• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

Tenslotte moeten we nog aandacht schenken aan de reeds genoemde dragers van het caritatieve handelen van de Kerk. In wat we tot nu toe overwogen hebben, is al duidelijk geworden dat het eigenlijke subject van de diverse katholieke organisaties die een caritatief dienstwerk verrichten, de Kerk zelf is, en wel op alle niveaus, van de parochies via de particuliere Kerken tot aan de universele Kerk toe. Daarom was het volkomen terecht dat mijn vereerde voorganger, Paulus VI, de “Pauselijke Raad 'Cor Unum'” ingesteld heeft als een instantie van de Heilige Stoel die verantwoordelijk is voor de oriëntatie en coördinatie van de caritatieve organisaties en activiteiten die door de Kerk zijn gepromoot. Het beantwoordt aan de bisschoppelijke structuur van de Kerk, dat vervolgens in de particuliere Kerken de bisschoppen als opvolgers van de apostelen de eerste verantwoordelijkheid er voor dragen dat het programma uit de Handelingen van de apostelen Vgl. Hand.2, 42-44 ook in deze tijd wordt verwezenlijkt: de Kerk als het gezin van God moet tegenwoordig net zoals in het verleden een plaats zijn waar men elkaar helpt, en tegelijkertijd een plaats waar men bereid is allen die hulp nodig hebben dienstbaar te zijn, ook als zij niet tot de Kerk horen. Bij de wijding van een bisschop gaan aan de eigenlijke wijdingshandeling vragen aan de kandidaat vooraf, waarin de wezenlijke elementen van zijn bediening ter sprake komen en hem de plichten van zijn toekomstig ambt worden voorgehouden. In samenhang hiermee belooft de wijdeling uitdrukkelijk “omwille van de Heer de armen en daklozen en alle noodlijdenden welwillend tegemoet te zullen treden en zich over hen te zullen ontfermen”. Congregatie voor de Riten, Cæremoniale Episcoporum (17 aug 1886). De ordinatione episcopi, 43. Het Wetboek
Codex Iuris Canonici
Codex van het Canonieke recht
(25 januari 1983)
(C.I.C.) behandelt in de canones over het bisschopsambt de caritatieve activiteit niet uitdrukkelijk als een eigen terrein van de bisschoppelijke werkzaamheid, maar spreekt slechts in het algemeen over de opdracht van de bisschop, de verschillende apostolische werken te coördineren met behoud van ieders eigen karakter. Vgl. Wetboek, Codex van het Canonieke recht, Codex Iuris Canonici (25 jan 1983), 394 Vgl. Wetboek, Codex van Canoniek Recht van de Oosterse Kerken, Codex Canonum Ecclesiarum Orientalium (1 okt 1991), 203 Maar onlangs heeft het Congregatie voor de Bisschoppen
Apostolorum successores
Directorium voor het pastorale ambt van bisschoppen (22 februari 2004)
de plicht tot liefdadigheid, als een wezenlijke opdracht van de Kerk in haar geheel en van de Bisschop in zijn bisdom, concreter uitgewerkt Vgl. Congregatie voor de Bisschoppen, Directorium voor het pastorale ambt van bisschoppen, Apostolorum successores (22 feb 2004), 193-198 en het heeft onderstreept dat het dienstwerk van de liefde een daad van de Kerk als zodanig is en dat het net zo als de dienst van het Woord en van de Sacramenten een wezenlijk onderdeel uitmaakt van haar fundamentele opdracht. Vgl. Congregatie voor de Bisschoppen, Directorium voor het pastorale ambt van bisschoppen, Apostolorum successores (22 feb 2004), 194

Wat betreft de medewerkers die in de praktijk het werk van de naastenliefde in de Kerk verrichten, is het wezenlijke al gezegd: zij mogen zich niet laten oriënteren door de ideologieën van de wereldverbetering, maar moeten zich laten leiden door het geloof, dat in de liefde werkzaam wordt Vgl. Gal. 5, 6 . Daartoe dienen zij op de allereerste plaats mensen te zijn die door de liefde van Christus geraakt zijn, wier hart Christus met zijn liefde gewonnen heeft en waarin Hij de liefde voor de naaste heeft gewekt. Hun motto zou de zin uit de Tweede brief aan de Korintiërs moeten zijn: “De liefde van Christus laat ons geen rust” (2 Kor. 5, 14). Het inzicht dat in Hem God zelf zich voor ons gegeven heeft tot in de dood, moet ons ertoe brengen niet meer voor ons zelf te leven, maar voor Hem en met Hem voor de anderen. Wie Christus liefheeft, heeft de Kerk lief en wil dat zij steeds meer uitdrukking en instrument wordt van zijn liefde. De medewerker van iedere katholieke caritatieve organisatie wil er met de Kerk en vandaar met de bisschop zich voor inzetten dat de liefde tot God in de wereld zich uitbreidt. Hij wil door deel te nemen aan de liefdadigheid van de Kerk getuige van God en Christus zijn, en juist daarom de mens belangeloos goed doen.
Het innerlijk openstaan voor de katholieke dimensie van de Kerk zal in de medewerker als vanzelf de bereidheid bevorderen tot overleg met de andere hulporganisaties in dienst van de verschillende vormen van behoeftigheid; maar dat moet dan wel gebeuren met in acht name van het specifieke profiel van het dienstwerk dat Christus van zijn leerlingen verwacht. In zijn hymne op de liefde leert de heilige Paulus (1 Kor. 13) ons, dat liefde altijd meer is dan louter actie: “Al deel ik heel mijn bezit uit, al geef ik mijn lichaam prijs aan de vuurdood: als ik de liefde niet heb, baat het mij niets” (1 Kor. 13, 3). Deze hymne moet de Magna Charta van elk kerkelijk dienstwerk zijn; daarin zijn alle overwegingen samengevat die ik in het verloop van deze brief over de liefde heb ontwikkeld. De concrete actie schiet tekort, als daarin niet de liefde tot de mens zelf merkbaar wordt, die gevoed wordt vanuit de ontmoeting met Christus. Het persoonlijke, innerlijke ‘deelnemen’ aan de nood en het lijden van de ander, wordt zo tot een hem ‘deel geven’ aan mijzelf: ik moet de ander - wil de gave hem niet vernederen - niet slechts ‘iets’ van mijzelf geven, maar mijzelf; ik moet als persoon daarin aanwezig zijn.
Deze juiste wijze van dienen maakt de helper nederig. Hij doet niet uit de hoogte tegenover de ander, hoe armzalig diens situatie op dat ogenblik ook mag zijn. Christus heeft de minste plaats in de wereld ingenomen, - het kruis - , en juist met deze radicale nederigheid heeft Hij ons verlost en helpt Hij ons voortdurend. Wie de mogelijkheid heeft om te helpen, erkent dat juist zo ook hijzelf geholpen wordt, en dat het niet zijn verdienste of zijn grootheid is dat hij kan helpen. Deze opdracht is genade. Hoe meer iemand voor de anderen werkt, des te meer zal hij het woord van Christus verstaan en zich eigen maken: “Wij zijn onnutte knechten” (Lc. 17, 10). Want hij erkent dat hij niet op grond van eigen grootheid of prestatie handelt, maar omdat de Heer het hem geeft. Soms kan de overgrote nood en de beperktheid van wat hijzelf doet, bekoring tot moedeloosheid worden . Maar juist dan zal hem het besef helpen dat hij maar een werktuig in de hand van de Heer is; hij zal zich bevrijden van de hoogmoed dat hij zelf en op eigen kracht de noodzakelijke verbetering van de wereld tot stand moet brengen. Hij zal in deemoed datgene doen, wat hem mogelijk is, en dat andere in deemoed aan de Heer overlaten. God bestuurt de wereld, niet wij. Wij dienen Hem slechts, voor zover wij kunnen en Hij ons de kracht daartoe geeft. Maar met de opdracht om met deze kracht dan ook alles te doen wat wij kunnen: dat houdt de ware dienaar van Jezus Christus als het ware voortdurend in beweging: “De liefde van Christus laat ons geen rust” (2 Kor. 5, 14)
De ervaring dat de nood eindeloos is, kan ons enerzijds naar die ideologie drijven die voorgeeft nu te doen wat Gods wereldbestuur naar het schijnt niet klaar krijgt - de universele oplossing voor alles. Anderzijds kan zij bekoring worden tot traagheid, omdat het lijkt dat er toch niets te bereiken zou zijn. In zo’n situatie is het levendige contact met Christus de doorslaggevende hulp om op de juiste weg te blijven: niet in een mensenminachtende hoogmoed te vervallen, die niet werkelijk opbouwt maar veeleer vernietigt, noch zich over te geven aan de berusting, wat zou verhinderen dat men zich door de liefde laat leiden en zo de mensen dient. Het gebed als de manier om bij Christus steeds opnieuw kracht te halen, wordt hier tot een heel praktische urgentie. Wie bidt, verdoet niet zijn tijd, ook al vertoont de situatie alle tekenen van urgentie, en lijkt zij enkel en alleen tot handelen aan te zetten. De vroomheid zwakt de strijd tegen de armoede of zelfs tegen de ellende van de naaste niet af. De zalige Teresa van Calcutta is een heel duidelijk voorbeeld van het feit, dat de tijd die in het gebed aan God wordt gewijd de feitelijke werking van de naastenliefde niet alleen niet schaadt, maar er in werkelijkheid de onuitputtelijke bron van is. In haar brief bij gelegenheid van de Vasten van 1996 schreef de zalige aan haar lekenmedewerkers: “Wij hebben deze innige verbinding met God in ons dagelijks leven nodig. En hoe kunnen wij die verkrijgen? Door het gebed”.
Bij het zien van het activisme en het dreigende secularisme van veel christenen die op het terrein van de caritas werkzaam zijn, is het tijd opnieuw de betekenis te benadrukken van het gebed. De biddende christen beeldt zich natuurlijk niet in Gods plannen te veranderen, of te verbeteren wat God heeft voorzien. Hij zoekt veeleer de ontmoeting met de Vader van Jezus Christus, en bidt dat Hij met de troost van zijn Geest in hem en in zijn werkzaamheden aanwezig wil zijn. De vertrouwelijke omgang met de persoonlijke God en de overgave aan zijn wil verhinderen dat de mens schade lijdt, en behoeden hem voor de valstrikken van fanatieke en terroristische leringen. Een echte godsdienstige grondhouding voorkomt dat de mens zich tot rechter over God verheft en Hem aanklaagt, dat Hij de ellende toelaat zonder medelijden met zijn schepselen te voelen. Maar wie zich aanmatigt tegen God te strijden met een beroep op de belangen van de mens - op wie moet zo iemand zich verlaten, wanneer het menselijke handelen machteloos blijkt?
Natuurlijk kan Job zich bij God beklagen over het onbegrijpelijke en ogenschijnlijk niet te rechtvaardigen lijden, dat in de wereld bestaat. Zo zegt hij in zijn smart: “Ach, kon ik Hem toch eens vinden, doordringen tot zijn verblijf! ...Eindelijk zou ik zijn antwoord kennen en horen wat Hij wil. Zou Hij dan met al zijn macht mij vervolgen? ... Daarom ben ik zo bang voor Hem; hoe meer ik dat besef, hoe banger ik word. Bij Hem ontzinkt mij alle moed. Juist zijn almacht doemt mij tot onmacht.” (Job 23, 3. 5-6. 15-16). Dikwijls is het ons niet gegeven, de reden te kennen waarom God zijn arm terug houdt, in plaats van in te grijpen. Hij verbiedt ons overigens niet om eens, net als Jezus aan het kruis, te roepen: “Mijn God, mijn God, waarom hebt U mij verlaten?” In een biddende dialoog zouden wij met deze vraag voor zijn aanschijn moeten volharden: “Hoelang nog, heilige en waarachtige Heerser, zult gij het oordeel uitstellen? (Apok. 6, 10). Augustinus geeft op dit lijden van ons het antwoord vanuit het geloof: “Si comprehendis, non est Deus - Als je Hem begrijpt, dan is het God niet”. H. Augustinus, Sermo 52, 16: PL 38, 360 Ons protest wil God niet uitdagen, noch bij Hem dwaling, zwakte of onverschilligheid veronderstellen. Het is de gelovige onmogelijk te denken dat God machteloos zou zijn, of dat Hij zou “slapen” Vgl. 1 Kon. 18, 27 . Het is veeleer zo, dat zelfs onze roepen, zoals dat van Jezus aan het kruis, de uiterste en diepste bevestiging is van ons geloof in zijn soevereiniteit. Christenen blijven namelijk, ondanks alle onbegrijpelijkheden en verwarringen van de wereld om hen heen, geloven in de “goedheid en mensenliefde van God” (Tit. 3, 4). Hoewel zij als alle andere mensen ondergedompeld zijn in de dramatische complexiteit van de gebeurtenissen van de geschiedenis, blijven zij gevestigd in de hoop dat God een Vader is en ons liefheeft, ook wanneer ons zijn zwijgen onbegrijpelijk blijft voorkomen.
Geloof, hoop en liefde horen bij elkaar. In de praktijk komt de hoop tot uitdrukking in de deugd van het geduld, dat niet ophoudt het goede te doen al lijkt alles zonder resultaat, en in de deugd van de nederigheid, die Gods mysterie aanvaardt en Hem ook in het duister vertrouwt. Het geloof laat ons God zien als de God die zijn Zoon voor ons heeft gegeven, en geeft ons zo de overweldigende zekerheid dat het waar is: God is liefde! Op deze manier verandert het ons ongeduld en onze twijfel in de zekerheid van de hoop, dat God de wereld in handen houdt, en dat Hij ondanks alle duisternis overwint, zoals de Geheime Openbaring dat met haar schokkende beelden uiteindelijk stralend laat zien. Het geloof, het zich bewust worden van de liefde van God die zich geopenbaard heeft in het doorboorde Hart van Jezus aan het kruis, brengt van zijn kant de liefde voort. Zij is het licht - uiteindelijk het enige - dat een duistere wereld steeds weer verlicht en ons de moed geeft om te leven en tot daden te komen. De liefde is mogelijk en wij kunnen haar beoefenen, omdat wij naar Gods beeld zijn geschapen. De liefde waarmaken en daardoor het Licht van God in de wereld binnenlaten: daartoe wil ik met deze rondzendbrief graag uitnodigen.

Document

Naam: DEUS CARITAS EST
God is Liefde
Soort: Paus Benedictus XVI - Encycliek
Auteur: Paus Benedictus XVI
Datum: 25 december 2005
Copyrights: © 2006, Libreria Editrice Vaticana
Vert.: Past. Chr. van Buijtenen, pr.
vertaald vanuit de Duitstalige grondversie, gecontroleerd met de officiële Italiaanse, Franse en Engelse vertalingen
Bewerkt: 7 november 2019

Referenties naar dit document

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2020, Stg. InterKerk, Schiedam