• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

De geestelijke vorming van wie geroepen is om celibatair te leven moet speciale aandacht besteden aan de voorbereiding van de toekomstige priester op het kennen, waarderen, beminnen en beleven van het celibaat in zijn ware natuur en in zijn ware doeleinden, dus in zijn evangelische, geestelijke en pastorale motiveringen. Vooronderstelling en inhoud van die voorbereiding is de deugd van kuisheid, die alle menselijke relaties kenmerkt en leidt "tot het voelen en uiten (...) van een oprechte, menselijke, broederlijke, persoonlijke en offervaardige liefde voor allen en voor ieder naar het voorbeeld van Christus". Congregatie Katholieke Vorming (seminaries en universiteiten), Fundamentele normen voor de priestervorming, Ratio fundamentalis institutionis sacerdotalis - Editio typica (6 jan 1970)

Het celibaat van de priesters geeft aan de kuisheid enige speciale kenmerken. De priesters doen afstand "van het huwelijksleven omwille van het rijk der hemelen Vgl. Mt. 19, 1 , zij hangen de Heer aan met onverdeelde liefde, ten nauwste in aansluiting met het Nieuwe Verbond, en zij leggen getuigenis af van de verrijzenis van de komende wereld Vgl. Lc. 20, 36 en zij verkrijgen een uitstekend hulpmiddel bij de ononderbroken beoefening van de volmaakte liefde, waardoor zij bij hun priesterlijk dienstwerk als voor allen kunnen worden". 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over de priesteropleiding, Optatam Totius Ecclesiae (28 okt 1965), 10 Het christelijke celibaat dient derhalve niet beschouwd te worden als een eenvoudig juridische norm noch als een volstrekt uiterlijke voorwaarde om tot de wijding toegelaten te worden, maar als een waarde die nauw verbonden is met de priesterwijding welke de priester gelijkvormig maakt aan Jezus Christus, die goeder Herder en de Bruidegom van de Kerk, en dus als de keuze voor een grotere en onverdeelde liefde voor Christus en zijn Kerk in de volledige en vreugdevolle beschikbaarheid van het hart voor de pastorale dienst. Het celibaat moet beschouwd worden als een speciale genade, als een gave "die niet iedereen kan (...) begrijpen, maar alleen zij aan wie het gegeven is" (Mt. 19, 11). Ongetwijfeld een genade die niet ontstaat van het bewuste en vrije antwoord van de kant van wie haar ontvangt, maar deze juist met bijzondere kracht eist. Dit charisma van de Geest sluit ook de genade in dat degene die het leven trouw aan blijft en de verplichtingen die ermee verbonden zijn edelmoedig en blij vervult. In de vorming voor het priesterlijk celibaat moet het besef verzekerd worden van de "kostbare gave van God", 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over de priesteropleiding, Optatam Totius Ecclesiae (28 okt 1965), 10 wat tot gebed en waakzaamheid zal leiden, opdat de gave behoed blijft voor alles wat haar kan bedreigen.

Door zijn celibatair leven zal de priester zijn dienstwerk onder het volk van God beter kunnen vervullen. Terwijl hij getuigenis zaal afleggen van de evangelische waarde van de maagdelijkheid, zal hij speciaal de christelijke gehuwden kunnen helpen om ten volle het "grote geheim" van de liefde van Christus, de Bruidegom, voor de Kerk, zijn bruid, te beleven, zoals ook zijn trouw aan het celibaat van hulp zal zijn voor de trouw van de gehuwden. H. Paus Johannes Paulus II, Brief, Aan de priesters op Witte Donderdag 1979, Novo incipiente (8 apr 1979)

Het belang en het delicate karakter van de voorbereiding op het priesterlijk celibaat speciaal in de huidige sociale en culturele omstandigheden hebben de Synodevaders ertoe gebracht een aantal vereisten te formuleren, waarvan de blijvende geldigheid overigens bevestigd is door de wijsheid van de Moederkerk. Ik geeft ze op gezaghebbende wijze weer als criteria die gevolgd moeten worden bij de vorming tot de kuisheid in het celibaat: "Samen met de rectoren van de seminaries en de geestelijke leidslieden moeten de bisschoppen beginselen vaststellen en criteria en hulpmiddelen aanbieden voor het oordeel in deze materie. De zorg van de bisschop en de broederlijke samenleving onder de priesters zijn van het hoogste gewicht voor de vorming tot de kuisheid in het celibaat. In het seminarie ofwel in het vormingsprogramma daarvan moet het celibaat duidelijk, ondubbelzinnig en op positieve wijze voorgesteld worden. De seminarist moet de vereiste graad van psychische en seksuele rijpheid bezitten evenals een leven van volhardend en authentiek gebed en hij moet zich onder de leiding van een geestelijke vader stellen. De geestelijke leidsman moet de seminarist helpen om tot een rijpe en vrije beslissing te komen, die gebaseerd moet zijn op waardering voor de priesterlijke vriendschap en voor de zelfdiscipline, alsmede op de aanvaarding van het alleen zijn en op een goede persoonlijke fysieke en psychische staat. Daartoe dienen de seminaristen goed de leer te kennen van het Tweede Vaticaans Concilie, de encycliek H. Paus Paulus VI - Encycliek
Sacerdotalis Caelibatus
Over het priestercelibaat
(24 juni 1967)
en de Congregatie Katholieke Vorming (seminaries en universiteiten)
Instructie voor de vorming tot het priesterlijk celibaat (11 april 1974)
die in 1974 uitgegeven is door de Congregatie voor de Katholieke Opvoeding. Opdat de seminarist het priesterlijk celibaat omwille van het Rijk der hemelen met een vrije beslissing kan omhelzen, is het nodig dat hij de christelijke en waarlijk menselijke natuur en ook het doel van de seksualiteit in huwelijk en celibaat kent. Het is ook nodig de christengelovigen te instrueren inzake de evangelische, geestelijke en pastorale motieven voor het priesterlijk celibaat en hen op te voeden tot het helpen van de priesters door hun vriendschap, begrijp en medewerking". Bisschoppensynodes, Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, 24

De opvoedkundige gemeenschap van het seminarie is samengevoegd rondom de verschillende personen die aan de vorming meewerken: de rector, de geestelijke directeur of leidsman, de oversten en de professoren. Dezen moeten zich nauw verenigd voelen met de bisschop, die zij op verschillende titels en wijzen vertegenwoordigen, en zij moeten op overtuigende en hartelijke wijze met elkaar leven en weken. Deze eenheid van de opvoeders maakt het niet alleen mogelijk om het opvoedkundige programma op passende wijze uit te voeren, maar biedt ook en vooral aan de kandidaten voor het priesterschap het veelzeggende voorbeeld van en de concrete binnenleiding in de kerkelijke gemeenschap, die een fundamentele waarde vormt van het christelijk leven en van het pastorale dienstwerk.

Het is duidelijk dat de doeltreffendheid van de vorming grotendeels afhangt van de rijke en sterke persoonlijkheid in menselijk en evangelisch opzicht van degenen die de vorming geven. Daarom zijn het bijzonder belang enerzijds de nauwgezette keuze van hen die de vorming geven en anderzijds de stimulans die hun gegeven wordt om zich steeds meer te bekwamen de hun toevertrouwde taak. Zich bewust dat de toekomst van de voorbereiding van de kandidaten voor het priesterschap juist gelegen is in de keuze en de vorming van hen die de kandidaten moeten vormen, hebben de Synodevaders lang stilgestaan bij een nauwkeurige bepaling van de eigenschappen die de opvoeders dienen te bezitten. Zij hebben in het bijzonder geschreven: "Het werk van de vorming van de kandidaten voor het priesterschap eist zeker niet alleen van hen die de vorming geven een speciale voorbereiding, die werkelijk technisch, pedagogisch, geestelijk, menselijke en theologisch moet zijn, maar ook een geest van gemeenschap en samenwerking in eenheid voor de uitvoering van het programma, zodat de eenheid in de pastorale activiteit van het seminarie onder leiding van de rector steeds bewaard blijft. De groep van hen die de vorming geven moet getuigen van een werkelijk evangelisch leven en van volledige toewijding aan de Heer. Het is nodig dat die groep een zekere bestendigheid bezit en gewoonlijk in de seminariegemeenschap verblijft. Zij moet nauw verbonden zijn met de bisschop die de eerste verantwoordelijke is voor de vorming van de priesters". Bisschoppensynodes, Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, 29

De bisschoppen moeten als eersten de zware verantwoordelijkheid voelen voor de vorming van degenen die belast zullen worden met de opvoeding van de toekomstige priesters. Zij moeten voor deze taak priesters kiezen met een voorbeeldige levenswandel en in het bezit van een verschillende kwaliteiten: "menselijke en geestelijke rijpheid, pastorale ervaring, professionele bekwaamheid, standvastigheid in de eigen roeping, vermogen tot samenwerking, een wetenschappelijke opleiding in de menswetenschappen (vooral in de psychologie) die overeenstemt met hun taak, en kennis van de methoden van teamwork". Bisschoppensynodes, Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, 29

Met behoud van het onderscheid tussen inwendig en uitwendig rechtsbereik, de nodige vrijheid in de keuze van de biechtvaders en de prudentie en discretie die passen bij de taak van de geestelijke leidsman, moet de priesterlijke gemeenschap van de opvoeders zich saamhorig voelen in de verantwoordelijkheid voor de opvoeding van de kandidaten voor het priesterschap. Het is op de eerste plaats de taak van die gemeenschap om, altijd in overeenstemming met het gezagvolle samenvattende oordeel van de bisschop en de rector, de geschiktheid van de kandidaten wat betreft de geestelijke, menselijke en intellectuele gaven te verifiëren en te ontwikkelen, vooral met betrekking tot de geest van gebed, de grondige assimilatie van de geloofsleer, het vermogen tot echte broederlijkheid en het charisma van het celibaat. Vgl. Bisschoppensynodes, Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, 23

Het kan goed zijn ook leken-gelovigen, mannen en vrouwen, op prudente en aan de verschillende culturele situaties aangepaste wijzen te betrekken in het werk van de vorming van de toekomstige priesters, steeds -zoals de Synodevaders ook in herinnering gebracht hebben- met de aanwijzingen voor ogen van de exhortatie H. Paus Johannes Paulus II - Postsynodale Apostolische Exhortatie
Christifideles laici
Over de roeping en de zending van de leken in de Kerk
(30 december 1988)
en de apostolische brief H. Paus Johannes Paulus II - Apostolische Brief
Mulieris Dignitatem
Over de waardigheid en de roeping van de vrouw
(15 augustus 1988)
, Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Postsynodale Apostolische Exhortatie, Over de roeping en de zending van de leken in de Kerk, Christifideles laici (30 dec 1988), 61.63 Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Apostolische Brief, Over de waardigheid en de roeping van de vrouw, Mulieris Dignitatem (15 aug 1988), 29-31 welke het nut doen uitkomen van een gezonde invloed van de lekenspiritualiteit én van het charisma van de vrouwelijkheid op iedere opvoeding. De leken moeten met zorg uitgekozen worden, binnen het kader van de kerkelijke wetten en volgens hun speciale charisma's en beproefde bekwaamheden. Van hun medewerking, op geschikte wijze gecoördineerd met en opgenomen in de primaire opvoedkundige verantwoordelijkheden van hen die de priesterlijke vorming geven, mag men heilzame vruchten verwachten voor een evenwichtige groei van het kerkbesef en voor een meer nauwkeurig begrip van de eigen priesterlijke identiteit van de kant van de kandidaten voor het priesterschap. Vgl. Bisschoppensynodes, Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, 29

Document

Naam: PASTORES DABO VOBIS
Ik zal u herders geven - N.a.v. de Bisschoppensynode over de priesteropleidingen
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Postsynodale Apostolische Exhortatie
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 25 maart 1992
Copyrights: © 1992, Stg. R.K. Voorlichting, Oegstgeest
Bewerkt: 1 juli 2021

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2021, Stg. InterKerk, Schiedam