• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
“In de synagoge waren aller ogen gespannen op hem gevestigd” (Lc. 4, 20). Wat de evangelist Lucas zegt over degenen die op die sabbatdag in de synagoge van Nazareth luisterden naar het commentaar van Jezus op wat Hij zelf uit de boekrol van Jesaja gelezen had, kan toegepast worden op alle christenen, die altijd geroepen zijn om de definitieve vervulling van de profetische aankondiging te erkennen in Jezus van Nazareth: “Toen begon Hij hen toe te spreken: ‘Het Schriftwoord dat gij zojuist gehoord heb, is thans in vervulling gegaan’” (Lc. 4, 21). En het “schriftwoord” was dit: “De geest des Heren is over mij gekomen, omdat Hij mij gezalfd heeft. Hij heeft mij gezonden om aan armen de Blijde Boodschap te brengen, aan gevangenen hun vrijlating bekend te maken, en aan blinden, dat zij zullen zien; om verdrukten te laten gaan in vrijheid, om een genadejaar af te kondigen van de Heer” (Lc. 4,18-19) Vgl. Jes. 61, 1-2 . Jezus stelt zichzelf dus voor als vervuld van de Geest, “gezalfd”, “gezonden om aan armen de Blijde Boodschap te brengen”. Hij is de Messias, de Messias priester, profeet en koning.

Dat is het gelaat van Christus waarop de ogen van het geloof en de liefde van de christenen gespannen gevestigd moeten zijn. Juist vanuit deze “contemplatie” en in relatie daarmee hebben de synodevaders nagedacht over het probleem van de vorming van de priesters in de huidige omstandigheden. Dit probleem kan geen antwoord vinden zonder een voorafgaande reflectie over het doel waarop de weg van de vorming is gericht. Dat doel is het gewijde priesterschap, meer nauwkeurig het gewijde priesterschap als deelname in de Kerk aan het priesterschap van Jezus Christus zelf. De kennis van de natuur en de zending van het ambtelijk priesterschap is de onmisbare vooronderstelling en tegelijk de meest zekere gids en de meest overtuigende stimulans om in de Kerk de pastorale actie te ontplooien voor de bevordering en de onderscheiding van de priesterroepingen en voor de vorming van hen die geroepen worden tot het gewijde ambt.

De juiste en grondige kennis van de natuur en de zending van het ambtelijk priesterschap is de weg die gevolgd moet worden en die synode inderdaad gevolgd heeft om uit de crisis van de identiteit van de priester te geraken. “Deze crisis”, heb ik gezegd in mijn toespraak bij de sluiting van de synode, “is ontstaan in de jaren direct na het Concilie. Zij berustte op een verkeerd verstaan, soms zelfs op een opzettelijke tendentieus verstaan, van de leer van het conciliaire leergezag. Hier ligt ongetwijfeld één van de oorzaken van het grote aantal verliezen dat de Kerk toen geleden heeft, verliezen welke de pastorale dienst en de priesterroepingen, vooral de missieroepingen, zwaar getroffen hebben. Het is alsof de synode van 1990, welke door middel van de vele interventies waarnaar wij in deze aula geluisterd hebben, heel de diepte van de priesterlijke identiteit herontdekt heeft, erin geslaagd is hoop te geven na de smartelijke verliezen. De interventies hebben het besef uitgedrukt van de specifiek ontologische band die de priester verbindt met Christus, Hogepriester en Goede Herder. Die identiteit ligt ten grondslag aan de aard van de vorming die gegeven moet worden met het oog op het priesterschap en verder in heel het priesterleven. Dat was het eigenlijke doel van de synode”. H. Paus Johannes Paulus II, Toespraak, Slottoespraak 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters (27 okt 1990), 4 Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Brief, Aan alle priesters ter gelegenheid van Witte Donderdag 1991 (10 mrt 1991)

Daarom heeft de synode het nodig geoordeeld op synthetische en fundamentele wijze de natuur en de zending van het ambtelijk priesterschap in herinnering te brengen, zoals het geloof van de Kerk ze begrepen heeft gedurende de eeuwen van haar geschiedenis en zoals het Tweede Vaticaans Concilie ze heeft voorgehouden aan de mensen van deze tijd. Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964) Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over het leven en dienst van de priester, Presbyterorum Ordinis (7 dec 1965) Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over de priesteropleiding, Optatam Totius Ecclesiae (28 okt 1965) Vgl. Congregatie Katholieke Vorming (seminaries en universiteiten), Fundamentele normen voor de priestervorming, Ratio fundamentalis institutionis sacerdotalis - Editio typica (6 jan 1970) [Het ministeriële priesterschap en de rechtvaardigheid in de wereld]

"Gaat mee om het te zien" (Joh. 1, 39). Zo antwoord Jezus aan de twee leerlingen van Johannes de Doper die Hem vragen waar Hij verblijft. In deze woorden vinden wij de zin van de roeping.

De evangelist verhaalt de roeping van Andreas en Petrus als volgt: "De volgende dag stond Johannes daar weer, nu met twee van zijn leerlingen. Hij richtte het oog op Jezus die voorbijging gen sprak: 'Zie, het lam Gods'. De twee leerlingen hoorden hem dat zeggen en gingen Jezus achterna. Jezus keerde zich om en toen Hij zag dat zij Hem volgden, vroeg Hij hun: 'Wat verlangt gij?' Ze zeiden tot Hem: 'Rabbi' - vertaald betekend dit: Meester- 'waar verblijft ge?' Hij zei hun: 'Gaat me om het te zien'. Daarop gingen zij mee en zagen waar Hij zich op hield. Die dag bleven zij bij Hem. Het was ongeveer het tiende uur. Andreas, de broer van Simon Petrus, was een van die twee die het gezegde van Johannes hadden gehoord en Jezus achterna waren gegaan. De eerste die hij ontmoette was zijn broer Simon tot wie hij zei: 'Wij hadden de 'messias' -vertaald betekent dat: de Gezalfde- 'gevonden', en hij bracht hen bij Jezus. Jezus zag hem aan en zeide: 'Gij zijt Simon, de zoon van Johannes, gij zult Kefas -dat betekent: rots- genoemd worden'" (Joh. 1, 35-42).

Deze bladzijde van het Evangelie is één van de vele bladzijden van de Heilige Schrift waarin het mysterie van de roeping beschreven wordt, in dit geval het mysterie van de roeping om apostel van Jezus te worden. De bladzijde van Johannes, die ook betekenis heeft voor de christelijke roeping als zodanig, heeft een zinnebeeldige betekenis voor de priesterroeping. Als gemeenschap van de leerlingen van Jezus wordt de kerk uitgenodigd haar blik te vestigen op deze scène, welke zich in zekere zin voortdurend hernieuwt in de geschiedenis. Zij wordt uitgenodigd de oorspronkelijke en persoonlijke zin van de roeping om Christus te volgen in het priesterambt te verdiepen, alsmede de onverbreekbare band tussen de goddelijke genade en de menselijke verantwoordelijkheid. Die band ligt opgesloten en is geopenbaard in de twee termen welke wij meermalen in het Evangelie aantreffen: Kom en volg Mij Vgl. Mt. 19, 21 . De Kerk wordt aangespoord om de eigen dynamiek van de roeping te ontcijferen en te doorvorsen en ook de geleidelijke en concrete ontwikkeling ervan in de fasen van het zoeken van Jezus, het volgen van Hem en het blijven bij Hem.

In dit "Evangelie van de roeping" vindt de Kerk het model, de kracht en de impuls voor haar roepingenpastoraal ofwel voor haar zending om zorg te dragen voor het ontstaan, de onderscheiding en de begeleiding van de roepingen, vooral van de priesterroepingen. Juist omdat het "priestertekort zeker een verdriet voor iedere Kerk is" H. Paus Johannes Paulus II, Toespraak, Slottoespraak 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters (27 okt 1990), 5, vraagt de roepingenpastoraal vooral in deze tijd om met nieuwe, krachtige en meer besliste inzet aangepakt te worden door alle leden van de Kerk, in het bewustzijn dat de zorg voor de priesterroepingen niet een secundair of bijkomstige element is van de totale pastoraal van de Kerk noch een geïsoleerd element of een sector ervan, als het ware slechts een "deel", hoe belangrijk ook. Zoals de Synodevaders herhaaldelijk verklaard hebben, is de roepingenpastoraal veeleer een activiteit die geheel begrepen is in de algemene pastoraal van iedere Kerk, Bisschoppensynodes, Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, 6 een zorg die geïntegreerd moet worden in de zogenaamde gewone "zielzorg" en daarmee geheel vereenzelvigd moet worden, Bisschoppensynodes, Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, 13 een eigenlijke en wezenlijke dimensie van de pastoraal van de Kerk, van haar leven en haar roepingen. Bisschoppensynodes, Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, 4

Ja, de dimensie van de roepingen is eigenlijk en wezenlijk voor de pastoraal van de Kerk. De reden ligt in het feit dat de roeping in zekere zin het diepste wezen van de Kerk bepaalt, nog meer dan haar activiteit. In de naam zelf van de Kerk, Ecclesia, wordt aangeven dat haar innerlijke fysionomie roeping is, want zij is werkelijk "bijeenroeping", vergadering van de geroepenen: "God heeft de vergadering van hen die gelovend naar Jezus opzien als naar de bewerker van het heil en het beginsel van eenheid en vrede samengeroepen en tot de Kerk gemaakt, om voor allen en ieder afzonderlij het zichtbare sacrament te zijn van deze heilsbrengende eenheid". 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 9 Een waarlijk theologisch begrip van de priesterroeping en van de roepingenpastoraal kan alleen voortvloeien uit het begrip van de Kerk als mysterium vocationis.

De geestelijke vorming van wie geroepen is om celibatair te leven moet speciale aandacht besteden aan de voorbereiding van de toekomstige priester op het kennen, waarderen, beminnen en beleven van het celibaat in zijn ware natuur en in zijn ware doeleinden, dus in zijn evangelische, geestelijke en pastorale motiveringen. Vooronderstelling en inhoud van die voorbereiding is de deugd van kuisheid, die alle menselijke relaties kenmerkt en leidt "tot het voelen en uiten (...) van een oprechte, menselijke, broederlijke, persoonlijke en offervaardige liefde voor allen en voor ieder naar het voorbeeld van Christus". Congregatie Katholieke Vorming (seminaries en universiteiten), Fundamentele normen voor de priestervorming, Ratio fundamentalis institutionis sacerdotalis - Editio typica (6 jan 1970)

Het celibaat van de priesters geeft aan de kuisheid enige speciale kenmerken. De priesters doen afstand "van het huwelijksleven omwille van het rijk der hemelen Vgl. Mt. 19, 1 , zij hangen de Heer aan met onverdeelde liefde, ten nauwste in aansluiting met het Nieuwe Verbond, en zij leggen getuigenis af van de verrijzenis van de komende wereld Vgl. Lc. 20, 36 en zij verkrijgen een uitstekend hulpmiddel bij de ononderbroken beoefening van de volmaakte liefde, waardoor zij bij hun priesterlijk dienstwerk als voor allen kunnen worden". 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over de priesteropleiding, Optatam Totius Ecclesiae (28 okt 1965), 10 Het christelijke celibaat dient derhalve niet beschouwd te worden als een eenvoudig juridische norm noch als een volstrekt uiterlijke voorwaarde om tot de wijding toegelaten te worden, maar als een waarde die nauw verbonden is met de priesterwijding welke de priester gelijkvormig maakt aan Jezus Christus, die goeder Herder en de Bruidegom van de Kerk, en dus als de keuze voor een grotere en onverdeelde liefde voor Christus en zijn Kerk in de volledige en vreugdevolle beschikbaarheid van het hart voor de pastorale dienst. Het celibaat moet beschouwd worden als een speciale genade, als een gave "die niet iedereen kan (...) begrijpen, maar alleen zij aan wie het gegeven is" (Mt. 19, 11). Ongetwijfeld een genade die niet ontstaat van het bewuste en vrije antwoord van de kant van wie haar ontvangt, maar deze juist met bijzondere kracht eist. Dit charisma van de Geest sluit ook de genade in dat degene die het leven trouw aan blijft en de verplichtingen die ermee verbonden zijn edelmoedig en blij vervult. In de vorming voor het priesterlijk celibaat moet het besef verzekerd worden van de "kostbare gave van God", 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over de priesteropleiding, Optatam Totius Ecclesiae (28 okt 1965), 10 wat tot gebed en waakzaamheid zal leiden, opdat de gave behoed blijft voor alles wat haar kan bedreigen.

Door zijn celibatair leven zal de priester zijn dienstwerk onder het volk van God beter kunnen vervullen. Terwijl hij getuigenis zaal afleggen van de evangelische waarde van de maagdelijkheid, zal hij speciaal de christelijke gehuwden kunnen helpen om ten volle het "grote geheim" van de liefde van Christus, de Bruidegom, voor de Kerk, zijn bruid, te beleven, zoals ook zijn trouw aan het celibaat van hulp zal zijn voor de trouw van de gehuwden. H. Paus Johannes Paulus II, Brief, Aan de priesters op Witte Donderdag 1979, Novo incipiente (8 apr 1979)

Het belang en het delicate karakter van de voorbereiding op het priesterlijk celibaat speciaal in de huidige sociale en culturele omstandigheden hebben de Synodevaders ertoe gebracht een aantal vereisten te formuleren, waarvan de blijvende geldigheid overigens bevestigd is door de wijsheid van de Moederkerk. Ik geeft ze op gezaghebbende wijze weer als criteria die gevolgd moeten worden bij de vorming tot de kuisheid in het celibaat: "Samen met de rectoren van de seminaries en de geestelijke leidslieden moeten de bisschoppen beginselen vaststellen en criteria en hulpmiddelen aanbieden voor het oordeel in deze materie. De zorg van de bisschop en de broederlijke samenleving onder de priesters zijn van het hoogste gewicht voor de vorming tot de kuisheid in het celibaat. In het seminarie ofwel in het vormingsprogramma daarvan moet het celibaat duidelijk, ondubbelzinnig en op positieve wijze voorgesteld worden. De seminarist moet de vereiste graad van psychische en seksuele rijpheid bezitten evenals een leven van volhardend en authentiek gebed en hij moet zich onder de leiding van een geestelijke vader stellen. De geestelijke leidsman moet de seminarist helpen om tot een rijpe en vrije beslissing te komen, die gebaseerd moet zijn op waardering voor de priesterlijke vriendschap en voor de zelfdiscipline, alsmede op de aanvaarding van het alleen zijn en op een goede persoonlijke fysieke en psychische staat. Daartoe dienen de seminaristen goed de leer te kennen van het Tweede Vaticaans Concilie, de encycliek H. Paus Paulus VI - Encycliek
Sacerdotalis Caelibatus
Over het priestercelibaat
(24 juni 1967)
en de Congregatie Katholieke Vorming (seminaries en universiteiten)
Instructie voor de vorming tot het priesterlijk celibaat (11 april 1974)
die in 1974 uitgegeven is door de Congregatie voor de Katholieke Opvoeding. Opdat de seminarist het priesterlijk celibaat omwille van het Rijk der hemelen met een vrije beslissing kan omhelzen, is het nodig dat hij de christelijke en waarlijk menselijke natuur en ook het doel van de seksualiteit in huwelijk en celibaat kent. Het is ook nodig de christengelovigen te instrueren inzake de evangelische, geestelijke en pastorale motieven voor het priesterlijk celibaat en hen op te voeden tot het helpen van de priesters door hun vriendschap, begrijp en medewerking". Bisschoppensynodes, Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, 24

Document

Naam: PASTORES DABO VOBIS
N.a.v. de Bisschoppensynode over de priesteropleidingen
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Postsynodale Apostolische Exhortatie
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 25 maart 1992
Copyrights: © 1992, Stg. R.K. Voorlichting, Oegstgeest
Colomba
Tekst wordt nog verder gecontroleerd
Bewerkt: 21 december 2020

Referenties naar dit document

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2021, Stg. InterKerk, Schiedam