• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

Tegen het kerkelijke liefdewerk wordt sinds de 19de eeuw een bezwaar ingebracht dat vervolgens vooral door het marxistische denken nadrukkelijk werd ontwikkeld. De armen, zo zegt men, zouden geen liefdewerken nodig hebben, maar gerechtigheid. De liefdewerken - de aalmoezen - zouden in werkelijkheid de manier zijn waarop de rijken zich onttrokken aan het tot stand brengen van de gerechtigheid, hun geweten susten, hun eigen positie vasthielden en de armen hun recht onthielden. In plaats van mee te werken aan het in stand houden van de bestaande verhoudingen door afzonderlijke liefdewerken, zou een rechtvaardige orde geschapen moeten worden, waarin alle hun aandeel kregen aan de goederen van de wereld en daardoor geen liefdewerken meer nodig hadden. Iets is er aan deze redenering - dat moet men toegeven - wel juist, maar veel ook onjuist. Juist is, dat het nastreven van de gerechtigheid een grondbeginsel moet zijn van de staat, en dat een rechtvaardige maatschappelijke ordening tot doel heeft om, met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel, er voor te zorgen dat ieder deel heeft aan de goederen van de gemeenschap. Dat is door de christelijke staats- en sociale leer ook steeds benadrukt. Maar de kwestie van de rechtvaardige ordening van het gemeengoed heeft - historisch gezien - met de vorming van de industriële maatschappij in de 19de eeuw in een geheel nieuwe context gekregen. Het ontstaan van de moderne industrie heeft de oude maatschappijstructuren doen verdwijnen en heeft met de massa, van loon afhankelijke arbeiders een radicale verandering in de opbouw van de samenleving bewerkt, waarin de verhouding van kapitaal en arbeid tot de beslissende vraag is geworden, die nog nooit eerder in deze vorm was gesteld. De productiestructuren en het kapitaal vormden nu de nieuwe macht die, omdat zij in de handen van slechts weinigen gelegd was, leidde tot een rechteloosheid van de arbeidersmassa, waartegen men in opstand had te komen.

Men moet toegeven dat de vertegenwoordigers van de Kerk maar geleidelijk aan in de gaten kregen dat de vraag naar een rechtvaardige structuur van de samenleving zich op zo’n nieuwe manier stelde, hoewel er ook wegbereiders waren: een van hen was bijvoorbeeld bisschop Ketteler van Mainz ( 1877). Als antwoord op de concrete noden ontstonden er kringen, verenigingen, verbanden, federaties en vooral nieuwe religieuze orden, die in de 19de eeuw de strijd aanbonden tegen armoede en ziekte en tegen de nood aan onderwijs. Het pauselijke leergezag meldde zich in 1891 met de door Leo XIII gepubliceerde encycliek Paus Leo XIII - Encycliek
Rerum Novarum
Over kapitaal en arbeid
(15 mei 1891)
. Deze werd in 1931 gevolgd door de encycliek van Pius XI, Paus Pius XI - Encycliek
Quadragesimo Anno
Over de aanpassing van de sociale orde
(15 mei 1931)
. De zalige paus Johannes XXIII publiceerde in 1961 zijn encycliek H. Paus Johannes XXIII - Encycliek
Mater et Magistra
Moderne ontwikkeling van het sociale leven en de christelijke beginselen
(15 mei 1961)
, terwijl Paulus VI in de encycliek H. Paus Paulus VI - Encycliek
Populorum Progressio
Over de ontwikkeling van de volken
(26 maart 1967)
(1967) en in de apostolische brief H. Paus Paulus VI - Apostolische Brief
Octogesima Adveniens
Aan Maurice Kardinaal Roy, bij gelegenheid van de 80ste verjaardag van Rerum Novarum
(14 mei 1971)
nadrukkelijk inging op de sociale problematiek zoals die zich toen in het bijzonder in Latijns Amerika verscherpt had. Mijn grote voorganger Johannes Paulus II heeft ons een trilogie van sociale encyclieken nagelaten: H. Paus Johannes Paulus II - Encycliek
Laborem Exercens
Op de negentigste verjaardag van de encycliek Rerum Novarum
(14 september 1981)
(1981), H. Paus Johannes Paulus II - Encycliek
Sollicitudo Rei Socialis
De ontwikkeling van de mens en de samenlevingTwintig jaar na Populorum Progressio van Paus Paulus VI
(30 december 1987)
(1987) en tenslotte H. Paus Johannes Paulus II - Encycliek
Centesimus Annus
Ter gelegenheid van de honderdste verjaardag van de encycliek Rerum Novarum
(1 mei 1991)
(1991). Zo is in confrontatie met steeds weer nieuwe situaties en problemen gestaag een katholieke sociale leer gegroeid, die op een samenhangende manier uiteengezet is in het in 2004 door de Pauselijke Raad Iustitia et Pax gepresenteerde Pauselijke Raad "Justitia et Pax"
Compendium van de Sociale Leer van de Kerk
(26 oktober 2004)
. Het Marxisme had de wereldrevolutie en de voorbereiding daarvan voorgesteld als het wondermiddel voor heel de sociale kwestie: door de revolutie en door de daarmee verbonden socialisering van de productiemiddelen zou, volgens deze leer - plotseling alles anders en beter moeten worden. Deze droom is vervlogen. In de moeilijke situatie waarin wij ons nu bevinden, juist ook door de globalisering van de economie, is de sociale leer van de Kerk tot een fundamentele wegwijzer geworden die oriënteringen biedt die de begrenzingen van de Kerk ver overschrijden. Bij het verder voortgaan van de ontwikkeling moet aan deze oriënteringen gezamenlijk, en in dialoog met allen die serieus zorg dragen om de mens en zijn wereld, verder gewerkt worden.

Om nu de verhouding tussen de noodzakelijke inzet voor de gerechtigheid en het dienstwerk van de liefde nauwkeuriger vast te stellen, moet we acht slaan op twee fundamentele situaties:

  1. De rechtvaardige ordening van de samenleving en van de staat is de centrale opdracht van de politiek. Een staat die niet door gerechtigheid gedefinieerd zou zijn, zou niets anders zijn dan één grote roversbende, zoals Augustinus ooit heeft gezegd: “Remota itaque iustitia quid sint regna nisi magna latrocinia?” H. Augustinus, Over de Stad Gods, De Civitate Dei. IV, 4: CCL 47, 102 Fundamenteel voor de structuur van het christendom is het onderscheid tussen wat ‘van de keizer’ is en ‘wat God toekomt’ Vgl. Mt. 22, 21 , dat wil zeggen het onderscheid tussen staat en Kerk of, zoals Vaticanum II zegt, de autonomie van het aardse. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 36 De staat mag geen godsdienst voorschrijven, maar moet de vrijheid van godsdienst en de vrede van de belijders van de verschillende godsdiensten onder elkaar waarborgen; de Kerk als de sociale uitdrukking van het christelijk geloof heeft van haar kant haar onafhankelijkheid en leeft vanuit haar geloof haar vorm van gemeenschap, die de staat te eerbiedigen heeft. Beide terreinen zijn onderscheiden, maar toch op elkaar betrokken.

    Gerechtigheid is het doel en daarmee ook de innerlijke norm van alle politiek. De politiek is meer dan een techniek om de openbare orde vorm te geven: haar oorsprong en doel is immers de gerechtigheid, en die is van ethische aard. Daarmee staat de staat in praktijk steeds voor de vraag waaraan zij zich niet kan onttrekken: hoe is de gerechtigheid hier en nu te verwezenlijken? Maar deze vraag veronderstelt die andere, nog fundamentelere: wat is gerechtigheid? Dit is een vraag van het praktische verstand; maar wil dit verstand goed functioneren, dan moet het steeds opnieuw worden gezuiverd, want haar ethische verblinding door de overheersing van belangen en macht die het verstand blinderen, is een nooit geheel uit te bannen gevaar.

    Op dit punt raken politiek en geloof elkaar. Het geloof heeft beslist zijn eigen wezen als ontmoeting met de levende God - een ontmoeting die ons nieuwe perspectieven biedt die de grenzen van het verstand ver overschrijden. Maar het is tegelijkertijd ook een zuiverende kracht voor het verstand zelf. Het bevrijdt het vanuit het perspectief van God uit zijn verblindingen en helpt het daarom beter zichzelf te zijn. Het stelt het verstand in staat beter zijn eigen werk te doen en beter het eigen bereik te zien. Precies hier lokaliseert zich de katholieke sociale leer. Zij wil de Kerk geen macht verschaffen over de staat; zij wil ook geen inzichten of gedragswijzen die bij de gelovigen horen, opdringen aan wie dit geloof niet delen. Zij wil enkel bijdragen aan de zuivering van het verstand en wil erbij helpen, dat hetgeen juist is, hier en nu erkend en dan ook gedaan kan worden.

    De sociale leer van de Kerk argumenteert vanuit het verstand en vanuit het natuurrecht, dat wil zeggen vanuit datgene wat wezenlijk is aan de natuur van alle mensen. En zij weet dat het niet de opdracht is van de Kerk om zelf deze leer politiek door te zetten: zij wil dienstbaar zijn aan de gewetensvorming in de politiek en er toe bijdragen dat het heldere zicht op de ware eisen van de gerechtigheid toeneemt, evenals de bereidheid om van daaruit te handelen, zelfs wanneer dat in tegenspraak is met gegroeide situaties van eigenbelang. Maar dat betekent dat de opbouw van een rechtvaardige ordening in samenleving en staat, waardoor ieder krijgt wat hem toekomt, een fundamentele opgave is die elke generatie zich moet stellen. Omdat het daarbij om een politieke opgave gaat, kan dat niet de onmiddellijke opdracht van de Kerk zelf zijn. Maar omdat het tegelijkertijd een fundamenteel menselijke opgave is, heeft de Kerk de plicht, op haar manier haar bijdrage te leveren, door de zuivering van het verstand en door ethische vorming, zodat de eisen van de gerechtigheid inzichtelijk en politiek realiseerbaar worden.

    De Kerk kan en mag de politieke strijd niet naar zich toe trekken teneinde de rechtvaardigst mogelijke samenleving te realiseren. Zij kan en mag de plaats van de staat niet innemen. Maar zij kan en mag ook niet afzijdig blijven van de inzet voor de gerechtigheid. Zij moet langs de weg van de argumentering deelnemen aan de inspanningen van het verstand, en zij moet in de mensen de geestelijke krachten wekken zonder welke de gerechtigheid, die steeds ook vraagt om afzien en offers, zich niet kan doorzetten noch gedijen. De rechtvaardige samenleving kan niet het werk van de Kerk zijn, maar moet door de politiek worden gemaakt. Maar de inzet voor de gerechtigheid door kennis en wil te openen voor de eisen van het goede, gaat haar ten diepste aan.

  2. Liefde - caritas - zal altijd nodig zijn, ook in de meest rechtvaardige samenleving. Er bestaat geen rechtvaardig staatsbestel dat het dienstwerk van de liefde overbodig zou kunnen maken. Wie de liefde zou willen afschaffen, is bezig de mens als mens af te schaffen. Er zal steeds leed blijven bestaan dat troost en hulp nodig heeft. Er zal steeds eenzaamheid bestaan. Steeds ook zullen er situaties van materiële nood bestaan, waarin hulp nodig is in de zin van concreet beoefende naastenliefde. Vgl. Congregatie voor de Bisschoppen, Directorium voor het pastorale ambt van bisschoppen, Apostolorum successores (22 feb 2004). 194, Vaticaanstad 2004, 2a, 209 De totale verzorgingsstaat die alles naar zich toetrekt, wordt tenslotte een bureaucratische instantie, die het belangrijkste dat de lijdende mens, dat iedere mens nodig heeft, niet kan geven: de liefdevolle persoonlijke aandacht. Wij hebben geen staat nodig die alles regelt en beheerst, maar een staat die volgens het subsidiariteitsbeginsel royaal de initiatieven erkend en ondersteunt, die vanuit de diverse maatschappelijke krachten opkomen en die spontaneïteit verbinden met nabijheid aan de hulpbehoevende medemens. De Kerk is zo’n vitale kracht: in haar leeft de door de Geest van Christus gewekte dynamiek van de liefde, die de mensen niet alleen maar materiële hulp, maar ook sterking en genezing voor de ziel brengt, wat dikwijls nodiger is dan de materiële ondersteuning. Achter de bewering dat de structuren van de gerechtigheid het dienstwerk van de liefde overbodig zouden maken, gaat in feite een materialistisch mensbeeld schuil: het bijgeloof dat de mens “alleen van brood” (Mt. 4, 4)(Deut. 8, 3) zou leven - een overtuiging die de mens omlaaghaalt en juist het specifiek menselijke miskent.
Zo kunnen we nu de verhouding nader bepalen tussen enerzijds de inzet voor een rechtvaardige ordening van staat en samenleving, en anderzijds de gemeenschappelijke en geordende beoefening van de liefde in het leven van de Kerk. Duidelijk geworden is, dat de opbouw van de rechtvaardige structuren niet onmiddellijk opdracht van de Kerk is, maar eigen is aan de politieke orde, het terrein van de van het zelfverantwoordelijke verstand. De Kerk heeft daarbij in zoverre een onmiddellijke opgave, dat het haar toekomt bij te dragen aan de zuivering van het verstand en het wekken van de zedelijke krachten, zonder welke de rechtvaardige structuren noch gebouwd kunnen worden, noch duurzaam werkzaam kunnen zijn.

De opgave om zich rechtstreeks in te zetten voor een rechtvaardige ordening in de samenleving, komt daarentegen specifiek aan de lekengelovigen toe. Als staatsburgers zijn zij geroepen persoonlijk aan het publieke leven deel te nemen. Daarom kunnen zij er zich niet aan onttrekken deel te nemen “aan de veelvoudige en gevarieerde economische, sociale, wetgevende, bestuurlijke en culturele activiteit welke gericht is op de organische en institutionele bevordering van het algemeen welzijn” H. Paus Johannes Paulus II, Postsynodale Apostolische Exhortatie, Over de roeping en de zending van de leken in de Kerk, Christifideles laici (30 dec 1988), 42 Het is de opgave van de lekengelovigen het maatschappelijk leven op de juiste wijze gestalte te geven door er de legitieme zelfstandigheid van te respecteren en met de andere burgers samen te werken volgens ieders bevoegdheden en eigen verantwoordelijkheid. Vgl. Congregatie voor de Geloofsleer, Activiteiten en het gedrag van de Katholieken op het gebied van de politiek (24 nov 2002), 1 Ook al mogen de specifieke uitdrukkingsvormen van het kerkelijk liefdewerk nooit gelijkgeschakeld worden met de activiteit van de staat, toch blijft onbestreden dat de liefde het hele leven van de lekengelovigen moet bezielen en daarom ook hun politieke werkzaamheid vorm geeft in de zin van een “sociale naastenliefde”. Catechismus-Compendium, Catechismus van de Katholieke Kerk (15 aug 1997), 1939

De charitatieve organisaties van de Kerk vormen daarentegen hun eigen opus proprium, hebben hun eigen opgave, niet door terzijde wat mee te werken, maar door als onmiddellijk verantwoordelijk subject zelf te handelen en datgene te doen wat aan hun wezen beantwoordt. Nooit kan de kerk gedispenseerd worden van de uitoefening van het dienstwerk van de liefde als een gemeenschappelijke geordende activiteit van de gelovigen, en anderzijds zal er zich nooit een situatie voordoen waarin men de concrete naastenliefde van iedere individuele christen niet nodig zou hebben, omdat de mens naast de gerechtigheid altijd liefde nodig heeft en nodig zal hebben.

Document

Naam: DEUS CARITAS EST
God is Liefde
Soort: Paus Benedictus XVI - Encycliek
Auteur: Paus Benedictus XVI
Datum: 25 december 2005
Copyrights: © 2006, Libreria Editrice Vaticana
Vert.: Past. Chr. van Buijtenen, pr.
vertaald vanuit de Duitstalige grondversie, gecontroleerd met de officiële Italiaanse, Franse en Engelse vertalingen
Bewerkt: 4 december 2020

Referenties naar dit document

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2021, Stg. InterKerk, Schiedam