• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

Het Lied van de lijdende dienaar in het boek Jesaja brengt ons met de volgende verzenen juist tot deze vraag en tot het antwoord erop:

"Waarlijk, als een zoenoffer gaf hij zijn leven.
Nakomelingen zal hij mogen zien,
en lang blijven leven;
immers, wat Jahwe behaagde heeft zijn hand volvoerd.
Omwille van het doorstane lijden
zal hij het licht mogen zien
en met kennis verzadigd worden.
Mijn rechtvaardige dienstknecht zal velen rechtvaardig maken,
doordat hun zonden draagt.
Daarom geeft ik hem zijn deel temidden van de velen,
en samen met hun machthebbers verdeelt hij de buit,
omdat hij zijn leven prijsgaf tot ter dood,
en zich bij de weerspanningen liet tellen.
Hij echter had de zonden van velen op zich genomen
en kwam zo voor de weerspanningen op"
(Jes. 53, 10-12).

Men kan zeggen dat met het lijden van Christus heel het menselijk lijden in een nieuwe situatie is komen te verkeren. Hiervan heeft Job als het ware een voorgevoel gehad, toen hij zei: "Want ik weet dat mijn Verlosser leeft..." (Job. 19, 25, Vulgaatvertaling); op dit perspectief heeft hij als het ware zijn eigen lijden gericht, dat hem zonder de Verlossing niet in zijn volle dimensie duidelijk kon worden. In het kruis van Christus is niet slechts de Verlossing door het lijden tot voltooiing gekomen, maar is ook het menselijk lijden zelf verlost. Christus heeft – zonder enige eigen schuld – "het hele kwaad van de zonde" op zich genomen. Dit ervaring van dit kwaad heeft de onvergelijkelijke maat van het lijden van Christus bepaald, dat de prijs voor de verlossing is geworden. Hierover spreekt Jesaja in het Lied van de lijdende dienaar en hierover hebben de getuigen van het Nieuwe Verbond gesproken: dit verbond is door het bloed van Christus gesloten. Zo de woorden uit de eerste brief van de apostel Petrus: "Gij weet dat gij niet met veranderlijke dingen, zoals goud en zilver, zijt verlost door het kostbaar bloed van Christus, het lam zonder vlek of gebrek" (1 Pt. 1, 18-19). In de brief aan de Galaten zegt de apostel Paulus: "...die zich heeft gegeven voor onze zonden om ons te ontrukken aan de tegenwoordige slechte wereld" (Gal. 1, 4); en in de brief aan de Korintiërs: "Gij zijt gekocht en de prijs is betaald. Eert God dan met uw lichaam" (1 Kor. 6, 20).

Met deze en andere woorden van dezelfde strekking strekking spreken de getuigen van het Nieuwe Verbond over de grootte van de Verlossing, die door het lijden van Christus voltooid is. In plaats van de mens en voor de mens heeft de Verlosser geleden. Iedere mens heeft zijn aandeel in de Verlossing. Ook wordt iedere mens opgeroepen tot deelname aan dit lijden, waardoor de verlossing voltooid is; hij wordt opgeroepen tot deelname aan dit lijden waardoor ook alle menselijk lijden verlost is. Christus, die door Zijn lijden de Verlossing tot stand brengt, heeft tegelijkertijd het menselijk lijden tot het niveau van de Verlossing verheven. Daarom kan ook iedere mens die door eigen lijden getroffen wordt, deelnemen aan het verlossende lijden van Christus.

Deze gedachte komt in veel teksten van het Nieuwe Testament tot uitdrukking. In de tweede brief aan de Korintiërs schrijft de apostel:

"Wij worden aan alle kanten bestookt, maar raken toch niet klem; wij zien geen uitweg meer, maar zijn nooit ten einde raad; wij worden opgejaagd, maar niet in de steek gelaten; wij worden neergeveld, maar gaan er niet aan dood. Altijd dragen wij het sterven van Jezus in ons lichaam mee, want ook het leven van Jezus moet in ons leven openbaar worden. Voortdurend wordt ons leven aan de dood uitgeleverd om Jezus’ wil, opdat ook het leven van Jezus zich zou openbaren in ons sterfelijk bestaan... Want wij weten, dat Hij die de Heer Jezus van de doden heeft opgewekt, ook ons als evenals Jezus ten leven zal wekken" (2 Kor. 4, 8-11.14).

De heilige Paulus spreekt hier over de verschillende vormen van lijden en vooral over die waaraan de eerste Christenen "om Jezus’ wil" deel hadden. Zij maken het voor degenen aan wie deze brief geschreven is, mogelijk om te delen in het werk van de verlossing, dat door het lijden en de dood van de Verlosser is volbracht. Maar de geweldige en beslissende betekenis van het kruis en de dood worden door de even geweldige en beslissende betekenis van de verrijzenis voltooid. In de verrijzenis ontdekt de mens een volkomen nieuw licht, dat hem zeker helpt om zijn weg te vinden door de duisternis van zoveel beledigingen, twijfels, wanhoop en vervolging. Daarom schrijft de apostel ook in de tweede brief aan Korintiërs: "Want wij delen volop in het lijden van Christus; maar door Christus gewordt ons ook overvloedige verlossing" (2 Kor. 1, 5). Op een andere plaats spreekt hij zijn lezers moed in met de woorden: "Moge de Heer uw harten neigen tot de liefde Gods en de standvastigheid van Christus" (2 Tes. 3, 5). En in de brief aan de Romeinen spreekt hij hen als volgt toe: "En nu, broeders, smeek ik u bij Gods erbarming, wijdt uzelf aan Hem toe als een levende, heilige offergave, die Hij kan aanvaarden. Dat is de geestelijke eredienst die u past" (Rom. 12, 1).

Het delen in het lijden van Christus krijgt in deze uitspraken van de apostel als het ware een dubbele dimensie. Als de mens deelgenoot wordt aan het lijden van Christus, gebeurt dit omdat Christus Zijn lijden voor de mens heeft opengesteld, omdat Hijzelf in Zijn heilzaam lijden in zekere zin deelgenoot is geworden van alle vormen van menselijk lijden. Als de mens door middel van het geloof het verlossende lijden van Christus ontdekt, ontdekt hij daarin tegelijk zijn eigen lijken en ziet hij door het geloof duidelijk dat dit lijden met een nieuwe inhoud en nieuwe betekenis verrijkt wordt. Dit inzicht legt Paulus in de brief aan de Galaten de zeer ernstige woorden in de mond: "Met Christus ben ik gekruisigd. Ikzelf leef niet meer, Christus is het die leeft in mij. Voorzover ik nu leef in het vlees, leef ik in het geloof in de Zoon van God, die mij heeft liefgehad en zichzelf heeft overgeleverd voor mij" (Gal. 2, 19-20). Het geloof bewerkt dat de schrijver van deze woorden inzicht krijgt in de liefde die Christus tot het kruis heeft gebracht. Als Hij door Zijn lijden en sterven zozeer heeft liefgehad, leeft Hij door Zijn lijden en dood ook in degene die Hij zozeer heeft liefgehad, d.w.z. dan leeft Hij in de mens: in Paulus. Door in hem te leven – terwijl Paulus, zich hiervan door het geloof bewust, deze liefde met zijn liefde beantwoord – wordt Christus ook op bijzondere wijze door het kruis met de mens, met Paulus, verbonden. Deze verbondenheid legt Paulus in dezelfde brief aan de Galaten nog andere, niet minder ernstige woorden in de mond: "Mij moge God er voor bewaren op iets anders te roemen dan op het kruis van onze Heer Jezus Christus, waardoor de wereld voor mij gekruisigd is en ik voor de wereld" (Gal. 6, 14).

Het kruis van Christus werpt op zo’n indringende wijze een heilzaam licht op het leven en vooral het lijden van de mens, omdat het via het geloof samen met de verrijzenis tot die mens komt: het mysterie van het lijden ligt opgesloten in het paasmysterie. Degenen die getuigen zijn van het lijden van Christus, zijn tevens getuigen van Zijn verrijzenis. De heilige Paulus schrijft: "Ik wil Christus kennen, ik wil de kracht van Zijn opstanding gewaarworden en de gemeenschap met Zijn lijden, ik wil steeds meer op Hem lijken in Zijn sterven om eens te mogen komen tot de wederopstanding uit de doden" (Fil. 3,10-11). In feite heeft de apostel "de kracht van de opstanding" van Christus is het eerst ervaren op weg naar Damascus; pas later is hij in dit paaslicht tot die "gemeenschap met Zijn lijden" gekomen, waarover hij bijvoorbeeld in de brief aan de Galaten spreekt. De weg van Paulus is duidelijk een weg via Pasen: de gemeenschap met het kruis van Christus komt tot stand via de ervaring van de Verrezene, d.w.z. door een bijzondere deelname aan de verrijzenis. Daarom ook komt in de uitspraken van de apostel over het lijden zo vaak het motief van de heerlijkheid voor, die haar oorsprong vindt in het kruis van Christus.

De getuigen van het kruis en de verrijzenis zijn er vast van overtuigd dat zij "door vele kwellingen het Rijk Gods moetyen binnengaan" (Hand. 14,22). Bovendien schrijft Paulus aan de Tessalonicenzen: "Wij roemen dan ook over u... omdat uw geloof stand houdt onder al de vervolgingen en verdrukkingen die gij moet verduren: een bewijs dat Gods rechtvaardig oordeel u Zijn koninkrijk, waarvoor ge nu lijdt, zal waardig keuren" (2 Tess. 1,4-5). Zo is dus de gemeenschap met het lijden van Christus dit Rijk waardig gekeurd. Door hun lijden betalen zij in zekere mate de oneindige prijs terug van het lijden en de dood van Christus, dat de prijs is geworden van onze Verlossing: door deze prijs is het Rijk Gods opnieuw in de geschiedenis van de mens gevestigd en wordt zo het uiteindelijke perspectief van zijn aardse bestaan. Door Zijn lijden heeft Christus ons toegang tot dit Rijk verschaft; de mensen die als het ware geheel omgeven worden door het mysterie van Christus’ Verlossing, worden zelfs rijp om hieraan mee te bouwen.

Met dit perspectief van het Rijk Gods hangt ook de hoop op die heerlijkheid samen die met het kruis van Christus begint. De verrijzenis maakt deze heerlijkheid – een eschatologische heerlijkheid – zichtbaar, die door het onmetelijke lijden van Christus aan het kruis nog volkomen verduisterd was. Zij die aan het lijden van Christus deelnemen, worden ook opgeroepen om door hun lijden te delen in Zijn heerlijkheid. Paulus verklaart dit op meerdere plaatsen. Aan de Romeinen schrijft hij: "Wij zijn erfgenamen van God, tezamen met Christus, daar wij delen in Zijn lijden, om ook te delen in Zijn verheerlijking. Ik ben er zelfs van overtuigd, dat het lijden van deze tijd niet opweegt tegen de heerlijkheid waarvan ons de openbaring te wachten staat" (Rom. 8,17-18). In de tweede brief aan de Korintiërs lezen wij: "De lichte kwelling van en ogenblik bezorgt ons een alles overtreffende, altijddurende volheid van glorie. Wij houden het oog gericht niet op het zichtbare, maar op het onzichtbare" (2 Kor. 4,17-18). In zijn eerste brief heeft de apostel Petrus deze waarheid zo uitgedrukt: "Verheug u veeleer, juist in de mate dat gij deel hebt aan het lijden van Christus; dan zult gij juichen van blijdschap, wanneer Zijn heerlijkheid zich openbaart" (1 Petr. 4,13).

Het motief van het lijden en de heerlijkheid heeft een strikt evangelisch karakter; dit wordt duidelijk belicht en zichtbaar gemaakt door de verwijzing naar het kruis en de verrijzenis. De verrijzenis is vóór alles de openbaring van heerlijkheid geworden, die uitdrukkelijk beantwoordt aan de verheffing van Christus door middel van het kruis. Want hoewel het kruis in de ogen van de mensen een vernedering van Christus was, was het tegelijk voor God Zijn verheffing . Aan het kruis heeft Christus het hoogtepunt van Zijn zending bereikt en deze volbracht: het volbrengen van de wil van de Vader was tegelijk Zijn eigen bevestiging en vervolmaking. In Zijn zwakheid heeft Hij Zijn macht en in Zijn nederigheid Zijn hele Messiaanse grootheid geopenbaard. Getuigen niet alle woorden die Hij tijdens Zijn sterven op Golgota sprak, van deze grootheid, vooral die welke betrekking hadden op degenen die Zijn kruisiging hadden veroorzaakt: "Vader, vergeef hun, want ze weten niet wat ze doen" (Lc. 23,34)? Deze woorden ontroeren, door de kracht van Zijn verheven voorbeeld, degenen die het lijden van Christus delen. Het lijden is ook een oproep om de zedelijke grootheid van de mens en zijn geestelijke rijpheid te openbaren. In alle generaties hebben de martelaren en belijders van Christus dit bewezen, vol vertrouwen in de woorden: "Weest niet bevreesd voor hen die wel het lichaam kunnen doden maar niet de ziel" (Mt. 10,28).

De verrijzenis van Christus heeft "de heerlijkheid van de toekomstige wereld" geopenbaard en tevens "de heerlijkheid van het kruis" bevestigd: die heerlijkheid die juist in het lijden van Christus ligt besloten en die in het verleden en in het heden dikwijls in het lijden van de mens als uiting van zijn geestelijke grootheid weerspiegeld is. Men dient deze heerlijkheid niet slechts in de martelaren voor het geloof te erkennen, maar ook in talrijke andere mensen , die soms, hoewel zij niet in Christus geloven, omwille van de waarheid of een andere rechtvaardige zaak mishandeld worden en hun leven offeren. In de kwellingen van al deze mensen word op heel bijzondere wijze de grote waardigheid van de mens bevestigd.

Het lijden is altijd een beproeving – soms een echt zware beproeving – die de mensheid wordt opgelegd. In de brieven van de heilige Paulus beluisteren wij vaak die wonderlijke en paradoxale woorden over zwakheid en sterkte, die de apostel zelf ervaren heeft en die met hem allen ervaren die in het lijden van Christus delen. In de tweede brief aan de Korintiërs schrijft Paulus: "Dus zal ik het liefst van alles roemen op mijn zwakheden. Dan zal de kracht van Christus in mijn wonen" (2 Kor. 12,9). In de tweede brief aan Timoteüs lezen wij: "Daarom moet ik ook deze nieuwe beproeving ondergaan, maar ik schaam mij er niet voor, want ik weet wie ik mijn vertrouwen heb geschonken" (2 Tim. 1,12). In de brief aan de Filippenzen zegt hij zelfs: "Alles vermag ik in hem die mij kracht geeft" (Fil. 4,13).

Wie deelt in het lijden van Christus, heeft het paasmysterie van het kruis en de verrijzenis voor ogen, waarin Christus eerst tot de uiterste grenzen van menselijke zwakheid en hulpeloosheid afdaalt: Hij sterft immers aan een kruis genageld. Maar als in deze zwakheid tegelijk ook Zijn verheffing tot stand komt, die door de kracht van de verrijzenis wordt bevestigd, dan betekent dit dat in de zwakheid van alle menselijk lijden diezelfde kracht van God kan doordringen die zich in het kruis van Christus geopenbaard heeft. In deze gedachtegang betekend lijden bijzonder ontvankelijk worden en openstaan voor de werking van de heilzame kracht van God, die de mens in Christus wordt geschonken. God heeft in Hem bevestigd dat Hij vooral door middel van een bijzonder lijden te werk wil gaan, namelijk via de zwakheid en de vernedering van de mens, en dat Hij hiervan Zijn kracht wil openbaren. Zo kan men ook de vermaning in de eerste brief van Petrus verklaren: "Maar wie als christen lijdt, moet zich niet samen, maar God eren met de naam" (1 Pt. 4,16).

In de brief aan de Romeinen gaat de apostel Petrus nog uitvoeriger in op deze "kracht die uit zwakheid voortkomt" en op deze geestelijke vernieuwing van de mens in beproevingen en lijden, die de bijzondere roeping is van degenen die in het lijden van Christus delen: "Meer nog, wij zijn zelfs trots op onze beproevingen, in het besef dat verdrukking leidt tot volharding, volharding tot beproefde deugd en deze weer tot hoop. En de hoop wordt niet teleurgesteld, want Gods liefde is in ons hart uitgestort door de heilige Geest die ons werd geschonken" (Rom. 5,3-5). In het lijden wordt een speciale oproep tot de mens gericht om van zijn kant de deugd te beoefenen. Het is de deugd van volharding om alles te verdragen wat onaangenaam en schadelijk is. De mens die zo handelt, roept die hoop op die hem de overtuiging geeft dat hij niet onder de druk van de beproevingen zal bezwijken en dat hij nooit beroofd kan worden van de menselijke waardigheid die met het bewustzijn van de zin van het leven gepaard gaat. Deze zin van het leven openbaart zich tegelijk met de werking van Gods liefde, die de hoogste gave van de heilige Geest is. Omdat de mens in deze liefde deelt, ontdekt hij zichzelf volkomen in de beproeving: hij vindt zijn "leven", dat hij vanwege het lijden verloren meende te hebben Vgl. Mc. 8, 35 Vgl. Lc. 9, 24 Vgl. Joh. 12, 25 .

Maar de ervaringen van de apostel, die deelt in het lijden van Christus, gaat zelfs nog verder. In de brief aan de Kolossenzen lezen wij deze woorden van Paulus, die – wat de beproevingen betreft – als het ware het eindpunt van zijn geestelijke reis vormen: "Op het ogenblik verheug ik mij dat ik voor U mag lijden en in mijn lichaam aanvullen wat nog ontbreekt aan de verdrukkingen van de Christus, ten bate van Zijn lichaam, dat is de Kerk" (Kol. 1,24). In een andere brief vraagt hij zijn lezers: "Gij weet toch dat uw lichamen ledematen zijn van Christus?" (1 Kor. 6,15).

In het paasmysterie heeft Christus een begin gemaakt met Zijn verbondenheid met de mens in de gemeenschap van de Kerk. Het mysterie van de Kerk wordt als volgt uitgedrukt: in de toediening van het doopsel, waardoor de mens in Christus wordt ingelijfd, en vervolgens door het offer van Christus – sacramenteel door de eucharistie – wordt de Kerk steeds meer als het lichaam van Christus geestelijk opgebouwd. In dit lichaam wil Christus met alle mensen verbonden worden en verenigt Hij zich vooral met degen die lijden. De reeds geciteerde woorden van de brief aan de Kolossenzen getuigen van het bijzondere karakter van deze verbondenheid. Want wie samen met Christus lijdt – zoals de apostel Paulus zijn "beproevingen" in verbondenheid met Christus ondergaat – put niet slechts uit Christus die kracht waarvan hierboven sprake was, maar door zijn eigen lijden kan hij "aanvullen wat nog ontbreekt aan de verdrukkingen van de Christus". In deze Bijbelse tekst wordt de waarheid van het scheppende karakter van het lijden op bijzondere wijze belicht. Het lijden van Christus heeft het heil van de Verlossing van de wereld bewerkt. Dit heil is in zich onuitputtelijk en oneindig en de mens kan er niets aan toevoegen. Maar tegelijk heeft Christus in het mysterie van de Kerk als Zijn lichaam Zijn verlossende lijden in zekere zin voor alle menselijke beproevingen opengesteld. In zoverre de mens deelt in het lijden van Christus – overal ter wereld en in ieder tijdperk van de geschiedenis – vult hij op zijn manier dit lijden aan, waardoor Christus de Verlossing van de wereld tot stand heeft gebracht.

Betekent dit dat de door Christus bewerkte verlossing niet volledig is? Neen. Het betekend alleen maar dat de Verlossing, die door de kracht van de verzoenende liefde tot stand is gebracht, voortdurend openstaat voor alle liefde die in het lijden van de mens zichtbaar wordt. In deze dimensie – de dimensie van de liefde – wordt de reeds volledig tot stand gebrachte Verlossing in zekere zin onophoudelijk voltooid. Christus heeft de Verlossing weliswaar volledig en definitief bewerkt; maar daarmee heeft Hij deze niet afgesloten: in dit verlossende lijden, waardoor de Verlossing voor allen tot stand is gebracht, heeft Christus van het begin af alles samengevat wat de mens lijden, in het verleden maar ook nu. Ja, het schijnt tot het wezen van het verlossende lijden van Christus te behoren dat dit lijden aangevuld moet worden.

Zo heeft Christus, door ook het lijden van de mensen erbij te betrekken, de wereld door Zijn lijden verlost. Hoewel deze Verlossing door het lijden van Christus geheel voltooid is, is ze toch op haar manier nog steeds levend en zet zich in de geschiedenis van de mens voort. Zij is levend en zet zich voort als het lichaam van Christus, dat de Kerk is, en al het menselijk lijden betekent daarom een aanvulling van het lijden van Christus krachtens de gemeenschap van allen in de liefde van Christus; op deze wijze voltooit de Kerk het heilswerk van Christus. Het mysterie van de Kerk – het lichaam dat in zichzelf ook de voltooiing is van het gekruisigde en verrezen lichaam van Christus – laat tegelijk de ruimte zien waarin het menselijk lijden het lijden van Christus aanvult. In deze dimensie en deze opvatting van de Kerk – het lichaam van Christus dat zich onophoudelijk en overal en te allen tijde voortzet – mag men denken en spreken over "wat nog ontbreekt" aan het lijden van Christus. Dit wordt overigens duidelijk door de apostel belicht, als hij schrijft over het aanvullen van "wat nog ontbreekt aan de verdrukkingen van de Christus, ten bate van Zijn lichaam, dat is de Kerk". Juist deze Kerk, die voortdurend uit de oneindige rijkdom van de Verlossing put en deze ingang doet vinden in het leven van de mensheid, vormt de dimensie waarin het verlossende lijden van Christus voortdurend door het lijden van de mens kan worden aangevuld. Zo wordt het god-menselijke karakter van de Kerk duidelijk. Het lijden schijnt in zekere zin in de eigenschappen van dit karakter te delen en heeft daarom in de Kerk een heel bijzondere waarde. Dit lijden is een goed dat de Kerk, in vast geloof aan de verlossing, met zorg hoedt, met alle intensiteit van dat geloof waarmee zij de Verlossing aanvaardt en waarmee zij uitdrukking geeft aan het onmetelijke en onuitsprekelijke mysterie van het lichaam van Christus.

Document

Naam: SALVIFICI DOLORIS
Over de christelijke zin van het menselijke lijden
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Apostolische Brief
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 11 februari 1984
Copyrights: © 1984, Stg. RK Voorlichting, Oegstgeest
Bewerkt: 14 mei 2020

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2020, Stg. InterKerk, Schiedam