• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

Om nu de verhouding tussen de noodzakelijke inzet voor de gerechtigheid en het dienstwerk van de liefde nauwkeuriger vast te stellen, moet we acht slaan op twee fundamentele situaties:

  1. De rechtvaardige ordening van de samenleving en van de staat is de centrale opdracht van de politiek. Een staat die niet door gerechtigheid gedefinieerd zou zijn, zou niets anders zijn dan één grote roversbende, zoals Augustinus ooit heeft gezegd: “Remota itaque iustitia quid sint regna nisi magna latrocinia?” H. Augustinus, Over de Stad Gods, De Civitate Dei. IV, 4: CCL 47, 102 Fundamenteel voor de structuur van het christendom is het onderscheid tussen wat ‘van de keizer’ is en ‘wat God toekomt’ Vgl. Mt. 22, 21 , dat wil zeggen het onderscheid tussen staat en Kerk of, zoals Vaticanum II zegt, de autonomie van het aardse. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 36 De staat mag geen godsdienst voorschrijven, maar moet de vrijheid van godsdienst en de vrede van de belijders van de verschillende godsdiensten onder elkaar waarborgen; de Kerk als de sociale uitdrukking van het christelijk geloof heeft van haar kant haar onafhankelijkheid en leeft vanuit haar geloof haar vorm van gemeenschap, die de staat te eerbiedigen heeft. Beide terreinen zijn onderscheiden, maar toch op elkaar betrokken.

    Gerechtigheid is het doel en daarmee ook de innerlijke norm van alle politiek. De politiek is meer dan een techniek om de openbare orde vorm te geven: haar oorsprong en doel is immers de gerechtigheid, en die is van ethische aard. Daarmee staat de staat in praktijk steeds voor de vraag waaraan zij zich niet kan onttrekken: hoe is de gerechtigheid hier en nu te verwezenlijken? Maar deze vraag veronderstelt die andere, nog fundamentelere: wat is gerechtigheid? Dit is een vraag van het praktische verstand; maar wil dit verstand goed functioneren, dan moet het steeds opnieuw worden gezuiverd, want haar ethische verblinding door de overheersing van belangen en macht die het verstand blinderen, is een nooit geheel uit te bannen gevaar.

    Op dit punt raken politiek en geloof elkaar. Het geloof heeft beslist zijn eigen wezen als ontmoeting met de levende God - een ontmoeting die ons nieuwe perspectieven biedt die de grenzen van het verstand ver overschrijden. Maar het is tegelijkertijd ook een zuiverende kracht voor het verstand zelf. Het bevrijdt het vanuit het perspectief van God uit zijn verblindingen en helpt het daarom beter zichzelf te zijn. Het stelt het verstand in staat beter zijn eigen werk te doen en beter het eigen bereik te zien. Precies hier lokaliseert zich de katholieke sociale leer. Zij wil de Kerk geen macht verschaffen over de staat; zij wil ook geen inzichten of gedragswijzen die bij de gelovigen horen, opdringen aan wie dit geloof niet delen. Zij wil enkel bijdragen aan de zuivering van het verstand en wil erbij helpen, dat hetgeen juist is, hier en nu erkend en dan ook gedaan kan worden.

    De sociale leer van de Kerk argumenteert vanuit het verstand en vanuit het natuurrecht, dat wil zeggen vanuit datgene wat wezenlijk is aan de natuur van alle mensen. En zij weet dat het niet de opdracht is van de Kerk om zelf deze leer politiek door te zetten: zij wil dienstbaar zijn aan de gewetensvorming in de politiek en er toe bijdragen dat het heldere zicht op de ware eisen van de gerechtigheid toeneemt, evenals de bereidheid om van daaruit te handelen, zelfs wanneer dat in tegenspraak is met gegroeide situaties van eigenbelang. Maar dat betekent dat de opbouw van een rechtvaardige ordening in samenleving en staat, waardoor ieder krijgt wat hem toekomt, een fundamentele opgave is die elke generatie zich moet stellen. Omdat het daarbij om een politieke opgave gaat, kan dat niet de onmiddellijke opdracht van de Kerk zelf zijn. Maar omdat het tegelijkertijd een fundamenteel menselijke opgave is, heeft de Kerk de plicht, op haar manier haar bijdrage te leveren, door de zuivering van het verstand en door ethische vorming, zodat de eisen van de gerechtigheid inzichtelijk en politiek realiseerbaar worden.

    De Kerk kan en mag de politieke strijd niet naar zich toe trekken teneinde de rechtvaardigst mogelijke samenleving te realiseren. Zij kan en mag de plaats van de staat niet innemen. Maar zij kan en mag ook niet afzijdig blijven van de inzet voor de gerechtigheid. Zij moet langs de weg van de argumentering deelnemen aan de inspanningen van het verstand, en zij moet in de mensen de geestelijke krachten wekken zonder welke de gerechtigheid, die steeds ook vraagt om afzien en offers, zich niet kan doorzetten noch gedijen. De rechtvaardige samenleving kan niet het werk van de Kerk zijn, maar moet door de politiek worden gemaakt. Maar de inzet voor de gerechtigheid door kennis en wil te openen voor de eisen van het goede, gaat haar ten diepste aan.

  2. Liefde - caritas - zal altijd nodig zijn, ook in de meest rechtvaardige samenleving. Er bestaat geen rechtvaardig staatsbestel dat het dienstwerk van de liefde overbodig zou kunnen maken. Wie de liefde zou willen afschaffen, is bezig de mens als mens af te schaffen. Er zal steeds leed blijven bestaan dat troost en hulp nodig heeft. Er zal steeds eenzaamheid bestaan. Steeds ook zullen er situaties van materiële nood bestaan, waarin hulp nodig is in de zin van concreet beoefende naastenliefde. Vgl. Congregatie voor de Bisschoppen, Directorium voor het pastorale ambt van bisschoppen, Apostolorum successores (22 feb 2004). 194, Vaticaanstad 2004, 2a, 209 De totale verzorgingsstaat die alles naar zich toetrekt, wordt tenslotte een bureaucratische instantie, die het belangrijkste dat de lijdende mens, dat iedere mens nodig heeft, niet kan geven: de liefdevolle persoonlijke aandacht. Wij hebben geen staat nodig die alles regelt en beheerst, maar een staat die volgens het subsidiariteitsbeginsel royaal de initiatieven erkend en ondersteunt, die vanuit de diverse maatschappelijke krachten opkomen en die spontaneïteit verbinden met nabijheid aan de hulpbehoevende medemens. De Kerk is zo’n vitale kracht: in haar leeft de door de Geest van Christus gewekte dynamiek van de liefde, die de mensen niet alleen maar materiële hulp, maar ook sterking en genezing voor de ziel brengt, wat dikwijls nodiger is dan de materiële ondersteuning. Achter de bewering dat de structuren van de gerechtigheid het dienstwerk van de liefde overbodig zouden maken, gaat in feite een materialistisch mensbeeld schuil: het bijgeloof dat de mens “alleen van brood” (Mt. 4, 4)(Deut. 8, 3) zou leven - een overtuiging die de mens omlaaghaalt en juist het specifiek menselijke miskent.

Document

Naam: DEUS CARITAS EST
God is Liefde
Soort: Paus Benedictus XVI - Encycliek
Auteur: Paus Benedictus XVI
Datum: 25 december 2005
Copyrights: © 2006, Libreria Editrice Vaticana
Vert.: Past. Chr. van Buijtenen, pr.
vertaald vanuit de Duitstalige grondversie, gecontroleerd met de officiële Italiaanse, Franse en Engelse vertalingen
Bewerkt: 7 november 2019

Referenties naar dit document

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2020, Stg. InterKerk, Schiedam