters die ouder zijn, terwijl zij zo getuigen van hun liefde voor heel het priestercollege en van hun enthousiasme voor de particuliere Kerk, die goed opgeleide priesters nodig heeft.

Om de jonge priesters in de eerste delicate fase van hun priesterlijk leven en dienstwerk te begeleiden is het nu zeer nuttig, zo niet noodzakelijk, een speciale structuur van ondersteuning te scheppen, met eigen leiders en leraren, waarin zij op georganiseerde wijze de noodzakelijke hulp kunnen vinden om hun priesterlijke hulp kunnen vinden om hun priesterlijke dienst goed te beginnen. Bij gelegenheid van periodieke bijeenkomsten, die voldoende lang en frequent zijn en zo mogelijk plaatsvinden in een omgeving waar zij gemeenschappelijk verblijven, zullen hun kostbare ogenblikken van rust, gebed, overweging en broederlijke uitwisseling gewaarborgd worden. Zo zal het van het begin af gemakkelijker voor hen zijn een evangelisch evenwichtige opzet te geven aan hun priesterleven. En als de afzonderlijke particuliere kerken deze dienst niet aan hun jonge priesters kunnen bieden, zal het goed zijn dat dicht bij elkaar gelegen kerken zich verenigen en samen hulpmiddelen aanwenden en geschikte programma's uitwerken.

De permanente vorming is ook een plicht voor de priesters van middelbare leeftijd. De gevaren die zij kunnen lopen zijn talrijk, juist vanwege hun leeftijd, zoals bij voorbeeld een overdreven activisme en een zekere routine in de uitoefening van hun ambt. Zo staat de priester bloot aan de verleiding van zelfgenoegzaamheid, alsof zijn reeds beproefde persoonlijke ervaring geen enkel vergelijk meer nodig heeft. Vaak leidt de volwassen priester aan een soort innerlijke en gevaarlijke vermoeidheid, die teken is van een gelaten ontgoocheling tegenover de moeilijkheden en mislukkingen. Het antwoord op die situatie wordt gegeven door de permanente vorming, door zichzelf en zijn handelen voortdurend op evenwichtige wijze te herzien, door onophoudelijk motiveringen en middelen te zoeken voor de eigen zending. Zo zal de priester de geest waakzaam houden en bereid om de aanhoudende en toch steeds nieuwe aanspraken op heil in te willigen die eenieder doet gelden bij de priester als de "man van God".

Ook de priesters die vanwege hun gevorderde leeftijd bejaard genoemd worden en in sommige kerken het talrijkste deel van de priesterschap vormen, moeten interesse hebben voor de permanente vorming. De priesterschap moet hun dankbaar zijn voor hun trouwe dienst aan Christus en aan de Kerk en concrete solidariteit met hun studie tonen. De permanente vorming zal voor deze priesters niet zozeer verplichtingen van studie, aggiornamento en culturele discussie meebrengen, maar meer serene en bemoedigende bevestiging van de taak tot de vervulling waarvan zij nog geroepen zijn in het priestercollege, niet alleen voor de voortzetting van het pastorale dienstwerk, zij het in andere vormen, maar ook voor de mogelijkheid die zij dank zij hun ervaring in het leven en in het apostolaat hebben om zelf waardevolle meesters en vormers van andere priesters te worden.

Ook de priesters die door de inspanningen of door ziekte fysieke verzwakt of moreel vermoeid zijn, kunnen geholpen worden door een permanente vorming die hen aanspoort om op rustige en krachtige wijze hun dienst aan de Kerk te vervolgen, om zich niet van de gemeenschap en de priesterschap te isoleren, om de uiterlijke activiteit te verminderen en zich te wijden aan de activiteiten van pastorale relatie en persoonlijke spiritualiteit die de motieven en de vreugden van hun priesterschap kunnen steunen. De permanente vorming zal hen speciaal om de overtuiging levendig te houden welke zij aan de gelovigen gegeven hebben, namelijk de overtuiging actieve leden te blijven in de opbouw van de Kerk ook en juist vanwege hun vereniging met de lijdende Christus en met vele andere broeders en zusters die in de Kerk deelnemen aan het lijden van de Heer, terwijl zij zo opnieuw de geestelijke ervaring beleven die gezegd heeft: "Ik verheug mij dat ik voor u mag lijden en in mijn lichaam aanvullen wat nog ontbreekt aan de verdrukkingen van de Christus, ten bate van zijn lichaam, dat is de Kerk" (Kol. 1, 24). Vgl. Bisschoppensynodes, Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, 36

De omstandigheden waarin het dienstwerk van de priesters in deze tijd vaak en op meerdere plaatsen verricht wordt, maken een serieuze inzet voor de vorming niet gemakkelijk. De vermenigvuldiging van de taken en diensten, de ingewikkeldheid van het menselijk leven in het algemeen en van het leven van de christelijke gemeenschap in het bijzonder, het activisme en de typische stress op vele gebieden van onze maatschappij beroven de priesters dikwijls van de tijd en de energie die onmisbaar zijn om "zorg te besteden aan zichzelf" Vgl. 1 Tim. 4, 16 .

Dit moet de verantwoordelijkheid vermeerderen van allen om de moeilijkheden te overwinnen en er zelfs een uitdaging van te maken voor de uitwerking en de verwerkelijking van een permanente vorming die een passend antwoord is op de grootheid van de gave van God en op de ernst van de vragen en eisen van onze tijd.

De verantwoordelijkheden voor de permanente vorming van de priesters moeten nogmaals gezocht worden in de Kerk als "gemeenschap". Het is de gehele particuliere Kerk die onder leiding van de bisschop bekleed wordt met de verantwoordelijkheid om op verschillende wijzen de permanente vorming van de priesters te stimuleren en te verzorgen. Omdat de priesters er niet voor zichzelf zijn maar voor het volk Gods, wordt de permanente vorming, terwijl zij de menselijke, geestelijke, intellectuele en pastorale rijpheid van de priesters verzekert, een weldaad die bestemd is voor het volk van God. De uitoefening zelf van het pastorale dienstwerk voert trouwens tot een voortdurende en vruchtbare wederzijdse uitwisseling tussen het geloofsleven van de priesters en dat van de gelovigen. Juist de samenleving tussen de priester en de gemeenschap vormt, als zij op verstandige wijze geleid en benut wordt, een fundamentele bijdrage tot de permanente vorming, die overigens niet gereduceerd kan worden tot één of ander op zichzelf staand of geïsoleerd initiatief, maar uitgestrekt moet worden tot heel het dienstwerk en het leven van de priesters en deze moet vergezellen.

De christelijke ervaring van de eenvoudige en nederige mensen, het geestelijk elan van hen die God liefhebben, de moedige toepassing van het geloof op het leven door de Christenen die betrokken zijn in de verschillende maatschappelijke en burgerlijke verantwoordelijkheden worden door de priester in zich opgenomen. Terwijl hij er door zijn priesterlijke dienst licht op werpt, put hij er een kostbaar geestelijk voedsel uit. Ook de twijfels, de crisissen en de aarzelingen in de meest verschillende persoonlijke en maatschappelijke situaties, de bekoringen van weigering of van wanhoop op ogenblikken van smart, ziekte of dood, kortom de moeilijke omstandigheden die de mensen op de weg van het geloof ontmoeten, worden op broederlijke wijze beleefd en oprecht geleden in het hart van de priester, die bij het zoeken van antwoorden voor anderen voortdurend gestimuleerd wordt om ze vooral voor zichzelf te vinden.

Zo kan en moet heel het volk Gods in al zijn leden een kostbare hulp bieden aan de permanente vorming van zijn priesters. Het moet aan de priesters de tijd laten om te studeren en te bidden en hun niets anders vragen dan dat waarvoor zij door Christus gezonden zijn. Het moet medewerking verlenen op de verschillende gebieden van de herderlijke zending, vooral op die gebieden welke verband houden met de verheffing van de mens en de dienst van de liefde, hartelijke en broederlijke betrekkingen met hen onderhouden en het hun gemakkelijker maken te beseffen dat zij geen "heer en meester van het geloof" zijn, maar mensen die "bijdragen tot de vreugde" van alle gelovigen Vgl. 2 Kor. 1, 2 .

De verantwoordelijkheid van de particuliere Kerk voor de vorming van de priesters wordt geconcretiseerd en gespecificeerd met betrekking tot de verschillende leden van die Kerk, te beginnen met de priester zelf.

De afzonderlijke priester is in zekere zin zelf het eerst in de Kerk verantwoordelijk voor de permanente vorming. Op iedere priester rust immers de plicht, die geworteld is in het Sacrament van het priesterschap, om trouw te zijn aan Gods gave en aan de dynamiek van de dagelijkse bekering die uit die gave voortvloeit. De voorschriften of de normen van de kerkelijke overheid aangaande de permanente vorming en ook het voorbeeld van de andere priesters zijn niet voldoende om die vorming aantrekkelijk te maken als de afzonderlijke priester niet persoonlijk overtuigd is van de noodzaak ervan en niet besloten de gelegenheden, tijden en vormen ervan te benutten. De permanente vorming handhaaft de "jeugdigheid" van de geest, de niemand van buiten af kan opleggen, maar die ieder voortdurend in zichzelf moet terugvinden. Alleen wie steeds het levendige verlangen bewaart om te leren en te groeien bezit die "jeugdigheid".

De verantwoordelijkheid van de bisschop en van het priestercollege samen met hem is fundamenteel. De verantwoordelijkheid van de bisschop berust op het feit dat de priesters hun priesterschap door hem ontvangen en met hem de herderlijke zorg voor het volk van God delen. Hij is verantwoordelijk voor de permanente vorming welke bestemd is om al zijn priesters edelmoedig trouw te maken aan de ontvangen genade en taak, zo als het volk van God hen wil hebben en het "recht" heeft hen te hebben. Die verantwoordelijkheid brengt de bisschop ertoe in gemeenschap met de priesterschap een project te maken en een programma op te stellen welke in staat zijn vorm te geven aan de permanente vorming, niet als iets bijkomstigs maar als een systematisch aanbod dat in etappes verloopt en nauwkeurig omschreven is. De bisschop zal zijn verantwoordelijkheid uitoefenen niet alleen door aan zijn priesterschap plaats en tijd voor de permanente vorming te verzekeren, maar door zijn persoonlijke aanwezigheid en door zijn overtuigende en hartelijke deelname. Dikwijls zal het nuttig zijn en ook nodig dat de bisschoppen van meerdere bij elkaar gelegen bisdommen of van een kerkelijke regio met elkaar overeenkomen en hun krachten verenigen om meer gekwalificeerde initiatieven te bieden die werkelijk de permanente vorming stimuleren, zoals bijbelse, theologische en pastorale bijscholing, gemeenschapssessies, cyclussen van lezingen, ogenblikken van reflectie en evaluatie omtrent de pastorale weg van de priesterschap en van de kerkelijke gemeenschap.

De bisschop zal zijn verantwoordelijkheid ook vervullen door de bijdrage te vragen die gegeven kan worden door de theologische en pastorale faculteiten en instituten, de seminaries, de organen of lichamen welke personen verenigen die betrokken zijn bij de priesterlijke vorming, priesters, religieuzen en leken gelovigen.

In het kader van de particuliere Kerk is veelbetekende plaats voorbehouden aan de gezinnen. Het leven van de kerkelijke gemeenschap onder de bezieling en de leiding van de priesters staat immers concreet in betrekking met de gezinnen onder hun aspect van "huiskerken". In het bijzonder moet de rol van het gezin waaruit de priester komt vermeld worden In gemeenschap van streven met de zoon verenigd kan het gezin aan diens zending een eigen specifieke en belangrijke bijdrage leveren. Het gezin waaruit de priester komt moet het plan van de Voorzienigheid vervullen die gewild heeft dat het de wieg was voor het ontkiemen van de roeping en een onmisbare hulp voor de groei en de ontwikkeling ervan. Met absoluut respect voor de keuze van de zoon om zich aan God en aan de broeders te geven moet dat gezin steeds een getrouwe en aanmoedigende getuige van zijn zending blijven, deze steunen en delen met toewijding en eerbied.

Document

Naam: PASTORES DABO VOBIS
N.a.v. de Bisschoppensynode over de priesteropleidingen
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Postsynodale Apostolische Exhortatie
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 25 maart 1992
Copyrights: © 1992, Stg. R.K. Voorlichting, Oegstgeest
Colomba
Tekst wordt nog verder gecontroleerd
Bewerkt: 21 december 2020

Referenties naar dit document

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2021, Stg. InterKerk, Schiedam