• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

"De geest des Heren is over mij gekomen" (Lc. 4, 18). De Geest is niet eenvoudig "over" de Messias gekomen, maar "vervult" en doordringt hem en reikt tot in zijn wezen en werken. De Geest is het beginsel van de "zalving" en de "zending" van de Messias: "Hij heeft mij gezalfd. Hij heeft mij gezonden om aan armen de Blijde Boodschap te brengen" (Lc. 4, 18). Krachtens de Geest behoort Jezus geheel en uitsluitend God toe en heeft Hij deel aan de oneindige heiligheid van God, die Hem roept, uitkiest en zendt. Zo blijkt de Geest des Heren bron van heiligheid en oproep tot heiliging te zijn.

Deze zelfde "Geest des Heren" komt "over" heel het volk van God, dat gevormd wordt als volk dat aan God is "gewijd" en door God "gezonden" is voor de verkondiging van het Evangelie dat redt. De leden van het volk van God zijn "gedrenkt" en "getekend" met de Geest Vgl. 1 Kor. 12, 13 Vgl. 2 Kor. 1, 21-22 Vgl. Ef. 1, 13 Vgl. Ef. 4, 30 en geroepen tot het heiligheid.

De Geest openbaart en geeft ons in het bijzonder de fundamentele roeping die de Vader van eeuwigheid tot allen richt, de roeping om "heilig en vlekkeloos te zijn voor zijn aangezicht in liefde", krachtens de voorbestemming "zijn kinderen te worden door Jezus Christus" (Ef. 1, 4-5). Niet alleen openbaart en geeft de Geest ons deze roeping, maar Hij wordt in ons tot oorsprong en bron van haar verwezenlijking. Hij, de Geest van de Zoon Vgl. Gal. 4, 6 , maakt ons gelijkvormig aan Christus Jezus en deelachtig aan diens leven als Zoon ofwel aan diens liefde voor de Vader en voor de broeders. "Daar wij leven door de Geest, willen wij ook leven volgens de Geest" (Gal. 5, 25). Met deze woorden herinnert de apostel Paulus er ons aan dat het christelijk leven "geestelijk leven" is ofwel leven dat door de Geest bezield en geleid wordt naar de heiligheid of de volmaaktheid van de liefde.

De uitspraak van het Concilie "dat alle christengelovigen, tot welke stand of staat zij ook behoren, tot de volheid van het christelijk leven en de volmaaktheid van de liefde geroepen zijn", 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 40 is speciaal op de priesters van toepassing. Zij zijn niet alleen geroepen als gedoopten maar ook en specifiek als priesters ofwel op een nieuwe titel en op een oorspronkelijke wijze, die voortvloeien uit het sacrament van het priesterschap.

Het 2e Vaticaans Concilie - Decreet
Presbyterorum Ordinis
Over het leven en dienst van de priester
(7 december 1965)
biedt ons een uiterst rijke en stimulerende synthese van het "geestelijke leven" en van de gave en de verantwoordelijkheid om "heilig" te worden: "Door het Wijdingsacrament worden de priesters gelijkvormig gemaakt aan Christus-Priester, als dienaren van het Hoofd, om heel zijn lichaam, dat is de Kerk, op te richten en op te bouwen als medewerkers van het bisschopsambt. Weliswaar hebben zij als iedere christengelovige reeds in de wijding van het Doopsel het teken en de gave van zo'n hoge genadevolle roeping ontvangen, dat zij zelfs in hun menselijke zwakheid de volmaaktheid kunnen en moeten bereiken, naar het woord van de Heer: 'Weest dus volmaakt, zoals uw Vader in de hemel volmaakt, zoals uw Vader in de hemel volmaakt is (Mt. 5, 48). Maar de priesters zijn om een speciale reden verplicht die volmaaktheid te bereiken, omdat zij die door het ontvangen van de wijding op een nieuwe wijze aan God zijn toegewijd levende instrumenten worden van Christus, de eeuwige priester, om diens wonderbaarlijk verlossingswerk, dat met bovenaardse kracht heel de mensengemeenschap heeft hersteld, door alle tijden heen te kunnen voortzetten. Omdat dus iedere priester op zijn eigen wijze de persoon van Christus zelf vertegenwoordigt, wordt hij ook met bijzondere genadegaven verrijkt om in de dienst aan het hem toevertrouwde volk en aan heel het volk van God des te beter de volmaaktheid te kunnen bereiken van Hem wiens rol hij speelt en om door de heiligheid van Hem die voor ons is geworden de Hogepriester, 'heilig, schuldeloos en onbesmet, gescheiden van de zondaars' (Heb. 7, 26), de menselijke zwakheid van het vlees te genezen". 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over het leven en dienst van de priester, Presbyterorum Ordinis (7 dec 1965), 12

Het Concilie bevestigt vooral de "algemene" roeping tot heiligheid. Deze roeping is geworteld in het doopsel dat de priester de hoedanigheid geeft van "gelovige" (Christifidelis), van "broeder onder broeders", opgenomen in en verenigd met het volk van God, in de vreugde van het delen van de heilsgaven Vgl. Ef. 4, 4-6 en in de gemeenschappelijke inspanning om "volgens de Geest" te leven door het volgen van de Meester en Heer. Wij herinneren ons de beroemde woorden van de heilige Augustinus: "Ik ben bisschop voor u, christen met u. 'Bisschop' is de naam van een ambt dat men op zich genomen heeft, 'christen' is een naam van genade. De eerste is de naam van een gevaar, de laatste een naam van redding". H. Augustinus, Sermones. 340: PL 38, 1483

Met eenzelfde duidelijkheid spreekt de tekst van het Concilie over een "specifieke" roeping tot de heiligheid, over een roeping die gebaseerd is op het Sacrament van de Wijding als eigen en specifiek sacrament van de priester, dus over een roeping krachtens een nieuwe toewijding aan God door middel van de priesterwijding. Ook de heilige Augustinus zinspeelt op deze specifieke roeping als hij op de uitspraak: "Ik ben bisschop voor u, christen met u", deze woorden laat volgen: "Als ik mij dus meer verheug dat ik met u verlost ben dan dat ik over u gesteld ben, zal ik volgens het gebod van de Heer des te meer uw dienaar zijn om niet ondankbaar te zijn voor de prijs waardoor ik verdiend heb uw mededienaar te zijn". H. Augustinus, Sermones. 340: PL 38, 1483

De tekst van het Concilie vervolgt en signaleert enige elementen die noodzakelijk zijn om de inhoud te bepalen van wat "specifiek" is voor het geestelijk leven van de priesters. Het zijn elementen die verbonden zijn met de eigen "wijding" van de priesters, welke hen gelijkvormig maakt aan Jezus Christus, Hoofd en Herder van de Kerk; met de "zending" of het typische dienstwerk van de priesters, dat hen bekwaam maakt en verplicht om "levende werktuigen van Christus, de eeuwige Priester" te zijn en om "in de naam en de persoon van Christus zelf" te handelen, met heel hun "leven", dat geroepen is om op oorspronkelijke wijze het "evangelische radicalisme" zichtbaar te maken en ervan te getuigen. Vgl. Bisschoppensynodes, Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, 8

Door de sacramentele wijding wordt de priester gelijkvormig gemaakt aan Jezus Christus als Hoofd en Herder van de Kerk en ontvangt hij een "geestelijke macht" die deelname is aan het gezag waarmee Jezus Christus door zijn Geest de Kerk leidt. Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over het leven en dienst van de priester, Presbyterorum Ordinis (7 dec 1965), 12

Dank zij die wijding, welke bewerkt wordt door de Geest in de sacramentele uitstorting van het priesterschap, wordt het geestelijk leven van de priester gestempeld, gevormd en gekenmerkt door die gesteltenissen en houdingen, welke eigen zijn aan Jezus Christus, Hoofd en Herder van de Kerk, en samengevat worden in zijn herderlijke liefde.

Jezus Christus is Hoofd van de Kerk die zijn lichaam is. Hij is "Hoofd" in de nieuwe en oorspronkelijke zin van "dienaar" -zijn, volgens zijn eigen woorden: "De Mensenzoon is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen" (Mc. 10, 45). Het dienen van Jezus bereikt zijn hoogtepunt in de dood aan het kruis ofwel in de totale zelfgave in nederigheid en liefde: "Hij heeft zich van zichzelf ontdaan en het bestaan van een slaaf aangenomen. Hij is aan de mensen gelijk geworden. En als mens verschenen heeft Hij zich vernederd. Hij werd gehoorzaam tot de dood, tot de dood aan het kruis" (Fil. 2, 7-8). Het gezag van Jezus Christus Hoofd valt dus samen met zijn dienen, met de gave van zichzelf, met zijn volledige, nederige en liefdevolle toewijding aan de Kerk. En dit in volmaakte gehoorzaamheid aan de Vader. Hij is de enige ware lijdende dienaar van de Heer, tegelijk Priester en Slachtoffer.

Het geestelijk leven van iedere priester wordt bezield en levend gemaakt precies door dat type van gezag ofwel door de dienst aan de Kerk, juist als eis van zijn gelijkvormigheid aan Jezus Christus, Hoofd en Dienaar van de Kerk, Vgl. Bisschoppensynodes, Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, 8 De Heilige Augustinus waarschuwde een bisschop op de dag van diens wijding als volgt: "Wie hoofd van het volk is, moet op de eerste plaats beseffen dat hij de dienaar van velen is. En laat hij het niet versmaden dat te zijn, ik herhaal, laat hij het niet versmaden de dienaar van velen te zijn, aangezien de Heer het niet versmaad heeft onze dienaar te worden". H. Augustinus, Sermones. Morin Guelferbytanus, 32, 1: PLS 2, 637

Het geestelijk leven van de bedienaar van het Nieuwe Testament moet dus het stempel dragen van deze wezenlijke houding van dienst aan het volk Gods Vgl. Mt. 20, 24. vv. Vgl. Mc. 10, 43-44 , vrij van iedere verwaandheid en van ieder verlangen om "de baas te spelen" over de hem toevertrouwde kudde Vgl. 1 Pt. 5, 3 . Een dienst die goedsmoeds, volgens God en gaarne verricht wordt. Op deze wijze kunnen de bedienaren, de "oudsten" van de gemeenschap, d.w.z. de priesters, model voor de kudde zijn, welke op haar beurt geroepen is om tegenover de gehele wereld deze priesterlijke houding aan te nemen van dienst aan de volheid van leven van de mens en aan diens integrale bevrijding.

Wat het beeld van Jezus Christus als Hoofd en dienaar inhoudt, wordt door het beeld van Jezus Christus als Herder van de Kerk met nieuwe en meer suggestieve nuances hernomen en opnieuw voorgesteld. Jezus, die de profetische aankondiging vervult van de Messias-Redder, die de psalmist en de profeet Ezechiël Vgl. Ps. 22, 23 Vgl. Ez. 34, 11 vol vreugde bezorgen hebben, zegt van zichzelf dat Hij "de goede Herder" is Vgl. Joh. 10, 11.14 , niet alleen van Israël maar van alle mensen Vgl. Joh. 10, 16 . Zijn leven is een ononderbroken uitdrukking, zelfs een dagelijkse verwerkelijking, van zijn "herderlijke liefde". Hij voelt medelijden met de menigten, omdat zij moe en uitgeput zijn, als schapen zonder herder Vgl. Mt. 9, 35-36 . Hij zoekt de verdwaalde en verstrooide schapen Vgl. Mt. 18, 12-14 en viert feest als Hij ze teruggevonden heeft. Hij leidt ze naar grazige weiden en wateren der rust Vgl. Ps. 22-23 . Hij richt voor hen een maaltijd aan en voedt ze met zijn eigen leven. De goede Herder biedt dit leven aan door zijn dood en verrijzenis, zoals de Romeinse liturgie van de Kerk zingt: "De goede Herder, die zijn leven gegeven heeft voor zijn schapen, is verrezen; Hij heeft zich aan de dood overgeleverd uit liefde voor de zijnen: Alleluia". H. Paus Paulus VI, Apostolische Constitutie, ex Decr. Sacr. Oec. Conc. Vat. II instauratum, auctoritate Pauli PP. VI promulgatum, ed. typica, Missale Romanum (3 apr 1969). Vierde zondag van Pasen, Communio van de Mis

Petrus noemt Jezus de "opperherder" Vgl. 1 Pt. 5, 4 , omdat zijn werk en zending in de Kerk voortgezet worden door de apostelen Vgl. Joh. 21, 15-17 en hun opvolgers Vgl. 1 Pt. 5, 1. vv. en door de priesters. Krachtens hun wijding zijn de priesters gelijkvormig gemaakt aan Jezus, de goede Herder, en zijn zij geroepen om zijn herderlijke liefde na te volgen en te doen herleven.

De zelfgave van Christus aan zijn Kerk, vrucht van zijn liefde, wordt gekenmerkt door de oorspronkelijke toewijding welke eigen is aan de bruidegom ten opzichte van de bruid, zoals de gewijde teksten meermalen suggereren. Jezus is de ware Bruidegom, die de wijn van het heil aan de Kerk schenkt Vgl. Joh. 2, 11 . Hij die "het hoofd van de kerk (...), de verlosser van zijn lichaam" is (Ef. 5, 23), "heeft de Kerk liefgehad: Hij heeft zich voor haar overgeleverd om haar te heiligen, haar reinigend door het waterbad met het woord. Hij heeft de Kerk tot zich gevoerd als een heerlijke bruid, zonder vlek of rimpel of fout, heilig en onbesmet" (Ef. 5, 25-27). De Kerk is het lichaam waarin Christus als Hoofd tegenwoordig en werkzaam is, maar zij is ook de Bruid die als nieuwe Eva voortkomt uit de geopende zijde van de Verlosser aan het kruis. Daarom staat Christus "voor" de Kerk, "voedt en koestert" Hij haar (Ef. 5, 29) door het geven zijn leven voor haar. De priester is geroepen om een levend beeld te zijn van Jezus Christus, de Bruidegom van de Kerk. Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Apostolische Brief, Over de waardigheid en de roeping van de vrouw, Mulieris Dignitatem (15 aug 1988), 26 Hij staat zeker altijd in de gemeenschap waarvan hij als gelovige deel uitmaakt samen met alle andere broeders en zusters die door de Geest bijeengeroepen zijn, maar krachtens zijn gelijkvormigheid aan Christus, Hoofd en Herder, staat hij in die positie van bruidegom tegenover de gemeenschap. "In zoverre hij Christus, Hoofd, Herder en Bruidegom van de Kerk vertegenwoordigt, staat de priester niet alleen in de Kerk maar ook tegenover de Kerk". Bisschoppensynodes, Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, 7 Hij is derhalve geroepen om in zijn geestelijk leven de liefde van Christus, die bruidegom is ten opzichte van de Kerk, de Bruid is, te doen herleven. Zijn leven moet ook verlicht en gericht worden door dit karakter van bruidegom, dat van hem vraagt dat hij getuige is van de liefde van Christus als Bruidegom, dat hij dus in staat is de mensen met een nieuw, groot en zuiver hart lief te hebben, met waarachtige zelfonthechting, met volle, voortdurende en trouwe toewijding en teven smet een soort goddelijke "naijver" Vgl. 2 Kor. 11, 2 , met een tederheid die zelfs de nuances van de moederlijke liefde aanneemt, in staat "weeën" te doorstaan, totdat de gelovigen "de gestalte van Christus aangenomen" hebben. Vgl. Gal. 4, 19

Het innerlijk beginsel, de deugd, welke het geestelijk leven van de priester die gelijkvormig gemaakt is aan Christus, Hoofd en Herder, bezielt en leidt, is de herderlijke liefde, welke deelname is aan de herderlijke liefde van Jezus Christus zelf. Zij is een kosteloze gave van de heilige Geest en tegelijk een taak en een oproep tot het vrije en verantwoordelijke antwoord van de priester.

De wezenlijke inhoud van de herderlijke liefde is de zelfgave, de totale gave van zichzelf aan de Kerk, naar het beeld van de gave van Christus en delend in die gave: "De herderlijke liefde is de deugd waarmee wij Christus navolgen in zijn zelfgave en in zijn dienst. Het is niet alleen wat wij doen, maar de gave van onszelf, die de liefde van Christus voor zijn kudde toont. De herderlijke liefde bepaalt onze wijze van denken en doen, de wijze van onze relatie met de mensen. Zij blijkt bijzonder veel van ons te eisen". H. Paus Johannes Paulus II, Homilie, Tijdens de Eucharistische Aanbidding te Seoul (7 okt 1989), 2

De zelfgave, die de wortel en de samenvatting is van de herderlijke liefde, is bestemd voor de Kerk. Zo was het voor Christus die "de Kerk heeft liefgehad: Hij heeft zich voor haar overgeleverd" (Ef. 5, 25). Zo moet het zijn voor de priester. Door de herderlijke liefde, die op de uitoefening van het priesterambt het stempel drukt van "amoris officium", Vgl. H. Augustinus, In Iohannis Evangelium Tractatus. 123, 5; CCI, 36, 678 "is de priester, die de roeping tot het ambt volgt, in staat hiervan een keuze voor de liefde te maken, waardoor de Kerk en de zielen het voornaamste voorwerp van zijn belangstelling worden. Door deze concrete spiritualiteit wordt hij bekwaam om de universele Kerk en het deel ervan dat aan hem is toevertrouwd, lief te hebben met heel het vuur van een bruidegom voor de bruid". H. Paus Johannes Paulus II, Toespraak, Tot de priesters-deelnemers aan een bijeenkomst georganiseerd door de Italiaanse bisschoppenconferentie (4 nov 1980) De gave van zichzelf kent geen grenzen, daar zij gekenmerkt wordt door het apostolische en missionaire elan van Christus zelf, de goede Herder, die gezegd heeft: "Ik heb nog andere schapen, die niet uit deze schaapstal zijn. Ook die moet Ik leiden en zij zullen naar mijn stem luisteren en het zal worden: één kudde en één herder" (Joh. 10, 16).

Binnen de kerkgemeenschap vraagt en vereist de herderlijke liefde van de priester op een bijzondere en speciale wijze zijn persoonlijke relatie met het priestercollege, verenigd in en met de bisschop, zoals het Concilie uitdrukkelijk schrijft: "De pastorale liefde vraagt (...) van de priesters, dat zij, om niet voor niets te werken, hun werk steeds verrichten in gemeenschap met de bisschoppen en andere broeders in het priesterschap". 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over het leven en dienst van de priester, Presbyterorum Ordinis (7 dec 1965), 14

De zelfgave aan de Kerk betreft haar als lichaam en bruid van Jezus Christus. De liefde van de priester gaat daarom op de eerste plaats uit naar Jezus Christus. Alleen als hij Christus, Hoofd en Bruidegom, bemint en dient, wordt de liefde bron, criterium, maat en drijfveer van de liefde en de dienst van de priester voor de Kerk, lichaam en bruid van Christus. Dat heeft de apostel Paulus duidelijk en sterk beseft, want hij schrijft aan de Christenen van de Kerk van Korinte: "Onszelf beschouwen wij slechts als uw dienaars om Jezus' wil" (2 Kor. 4, 5). Dat is vooral de uitdrukkelijke en programmatische leer van Jezus, die de taak om de kudde te weiden eerst aan Petrus toevertrouwt na diens drievoudige verzekering van zijn liefde, ja van zijn voorkeursliefde: "Voor de derde maal vroeg Hij: 'Simon, zoon van Johannes, hebt ge Mij lief?' (...) Petrus (...) zeide Hem: "Heer, Gij weet alles; Gij weet dat ik U liefheb'. Daarop zei Jezus hem: 'Weid mijn schapen'" (Joh. 21, 17).

De herderlijke liefde, die haar specifieke bron in het sacrament van het priesterschap heeft, vindt haar volle uitdrukking en haar voornaamste voedsel in de Eucharistie: "Deze herderlijke liefde vloeit bovenal voort uit het eucharistische offer, dat daarom het middelpunt en de oorsprong vormt van heel het priesterleven, zodat de priesterlijke geest zich beijvert om dat wat op het offeraltaar plaatsheeft op zichzelf over te brengen" 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over het leven en dienst van de priester, Presbyterorum Ordinis (7 dec 1965), 14 In de eucharistie wordt immers het kruisoffer hernieuwd en tegenwoordig gesteld, de totale gave van Christus aan zijn Kerk, de gave van zijn lichaam dat Hij gegeven heeft, en van zijn bloed dat Hij vergoten heeft, als hoogste getuigenis dat Hij Hoofd en Herder, Dienaar en Bruidegom van de Kerk is. Juist daarom vloeit de herderlijke liefde van de priester niet alleen voort uit de Eucharistie maar vindt zij in de viering daarvan haar hoogste verwezenlijking. Uit de Eucharistie ontvangt de priester de genade en de verantwoordelijkheid om zijn gehele leven in het teken van het offer te plaatsen.

Die herderlijke liefde vormt het innerlijke en dynamische beginsel dat in staat is om de veelvoudige en verschillende activiteiten van de priester tot eenheid te brengen. Dankzij zij die liefde kan de wezenlijke en blijvende eis van eenheid tussen het innerlijk leven en de vele activiteiten en verantwoordelijkheden van het ambt een antwoord vinden. Die eis is zeer dringend in een sociaal-culturele en kerkelijke context die sterk gekenmerkt wordt door ingewikkeldheid, onsamenhangendheid en versnippering. Alleen de concentratie van alle ogenblikken en van alle gebaren rondom de fundamentele en karakteristieke keuze van "het geven van zijn leven voor de kudde" kan deze vitale eenheid waarborgen, welke onmisbaar is voor de harmonie en het geestelijk evenwicht van de priester: "De priesters kunnen die eenheid bereiken", brengt het Concilie ons in herinnering, "wanneer zij in de vervulling van hun ambt het voorbeeld volgen van Christus, de Heer, wiens spijs het was de wil te volbrengen van Hem die Hem gezonden heeft om zijn werk te volbrengen (...). Door zo de rol van de goede Herder te vervullen, zullen zij in de beoefening van de pastorale liefde zelf de band van de priesterlijke volmaaktheid vinden die hun leven en activiteit tot eenheid brengt". 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over het leven en dienst van de priester, Presbyterorum Ordinis (7 dec 1965), 14

De Geest des Heren heeft Christus gewijd en gezonden om de Blijde Boodschap te verkondigen Vgl. Lc. 4, 18 . De zending is niet een uiterlijk element dat naast de wijding staat, maar het vormt hiervan de innerlijke en vitale bestemming: de wijding is voor de zending. Zo staat niet alleen de wijding maar ook de zending in het teken van de Geest, onder zijn heiligmakende invloed.

Zo was het bij Jezus. Zo was het bij de apostelen en hun opvolgers. Zo is het bij heel de Kerk en bij de priesters in de Kerk. Allen ontvangen de Geest als gave en oproep tot heiliging in en door het vervullen van de zending. H. Paus Paulus VI, Postsynodale Apostolische Exhortatie, Over de Evangelisatie in de Moderne Wereld, Evangelii Nuntiandi (8 dec 1975), 75

Er bestaat dus een innige band tussen het geestelijk leven van de priester en de uitoefening van zijn ambt, Vgl. Bisschoppensynodes, Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, 8 wat het Concilie als volgt uitdrukt: De priesters "worden dus in de uitoefening van het dienstwerk van de Geest en van de gerechtigheid bevestigd in het leven naar de geest, mits zij openstaan voor de Geest van Christus, die hen bezielt en leidt. Want door de heilige handelingen van elke dag, zoals ook door heel het dienstwerk dat zij in gemeenschap met de bisschop en de ander priesters uitoefenen, worden zijzelf gericht op volmaaktheid van leven. Die heiligheid van de priesters draagt echter op zijn beurt zeer veel bij tot een vruchtbare uitoefening van het ambt". 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over het leven en dienst van de priester, Presbyterorum Ordinis (7 dec 1965), 12

"Leef overeenkomstig het mysterie dat u in handen is gelegd!". Dat is uitnodiging, de vermaning, die de Kerk tot de priester richt in de rite van de wijding, als hem de gaven van het heilige volk aangereikt worden voor het eucharistische offer. Het "mysterie" waarvan de priester "beheerder" is Vgl. 1 Kor. 4, 1 , is uiteindelijk Jezus Christus zelf, die in de Geest bron van heiligheid en oproep tot heiligheid is. Het "mysterie" vraagt om opgenomen te worden in het leven van de priester. Daarom eist het grote waakzaamheid en levendig bewustzijn. De rite van de wijding laat de vermelde woorden voorafgaan door de volgende aanbeveling "Wees u bewust van wat ge zult doen". Paulus waarschuwde reeds bisschop Timoteus: "Verwaarloos de genadegave niet die in u is" (1 Tim. 4, 14) Vgl. 2 Tim. 1, 6 .

Het verband tussen het geestelijk leven en de uitoefening van het priesterambt kan ook verklaard worden vanuit de herderlijke liefde, die door het sacrament van de wijding geschonken wordt. Juist omdat de bediening van de priester deelname is aan het heilswerk van Jezus Christus, Hoofd en Herder, moet zij diens herderlijke liefde, welke tegelijk de bron en de ziel van zijn dienst en zelfgave is, opnieuw uitdrukken en doen herleven. In zijn objectieve werkelijkheid is het priesterambt "amoris officium" volgens de reeds geciteerde uitdrukking van de heilige Augustinus. Juist deze objectieve realiteit is het fundament en de oproep voor een overeenkomstig ethos, dat het ethos moet zijn van een leven in liefde, zoals sint Augustinus opmerkt: "Sit amoris officium pascere dominicum gregem". H. Augustinus, In Iohannis Evangelium Tractatus. 123, 5: CCL, 36, 678 Het ethos, en dus het geestelijk leven, is niets anders dan het aannemen van de "waarheid" van het priesterambt als amoris officium in het geweten en de vrijheid en derhalve in de geest en het hart, in de bedoelingen en het handelen.

Voor een geestelijk leven dat zich ontplooit door de uitoefening van het ambt, is het wezenlijk dat de priester voortdurend het besef vernieuwt en steeds meer verdiept dat hij dienaar van Jezus Christus is krachtens de sacramentele wijding en de gelijkvormigheid aan Hem, Hoofd en Herder van de Kerk.

Een dergelijk bewustzijn beantwoordt niet alleen aan de ware natuur van de zending die de priester vervult ten behoeve van de Kerk en de mensheid, maar is ook beslissend voor het geestelijk leven van de priester die deze zending vervult. De priester wordt immers niet door Christus gekozen als een "ding", maar als een "persoon". Hij is geen willoos en passief werktuig, maar een "levend instrument", zoals het Concilie het uitdrukt, juist daar waar het spreekt over de plicht om naar de volmaaktheid te streven. Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over het leven en dienst van de priester, Presbyterorum Ordinis (7 dec 1965), 12 Het Concilie spreekt ook over de priesters als "deelgenoten en medewerkers" van God, die "heilig is en heilig maakt". Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over het leven en dienst van de priester, Presbyterorum Ordinis (7 dec 1965), 5

In deze zin is de bewuste, vrije en verantwoordelijke persoon van de priesters diep betrokken in de uitoefening van het ambt. De band met Christus, welke de wijding en de gelijkvormigmaking door het Sacrament van het priesterschap verzekeren, fundeert en eist in de priester een verdere band, welke gegeven wordt door de "bedoeling" ofwel door de bewuste en vrije wil om door middel van het priesterlijk handelen te doen wat de Kerk bedoelt te doen. Zo'n band streeft er door zijn aard naar zo ruim en zo diep mogelijk te worden en de geest, de gevoelens, het leven te omvatten ofwel een reeks zedelijke en geestelijke "gesteltenissen" die in overeenstemming zijn met de ambtelijke handeling die de priester verricht.

Het is zeker waar dat de uitoefening van het priesterambt, vooral de viering van de sacramenten, haar heilbrengende doeltreffendheid ontvangt door het handelen van Jezus Christus zelf, dat in de sacramenten tegenwoordig gesteld wordt. Maar vanwege een goddelijk plan dat de absolute onverschuldigdheid van het heil wil doen uitkomen door van de mens tegelijk een "geredde" en een "redder" te maken -altijd en alleen met Jezus Christus- wordt de doeltreffendheid van het ambt ook geconditioneerd door de grotere of kleinere deelneming en ontvankelijkheid van de mens. Vgl. Concilie van Trente, 6. Zitting - Decreet over de rechtvaardiging, Sessio VI - Decretum de iustificatione (13 jan 1547), 8-11 Vgl. Concilie van Trente, 7de Zitting - Decreet over de Sacramenten, Sessio VII - Decretum de Sacramentis (3 mrt 1547), 6 Vooral de grotere of kleinere heiligheid van de bedienaar beïnvloedt in feite de verkondiging van het woord, de viering van de sacramenten en de leiding van de gemeenschap in liefde. Dat bevestigt het Concilie duidelijk: "Die heiligheid van de priesters draagt (...) zeer veel bij tot een vruchtbare uitoefening van het ambt: ofschoon immers de genade van God het heilswerk ook door onwaardige bedienaren kan vervullen, geeft God er toch de voorkeur aan om normaal gesproken zijn wonderwerken te tonen door hen die, ontvankelijker geworden voor de ingeving en de leiding van de heilige Geest, omwille van hun nauwe band met Christus en de heiligheid van leven met de apostel kunnen zeggen: 'Ikzelf leef niet meer, Christus is die leeft in mij' (Gal. 2, 20)." 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over het leven en dienst van de priester, Presbyterorum Ordinis (7 dec 1965), 12

Het besef dienaar te zijn van Jezus Christus, Hoofd en Herder, voert ook tot het dankbare en blijde bewustzijn van een buitengewone genade welke ontvangen is van Jezus Christus; de genade door de Heer om niet uitgekozen te zijn als "levend instrument" voor het heilswerk. Deze uitverkiezing getuigt van de liefde van Jezus Christus voor de priester. Juist deze liefde eist, zoals iedere andere liefde, en nog meer, dat men eraan beantwoordt. Na de verrijzenis stelt Jezus aan Petrus de fundamentele vraag over de liefde: "Simon, zoon van Johannes, hebt ge Mij meer lief dan dezen?" En op het antwoord van Petrus volgt het toevertrouwen van de zending: "Weid mijn lammeren" (Joh. 21, 15). Jezus vraagt aan Petrus of deze Hem bemint alvorens hem zijn kudde toe te vertrouwen en om hem zijn te kunnen toevertrouwen. Maar in feite is het de vrije en voorkomende liefde van Jezus zelf die aan de oorsprong staat van de vraag aan de apostel en van het toevertrouwen van "zijn" schapen aan hem. Zo spoort ieder priesterlijk gebaar, dat voert tot het beminnen en dienen van de Kerk, aan om steeds meer te groeien in de liefde en de dienst voor Jezus Christus, Hoofd, Herder en Bruidegom van de Kerk, een liefde die altijd de gestalte heeft van een antwoord op de voorkomende, vrije en onverschuldigde liefde van God in Christus. De groei van de liefde van God in Christus bepaalt op zijn beurt de groei van de liefde voor de Kerk: "Wij weiden u (pascimus vobis), met u worden wij geweid (pascimur vobiscum). De Heer geeft ons de kracht om u zozeer te beminnen dat wij voor u kunnen sterven, metterdaad of met het hart (aut effectu aut affectu)". H. Augustinus, Sermones. Sermo de Nat. Sanct. Apost. Petri et Pauli ex Evangelio in quo ait: Simon Iohannis diligis me: Bibliotheca Cansinensis in ''Miscellania Augustiniana'', vol. I, a cura di G. Morin. Roma, Tip. Poligl. Vat., 1930, 404.

Dank zij het kostbare onderricht van het Tweede Vaticaans Concilie, Vgl. Bisschoppensynodes, Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, 4-6.13 kunnen wij de voorwaarden en eisen, de wijzen en vruchten begrijpen van de innige band tussen het geestelijk leven van de priester en de uitoefening van zijn drievoudig dienstwerk: van het woord, van de sacramenten en van de dienst van de liefde.

De priester is vooral bedienaar van het woord Gods. Hij is gewijd en gezonden om aan allen het Evangelie van het Rijk te verkondigen, iedere mens tot de gehoorzaamheid van het geloof op te roepen en de gelovigen te brengen tot een steeds diepere kennis van en gemeenschap met het mysterie van God, dat aan ons geopenbaard en meegedeeld is in Christus. Hiervoor moet de priester zelf als eerste een grote persoonlijke vertrouwdheid met het woord van God ontwikkelen. Het is voor hem niet voldoende het taalkundige of exegetische aspect daarvan te kennen, wat ook noodzakelijk is. Het is voor hem nodig met een volgzaam en biddend hart tot het woord te naderen, opdat dit tot in de grond van zijn gedachten en gevoelens doordringt en in hem een nieuwe mentaliteit verwekt -"de gedachte van Christus" (1 Kor. 2, 16) - zodat zijn woorden, zijn keuzen en zijn gedragingen steeds meer het Evangelie laten doorschijnen, verkondigen en tonen. Alleen als de priester in het woord "blijft", zal hij een volmaakte leerling van de Heer worden, de waarheid kennen, werkelijk vrij zijn en iedere beïnvloeding die in strijd is met het Evangelie of daaraan vreemd is, overwinnen Vgl. Joh. 8, 31-32 . De priester moet de eerste zijn om in het woord te geloven, in het volle besef dat de woorden van zijn dienstwerk niet de "zijne" zijn, maar de woorden van Degene die hem gezonden heeft. Hij is niet de meester van deze woorden, maar dienaar. Hij is niet de enige bezitter van het woord dat hij verschuldigd is aan het volk van God. Juist omdat de priester evangeliseert en opdat hij kan evangeliseren, moet hij, zoals de Kerk, groeien in het besef dat hij zelf voortdurend geëvangeliseerd moet worden. Vgl. H. Paus Paulus VI, Postsynodale Apostolische Exhortatie, Over de Evangelisatie in de Moderne Wereld, Evangelii Nuntiandi (8 dec 1975), 15 Hij verkondigt het woord in zijn hoedanigheid van "bedienaar", die deelt in het profetische gezag van Christus en van de Kerk. Hiervoor, om in zichzelf de garantie te hebben dat hij het Evangelie in zijn geheel overlevert en om dit aan de gelovigen te waarborgen, is de priester geroepen om een bijzondere gevoeligheid, liefde en bereidwilligheid te cultiveren ten opzichte van de levende traditie van de Kerk en van haar leergezag. Deze staan niet buiten het woord, maar dienen er de juiste interpretatie van en bewaren er de authentieke zin van. Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Goddelijke openbaring, Dei Verbum (18 nov 1965), 8.10

De priester is geroepen om vooral in de viering van de Sacramenten en van de liturgie der getijden de diepe eenheid tussen de uitoefening van zijn ambt en zijn geestelijk leven te beleven en te tonen. De gave van de genade die aan de Kerk wordt gegeven, wordt beginsel van heiligheid en oproep tot heiligheid ook voor de priester. De werkelijk centrale plaats in het dienstwerk zowel als in het geestelijk leven van de priester komt de Eucharistie toe, want daarin "ligt heel het geestelijk goed van de Kerk vervat, namelijk Christus zelf, ons paaslam en het levend brood dat het door zijn Vlees in de heilige Geest tot leven gebrachte en tot leven wekkende leven schenkt aan de mensen. Dezen worden aldus uitgenodigd en ertoe gebracht om zichzelf, hun arbeid en al het geschapene samen met Hem op te dragen". 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over het leven en dienst van de priester, Presbyterorum Ordinis (7 dec 1965), 5

Het geestelijk leven van de priester krijgt door de verschillende Sacramenten en speciaal door de specifieke genade die ieder sacrament eigen is, bijzondere kenmerken. Het wordt gestructureerd en gevormd door de veelvuldige kenmerken en eisen van de diverse Sacramenten die hij viert en waaruit hij leeft.

Ik wil een speciaal woord wijden aan het Sacrament van de Boete, waarvan de priesters de bedienaren zijn, maar waarvan zij ook begunstigden moeten zijn, getuigend worden van het medelijden van God voor de zondaars. Ik herhaal wat ik geschreven heb in de exhortatie H. Paus Johannes Paulus II - Postsynodale Apostolische Exhortatie
Reconciliatio et paenitentia
Over de verzoening en boete in de zending van de Kerk in deze tijd
(2 december 1984)
"Het geestelijke en pastorale leven van de priester, maar ook dat van de leken en religieuzen die zijn broeders zijn, is afhankelijk van zijn persoonlijk, regelmatig en zorgvuldig gebruik van het Sacrament van de Boete. Zijn viering van de Eucharistie en van de andere Sacramenten, zijn pastorale ijver, zijn omgang met de gelovigen, zijn gemeenschapsband met de medebroeders, zijn samenwerking met de bisschop, zijn gebedsleven, kortom heel zijn priesterlijk leven lijdt onvermijdelijk schade, als hij uit nalatigheid of om een andere reden niet regelmatig, in een oprecht geloof en met godsvrucht het Sacrament van de Boete ontvangt. In de priester die zijn zonden niet meer of slecht belijdt, raken het priester-zijn en het priesterlijk handelen zelf aangetast, en ook de gemeenschap waarover hij herder is zal dat bemerken". H. Paus Johannes Paulus II, Postsynodale Apostolische Exhortatie, Over de verzoening en boete in de zending van de Kerk in deze tijd, Reconciliatio et paenitentia (2 dec 1984), 31

Tenslotte is de priester geroepen om het gezag en de dienst van Jezus Christus, Hoofd en Herder van de Kerk, te belichamen en de kerkgemeenschap te bezielen en te leiden ofwel "het gezin van God als een tot eenheid bezielde broederschap" bijeen te brengen en "door Christus in de Geest naar God de Vader" te voeren. 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over het leven en dienst van de priester, Presbyterorum Ordinis (7 dec 1965), 6 Dit "munus regendi" is een zeer delicate en ingewikkelde taak, die naast de aandacht voor de afzonderlijke personen en de verschillende roepingen de bekwaamheid insluit om alle gaven en charisma's die de Geest in de gemeenschap opwekt, te coördineren, te verifiëren en te benutten voor de opbouw van de Kerk, steeds in vereniging met de bisschoppen. Het gaat om een taak die van de priester een intens geestelijk leven vraagt, dat rijk is aan de hoedanigheden en deugden welke typisch zijn voor de persoon die een gemeenschap "voorgaat" en "leidt", voor de "oudste" in de meest edele en rijke zin van het woord, te weten trouw, standvastigheid, wijsheid, hartelijkheid voor allen, minzame goedheid, gezagvolle onwankelbaarheid in wezenlijke zaken, vrij-zijn van te subjectieve gezichtspunten, persoonlijke belangeloosheid, geduld, smaak voor de dagelijkse taak, vertrouwen op het verborgen werk van de genade die zich openbaart in de eenvoudigen en in de armen Vgl. Tit. 1, 6-8 .

"De geest des Heren is over mij gekomen" (Lc. 4, 18). De heilige Geest die uitgestort wordt door het sacrament van het priesterschap, is bron van heiligheid en oproep tot heiliging, niet alleen omdat Hij de priester gelijkvormig maakt aan Christus, Hoofd en Herder van de Kerk, en hem de profetische, priesterlijke en koninklijke zending toevertrouwt welke hij moet vervullen in de naam en de persoon van Christus, maar ook omdat Hij het dagelijks leven van de priester bezielt, versterkt en verrijkt met gaven en eisen, deugden en impulsen, welke samengevat worden in de herderlijke liefde. Deze liefde is de eenmakende synthese van de evangelische waarden en deugden en tevens de kracht die steun geeft aan de ontwikkeling hiervan tot aan de christelijke volmaaktheid. Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 42

Voor alle christenen, niemand uitgezonderd, is het evangelisch radicalisme een fundamentele en onmisbare eis, die voortkomt uit de oproep van Christus om Hem te volgen en na te volgen, uit kracht van de innige levensgemeenschap met Hem welke door de Geest bewerkt wordt Vgl. Mt. 8, 18 Vgl. Mt. 10, 37 Vgl. Mc. 8, 34 Vgl. Mc. 10, 17-21 Vgl. Lc. 9, 57 . Deze eis wordt ook aan de priesters gesteld, niet alleen omdat zij "in" de Kerk staan maar ook omdat zij "tegenover" de Kerk staan, in zover zij gelijkvormig gemaakt zijn aan Christus, hoofd en Herder, bekwaam gemaakt en aangeworven zijn voor de gewijde dienst en bezield zijn door de herderlijke liefde. In het evangelisch radicalisme bevindt zich, ook als uiting ervan, een rijke bloei van vele deugden en ethische eisen, welke beslissend zijn voor het herderlijk en geestelijk leven van de priester, zoals bijvoorbeeld het geloof, de nederigheid tegenover het mysterie van God, de barmhartigheid, de prudentie. De bevoorrechte uitingen van het radicalisme zijn de diverse "evangelische reden" die Jezus voorhoudt in de bergrede Vgl. Mt. 5-7 , waaronder de raden van gehoorzaamheid, kuisheid en armoede, welke nauw met elkaar verbonden zijn. Vgl. Bisschoppensynodes, Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, 9 De priester is geroepen om volgens die raden te leven overeenkomstig de vormen en nog meer overeenkomstig de doeleinden en de oorspronkelijke betekenis welke voortvloeien uit de eigen identiteit van de priester en deze uitdrukken.

"Onder de deugden die vooral vereist worden voor het priesterambt, moet die levensinstelling worden genoemd waardoor zij altijd bereid zijn om niet hun eigen wil te zoeken, maar de wil van Hem die hen gezonden heeft". Bisschoppensynodes, Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, 15 Dat is de gehoorzaamheid die in het geval van het geestelijk leven van de priester enige bijzondere kenmerken heeft.

Zij is vooral een "apostolische" gehoorzaamheid, in deze zin dat zij de Kerk in haar hiërarchische structuur erkent, bemint en dient. Het priesterambt bestaat immers alleen in gemeenschap met de paus en het bisschoppencollege, in het bijzonder met de eigen diocesane bisschop, aan wie "de kinderlijke eerbied en gehoorzaamheid" verschuldigd zijn welke beloofd zijn in de wijdingsritus. Deze "onderwerping" aan degen die met kerkelijk gezag zijn bekleed, heeft niets vernederends, maar vloeit voort uit de verantwoordelijke vrijheid van de priester, die niet alleen de eisen van een organisch en georganiseerd kerkelijk leven aanvaardt, maar ook de genade van onderscheiding en verantwoordelijkheid in de kerkelijke beslissingen welke Jezus gewaarborgd heeft aan zijn apostelen en hun opvolgers, opdat het mysterie van de Kerk trouw bewaard blijft en het geheel van de christelijke gemeenschap gediend wordt op zijn allen verenigde weg naar het heil.

De authentieke, op de juiste wijze gemotiveerde en zonder slaafsheid beleefde christelijke gehoorzaamheid helpt de priester om met evangelische duidelijkheid het gezag uit te oefenen dat hem is toevertrouwd ten opzichte van het volk van God, zonder autoritarisme en zonder demagogische keuzen. Alleen wie aan Christus weet te gehoorzamen weet hoe men van anderen volgens het Evangelie de gehoorzaamheid vraagt.

De priesterlijke gehoorzaamheid vertoont bovendien een eis van "gemeenschap". Zij is niet de gehoorzaamheid van een enkeling die een individuele band met de overheid heeft, maar zij is diep ingepast in de eenheid van het priestercollege, dat als zodanig geroepen is om in eendrachtige samenwerking met de bisschop en door deze met de opvolger van Petrus te leven. Bisschoppensynodes, Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, 17

Dit aspect van de gehoorzaamheid van de priester vraagt om een bijzondere ascese, zowel in de zin van gewend zijn zich niet te veel aan eigen voorkeur of aan de eigen gezichtspunten te binden als in de zin van het geven van ruimte aan de medebroeders, opdat dezen hun talenten en bekwaamheden kunnen benutten, zonder jaloersheid, afgunst en rivaliteit. De gehoorzaamheid van de priester is een solidaire gehoorzaamheid, welke uitgaat van het feit dat hij deel uitmaakt van de ene priesterschap en altijd daarin en daarmee in gezamenlijke verantwoordelijkheid oriënteringen en keuzen uitdrukt.

Tenslotte heeft de priesterlijke gehoorzaamheid een bijzonder "pastoraal" karakter. Zij wordt beoefend in een klimaat van voortdurende bereidheid om zich in beslag te laten nemen, als het ware te laten "opslokken", door de noden en de eisen van de kudde. Deze moeten redelijk zijn en soms moeten zij geselecteerd en geverifieerd worden. Maar men kan niet ontkennen dat het leven van de priester volledig "bezet" is door de honger naar het Evangelie, naar het geloof, naar de hoop en naar de liefde voor God en zijn mysterie, die op min of meer bewuste wijze aanwezig is in het volk van God dat aan hem is toevertrouwd.

Document

Naam: PASTORES DABO VOBIS
N.a.v. de Bisschoppensynode over de priesteropleidingen
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Postsynodale Apostolische Exhortatie
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 25 maart 1992
Copyrights: © 1992, Stg. R.K. Voorlichting, Oegstgeest
Colomba
Tekst wordt nog verder gecontroleerd
Bewerkt: 21 december 2020

Referenties naar dit document

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2021, Stg. InterKerk, Schiedam