• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

Hebben wij tot nu toe overwegend gesproken over het Oude Testament, toch is al voortdurend de innerlijke doordringing van beide Testamenten als de ene Schrift van het christelijk geloof zichtbaar geworden. Het eigenlijk nieuwe van het Nieuwe Testament, zijn niet zozeer de ideeën, maar de figuur van Christus zelf, die aan de gedachten vlees en bloed, een ongehoord realisme geeft. Al in het Oude Testament bestaat het bijbelse nieuwe niet eenvoudig in gedachten, maar in het onverwachte en in zekere zin ongehoorde handelen van God. Dit handelen van God neemt nu zijn dramatische vorm aan, in het feit dat in Jezus Christus God zelf het “verloren schaap”, de lijdende en verloren mensheid opzoekt. Wanneer Jezus in zijn gelijkenissen het heeft over de herder die het verloren schaap opzoekt, over de vrouw die de drachme zoekt, over de vader die de verloren zoon tegemoet gaat en hem omarmt, dan zijn dit alles niet slechts woorden, maar uitleg van wie Hij is en wat Hij doet. In zijn dood aan het kruis voltrekt zich dat ‘zich tegen zichzelf keren’ van God, waarin Hij zichzelf wegschenkt om de mens weer te doen opstaan en hem te redden - liefde in haar meest radicale vorm. Wie kijkt naar de doorboorde zijde van Jezus, waarvan Johannes spreekt Vgl. Joh. 19, 37 , begrijpt wat het uitgangspunt van deze brief was: “God is liefde” (1 Joh. 4, 8). Daar kan deze waarheid worden aanschouwd. En van daaruit is nu te definiëren wat liefde is. Vanuit deze beschouwing vindt de christen de weg van zijn leven en zijn liefhebben.

Aan deze daad van zelfgave heeft Jezus blijvende tegenwoordigheid verleend door de instelling van de Eucharistie tijdens het laatste avondmaal. Hij anticipeert op zijn dood en verrijzenis doordat Hij op dat uur al aan de leerlingen in brood en wijn zichzelf geeft, zijn lichaam en zijn bloed als het nieuwe Manna Vgl. Joh. 6, 31-33 . Heeft de antieke wereld ervan gedroomd dat uiteindelijk het eigenlijke voedsel van de mens - datgene waarvan de mens leeft - de logos, het eeuwige verstand zou zijn, nu is deze logos ook echt voedsel voor ons geworden - als liefde. De Eucharistie betrekt ons in de zelfgave van Jezus. Wij ontvangen de vleesgeworden logos niet slechts statisch, maar worden betrokken in de dynamiek van zijn zelfgave. Het beeld van het huwelijk tussen God en Israël wordt werkelijkheid op een manier die daarvóór niet te bedenken viel: uit het staan tegenover God wordt door de gemeenschap met de zelfgave van Jezus gemeenschap met zijn lichaam en bloed, wordt vereniging: de “mystiek” van het Sacrament, die op de afdaling van God tot ons berust, reikt verder en voert hoger, dan welke mystieke opwaartse vervoering van de mens ook zou kunnen reiken.
Maar nu dient nog iets anders te worden opgemerkt: de “mystiek” van het sacrament heeft een sociaal karakter. Want in de communie wordt ik met de Heer verenigd zoals alle anderen die de communie ontvangen: “Omdat het brood één is, vormen wij allen tezamen één lichaam, want allen hebben wij deel aan het ene brood”, zegt de heilige Paulus (1 Kor. 10, 17). De vereniging met Christus is tegelijk een vereniging met alle anderen aan wie Hij zich schenkt. Ik kan Christus niet alleen voor mijzelf hebben, ik kan Hem alleen maar toebehoren in de gemeenschap met allen die de zijnen geworden zijn of nog zullen worden. De communie trekt mij uit mijzelf naar Hem, en neemt mij daarmee tegelijk op in de eenheid met alle christenen. Wij worden “een Lichaam”, smelten samen tot één bestaan. Liefde tot God en naastenliefde zijn nu werkelijk verenigd: de vleesgeworden God trekt ons allen tot zich. Van daaruit is te verstaan dat agapè nu ook een aanduiding voor de Eucharistie wordt: in haar komt de agapè van God lichamelijk tot ons, om in ons en door ons verder te werken. Enkel vanuit deze christologisch-sacramentele grondslag kan men de leer van Jezus over de liefde juist verstaan. Dat Hij ons van Wet en Profeten naar het dubbelgebod leidt van de liefde tot God en de naastenliefde, en heel het gelovige bestaan zijn middelpunt laat vinden in deze opdracht, is niet louter moraal, die dan zelfstandig naast het geloof in Christus en naast zijn tegenwoordigstelling in de Sacramenten zou staan: geloof, eredienst en ethiek grijpen in elkaar als één enkele werkelijkheid, die zich vormt in de ontmoeting met Gods agapè. De gebruikelijke tegenstelling van cultus en ethos, van eredienst en ethiek, komt hier eenvoudigweg te vervallen: in de “cultus” zelf, in de eucharistische gemeenschap, is het bemind worden en het liefhebben van de ander vervat. Eucharistie die niet tot concreet handelende liefde wordt, is in zichzelf uiteengevallen, en omgekeerd - zoals we nog uitvoerig hebben na te gaan - wordt het gebod van de liefde pas echt mogelijk omdat het niet louter een eis is: liefde kan “geboden” worden omdat zij eerst geschonken wordt.

Van daaruit dienen ook de grote gelijkenissen van Jezus te worden verstaan:

  • De rijke verbrasser Vgl. Lc. 16, 19-31 smeekt vanuit de plaats van de verdoemenis, dat men aan zijn broers zou verkondigen hoe het degene vergaat die de noodlijdende armen eenvoudig over het hoofd heeft gezien. Jezus neemt deze noodroep op en brengt hem tot ons, om ons te waarschuwen, om ons op de goede weg te brengen.
  • De gelijkenis van de barmhartige Samaritaan Vgl. Lc. 10, 25-37 brengt vooral twee belangrijke verhelderingen aan.
    • Terwijl het begrip “naaste” tot dan toe wezenlijk op de volksgenoten en op de in het land Israël gevestigde vreemdelingen betrekking had, met andere woorden op de solidariteitsgemeenschap van land en volk, wordt die begrenzing nu opgeheven: ieder die mij nodig heeft en die ik kan helpen, is mijn naaste.
    • Het begrip “naaste” wordt algemeen geldig en blijft toch concreet. Het wordt ondanks de verbreding naar alle mensen toe, niet tot uitdrukking van een tot niets verplichtende “versten”-liefde , maar vraagt om mijn inzet metterdaad, hier en nu. Het blijft opgave van de kerk deze verbinding van verte en nabijheid steeds weer uit te leggen op een manier die het praktische leven van haar leden raakt.
  • Tenslotte dient hier ook nog de gelijkenis van het laatste oordeel Vgl. Mt. 25, 31-46 vermeld te worden, waarin de liefde tot maatstaf wordt voor de uiteindelijke beslissing over waarde of waardeloosheid van een mensenleven. Jezus vereenzelvigt zich met de noodlijdenden: de hongerenden, de dorstenden, de vreemdelingen, de naakten, de zieken en de gevangenen. “Al wat gij gedaan hebt voor een dezer geringsten van mijn broeders hebt gij voor Mij gedaan” (Mt. 25, 40). Liefde tot God en naastenliefde versmelten: in de geringsten ontmoeten wij Jezus zelf, en in Jezus ontmoeten wij God.

Document

Naam: DEUS CARITAS EST
God is Liefde
Soort: Paus Benedictus XVI - Encycliek
Auteur: Paus Benedictus XVI
Datum: 25 december 2005
Copyrights: © 2006, Libreria Editrice Vaticana
Vert.: Past. Chr. van Buijtenen, pr.
vertaald vanuit de Duitstalige grondversie, gecontroleerd met de officiële Italiaanse, Franse en Engelse vertalingen
Bewerkt: 29 november 2017

Referenties naar dit document

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
 
|
Pagina delen: 
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam